Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tractor - (trekker)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

tractor zn. ‘trekker’
Nnl. tractor ‘landbouwtrekker’ in de Johnson-tractor, welke machine voor de bewerking van boomgaarden dient [1912; NRC], tractor, die den landarbeid ... belooft te hervormen [1917; NRC], ook buiten de landbouw, algemener ‘trekker’ in de reddingboot ... getrokken door den tractor [1928; WNT].
Ontleend aan Engels tractor ‘landbouwtrekker’ [1901; BDE], eerder al algemener ‘iets wat trekt’ [1856; BDE], nog eerder ‘kwakzalversapparaat van twee metalen stangen om reumatische pijn te verlichten’ [1798; BDE], dat zelf ontleend is aan middeleeuws Latijn tractor ‘dat wat trekt’, een afleiding van de stam trac- van klassiek Latijn trahere ‘trekken’. Zie ook → abstract, → attractie, → contraheren, → extract, → portret, → tracé, → traceren, → trachten, → trainen, → traiteur, → traktaat, → trakteren, → trein en → treiteren.
De etymologie van Latijn trahere (verl.deelw. tractus) is onzeker. Volgens De Vaan (2008) is trahere wellicht verwant met: Oudiers tráig ‘eb; strand’, Welsh trei ‘eb’, Oudiers tethraig ‘rende weg, trok zich terug’; < pie. *trHgh- of *tragh-. Hierbij horen misschien ook: Gotisch þragjan ‘lopen’, Oudengels þrǣgan ‘rennen’; Oudiers traig ‘voet’, Welsh troed ‘voeten’. Een andere, vooral vanwege de Latijnse anlaut eveneens onzekere reconstructie is pie. *dhr(e)gh- (LIV 154), volgens welke → dragen verwant kan zijn. Gezien de onzekere en ongewone wortelstructuur en de beperkte geografische spreiding (Italisch, Keltisch, Germaans) is herkomst uit een voor-Indo-Europese taal niet uit te sluiten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tractor [voorttrekker van voertuigen] {1926-1950} < engels tractor < middeleeuws latijn tractor [belastinggaarder], van trahere (verl. deelw. tractum) [trekken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tractor znw. m. ‘motorrijtuig zonder laadvermogen en cabine voor het voorttrekken van landbouwmachines, geschutʼ enz. < ne. tractor < mlat. tractor, afl. van trahere ‘trekkenʼ.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tractor (Engels tractor)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

tractor [*trektuh] trekker van het type dat je onder meer in de landbouw tegenkomt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tractor ‘trekker van voertuigen’ -> Indonesisch traktor, tréktor ‘trekker van voertuigen’; Javaans dialect trèktor ‘trekker van voertuigen’; Menadonees trèktor ‘trekker van voertuigen’; Minangkabaus taraktor, traktor ‘trekker van voertuigen’; Sranantongo trèktòr ‘trekker van voertuigen’; Surinaams-Javaans trèktor, plèktor ‘trekker van voertuigen’.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

tractor zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = trekker. In de geïndustrialiseerde landen heeft de trekker de rol van trekdieren in de landbouw volledig overgenomen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tractor trekker van voertuigen 1928 [WNT] <Engels

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

tractor, plural tractoren ['trɛktɔr, 'trɑk-; -'to:rən] Koenen 1940; Koenen 1974; Van Dale 1976. Ook: trekker, plural trekkers. Koenen 1940 (in other sense); Koenen 1974 (fifth numbered sense in lemma); Van Dale 1976 (second numbered sense in lemma). Editorial comment: The Dutchified form ‘trekker’ can be explained as an instance of folk etymology, in which a change in the original word form is brought about by both phonetic and semantic associations. (Cf. M. Philippa, ‘Volks-etymologie’, in Renkema (1981), p. 90). The first syllable of ['trɛktɔr] is phonetically identical with the stem of the Dutch verb ‘trekken’ (= ‘pull’). A ‘trekker’ then signifies ‘a thing that pulls’. (That this, rather more opaquely, is also the etymology of English ‘tractor’, is an interesting coincidence). Semantic loan from English tractor n.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal