Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

trainen - (oefenen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

trainen ww. ‘oefenen’
Vnnl. trainen, treinen ‘oefenen, vaardigheid bijbrengen’ in De honden ... sullen dickwils op grofwilt niet willen aengaen ... om dat se daer op niet en zijn getreent [ca. 1636; WNT]; nnl. allen kunnen zich trainen [1893; WNT], onze jongens worden getraind in de vreemde talen [1909; WNT], ook onovergankelijk in daardoor kun je thuis ... iets zwaarder trainen [1924; WNT].
Ontleend aan Engels train ‘instrueren, onderwijzen’ [1542; BDE], eerder al ‘door overtuigen aantrekken, overhalen, bekeren’ [1526; BDE], ‘behandelen om in de juiste of gewenste vorm te krijgen’ [ca. 1440; BDE], ouder traynen ‘meetrekken, overhalen’ [1375; BDE]. Het Engelse ww. is ontleend aan Frans traîner ‘trekken, meeslepen’ [13e eeuw; TLF], eerder al ‘achter zich voortslepen’ [1160-74; TLF], ‘kracht uitoefenen op’ [ca. 1135; TLF], ontwikkeld uit vulgair Latijn *traginare, een verlengde vorm van *tragere ‘trekken’, dat zelf een nieuwvorming is op basis van het verl.deelw. tractus ‘getrokken’ van klassiek Latijn trahere ‘trekken’, zie → tractor. Zie ook → traineren en → trein.
Het woord is oorspr. alleen overgankelijk (bijv. een hond trainen, een sporter trainen, hierbij ook de afleiding trainer), maar wordt sinds eind 19e eeuw ook onovergankelijk gebruikt.
In het Vroegnieuwnederlands en in de 19e en 20e eeuw werd ook wel het woord treineren, traineren in deze betekenis gebruikt: dievery ... een gauwe-dief, die isser gheweldich op ghetrynneert ‘... die is daarin zeer geoefend’ [1612; WNT getraineerd II]; nnl. een paard traineren [1847; Kramers], Zich traineeren “zich oefenen (van wielrijders, schaatsenrijders, enz.)” [1901; Kuipers], Traineeren, trainen “oefenen van den jachthond” [1947; WNT traineeren II]. Dit woord is met aanpassing van het achtervoegsel ontleend aan Duits trainieren ‘oefenen, coachen’ [19e eeuw; Kluge], dat zelf ook is ontleend aan Engels train. De vnnl. vorm treineren, trynneren is mogelijk rechtstreeks ontleend aan Frans traîner, zeker in België.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

trainen [oefenen] {1898} < engels to train [slepen, sleuren, opvoeden, africhten] (vgl. trein), vgl. middelnederlands trahinen, traïnen, treïnen [slepen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

trainen ww. sedert de 19de eeuw als sportterm < ne. train ‘oefenenʼ, eig. ‘trekken, slepenʼ < fra. traîner < vulg. lat. *tragināre afl. van *tragere voor lat. trahere, vgl. echter ook reeds lat. tragum, tragula ‘sleepnetʼ (zie: tragel).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

trainen ww. Jonge ontl. uit eng. to train.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2trein ww. (geselstaal)
Afrig, oplei, opvoed.
Verafrikaanste vorm van Eng. train (1542).
Eng. train uit Oudfrans trahiner uit Latyn trahere 'trek'. Die vroegste bet. in Eng. was ''n plant in 'n bepaalde rigting laat groei', waaruit die bet. 'afrig, opvoed'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

trainen (trainde, heeft getraind), (uitspr. treenen), (ook:) opleiden. Het is allemaal de schuld van Hindorie, die mij zijn ’goeroe’ noemt. Ik heb hem getraind en deze opleiding is de VHP fataal geworden. Dezelfde trucs die ik hem geleerd heb, zijn nu op mij toegepast (J. Lachmon, volgens J.F. van den Broek in NRC 10 nov. 1975). - Etym.: E to train = opleiden; oefenen. In Ned. opkomend gebruik. SN t. kan, net als in AN, ook ’oefenen’ betekenen.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

trainen (Engels to train)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

trainen [treen-u] (trainde, getraind) {uit: ‘to train’} 1. zich oefenen (bijv. in een tak van sport); 2. een ander/anderen begeleiden bij het oefenen, opleiden, coachen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

trainen ‘oefenen’ -> Jakartaans-Maleis terèn, trèn ‘trainen (sport)’.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

trainen ww. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = opleiden; bijscholen, scholen.
[alg.] = dat hoort er (allemaal) bij, het hoort bij het spel. Soms win je en soms verlies je. Dat hoort er allemaal bij.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

trainen oefenen 1573 [WNT Bijv.+verb.] <Engels

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

trainen, ['tre:nən] Koenen 1940; Koenen 1974; Van Dale 1976. Loanword from English train v.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal