Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trant - (manier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

trant zn. ‘manier’
Vnnl. trant ‘pas, gang, tempo’ in Zy gaen al haren trant ‘zij blijven doorlopen, houden hun gang’ [1566; iWNT], trant ‘pas, schrede’ [1588; Kil.], ‘manier, wijze, stijl’ in Huijgens donkre trant ‘Huygens' weinig begrijpelijke manier van schrijven’ [1638; iWNT]; nnl. ‘manier, wijze, stijl’ in naar den ouderwetschen trant gekleed [1810; WNT], In dien trant zullen de staatsveranderingen ... uitvallen [1853; iWNT].
De oorspr. betekenis is ‘pas, wijze van gaan’, zoals ook in vnnl. trenten ‘stappen, lopen’ [1510; MNW], met de variant tranten ‘stappen, schrijden’ [1588; Kil.], en de frequentatieven trentelen ‘kuieren, rustig stappen’ [1657; WNT] en trantelen ‘id.’ [ca. 1610; WNT]. De vormen met -e- en -a- zijn varianten die niet geografisch kunnen worden ingedeeld (WNT tranten en trantelen).
Mnd. trent ‘omtrek, grenslijn’; < pgm. *trent-, *trant- ‘het lopen, het gaan’, zie → drentelen. Zie ook → omtrent en → trend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trant* [wijze van gaan, wijze van handelen] {1566 in de betekenis ‘gang, schrede’} van middelnederlands tranten [stappen], verwant met drentelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

trant znw. m., mnl. trant ‘gang, schredeʼ, Kiliaen trant (vetus) ‘schrede, stapʼ,en tranten (vetus) ‘langzaam schrijdenʼ, trantselen ‘langzaam lopen, drentelenʼ, trensselen, trantselen ‘langzaam werkenʼ. In zuidnl. dial. komen nog voor trant m. ‘langzame gangʼ, tranten ‘langzaam gaan, wandelenʼ. — Zie ook: omtrent.

Men kan denken aan een formatie evenals drentelen, maar ook aan een variant van nnd. trampeln, ne. trample ‘stappen, trappenʼ, waarvoor zie: trap. — De overgang tot de bet. ‘manier van handelenʼ is ontstaan uit die van ‘wijze van lopenʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

trant znw. Kil. “trant. vetus. Gressus, passus, gradus”, waarbij “tranten. vetus. Gradi lente, lento passu” en trantselen “tarde et ignave progredi”, trensselen, trantselen “ignave operam praestare”. Nog zuidndl. dial. (o.a. hagelandsch) trant m. “langzame gang”, tranten “langzaam gaan, wandelen”. Wsch. bij drentelen [addendum aldaar ags. trendan “rollen” intr.] en omtrent: tranten “drentelen, slenteren” kan een oudere bet. “draaien” gehad hebben; trant “schrede” zal jonger zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

trant m., voor *trand = draai, doenwijze: z. omtrent.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

trant s.nw.
Manier, wyse, styl.
Uit Ndl. trant (1638). Ndl. trant is al Mnl., maar dan alleen in die bet. 'gang, skrede'. In Mnl. was ook 'n ww. tranten 'stap'. Die bet. 'gang' word vervolgens fig. gebruik vir die tempo waarteen gebeurtenisse plaasvind (tans verouderd), vervolgens vir die ritme of maat m.b.t. poësie, prosa of musiek (tans verouderd), en vervolgens vir 'manier, wyse in die algemeen'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

traan III: aard, manier, wyse; i. verbg. op d. ou traan, volkset. v. trant, reeds by Kil i. bet. “gang”, en nog SNdl. dial. “langsame gang”, v. trant.

trant: aard, manier, wyse; Ndl. trant (Mnl. trant, “gang, skrede”, vlgs. Kil veroud., maar nog in SNdl. dial. in bet. “langsame gang”, mntl. verb. m. Ndl./Afr. drentel(en) en Eng. tramp(le), ouer bet. gaan blb. uit van “manier v. loop”; v. ook traan III.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Trant, bet. oorspr. gang; wijze van gaan, van doen; men ziet er verwantschap in met het woord treden (z. d. w.), waarvan het door nasaleering (neusklank n) een intensief zou zijn, evenals ons dialectisch trampen; ’t Got. trimpan = treden, schrijden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

trant ‘wijze, manier’ -> Fries trant ‘wijze, manier’;? Duits dialect Trant ‘gewoonte, mode’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trant* wijze, manier 1638 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal