Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

toe - (in de richting van; tot het punt van; gesloten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

toe bw. ‘in de richting van; tot het punt van; gesloten’
Onl. *tuo ‘toe’ op grond van het voorvoegsel in tōhopa min ‘mijn verwachting, toevlucht, hoop (gezegd van God)’ (letterlijk toehoop) [10e eeuw; W.Ps.], daarnaast als vz. ‘naar’ in ilet siu zo himo ‘haast ze zich naar hem’ [ca. 1100; Will.]; mnl. toe ‘met betrekking tot; erbij; dicht’ en in combinatie met te of tot ook ‘tot aan, niet verder of later dan’ in tot paeschen toe ‘tot aan Pasen’ [1248-71; VMNW], ic ... doe Mine oge op. ende weder toe ‘ik doe mijn ogen open en weer dicht’, Noch af noch toe ‘niets eraf of erbij’ [beide 1265-70; VMNW], veelal in combinatie met te of tot, in hi ... bant Al toten ellenboge toe Din arm ‘hij verbond de arm tot aan de elleboog’ [1265-70; VMNW], dat en dogt niergen tuo ‘dat deugt nergens voor’ [1270-90; VMNW], ter dod al toe ‘tot aan de dood’ [1285; VMNW].
Os. (mnd. ); ohd. zuo (nhd. zu), zua, ; ofri. (nfri. ta); oe. (ne. to); < pgm. *tō. Dit was oorspr. een bijwoord, dat later in de afzonderlijke talen ook wel de functie van voorzetsel kreeg. Daarnaast bestond een verzwakte vorm pgm. *ta, dat van oudsher als voorzetsel diende: mnl. te (zie → te 1 en → te 2); os. ti (mnd. te); ohd. za, zi (mhd. ze); ofri. te, ti (nfri. te). In de Duitse standaardtaal is alleen de vorm zu (bijwoord en voorzetsel) overgebleven. Het Oudengels had ook nog slechts één vorm (bijwoord en voorzetsel). Aan het spellingsonderscheid tussen to (voorzetsel en partikel) en too (bijwoord), dat pas later is ingevoerd op grond van het verschil in klemtoon in zinsverband, beantwoorden ondertussen ook verschillende vormen: to kan wel, too niet tot /tə/ verzwakt worden.
Verwant met: Latijn do, in (archaïsch) endo ‘binnenin’, quandō ‘wanneer’, dōnec ‘totdat’; Grieks do in éndon ‘binnen(in)’; Litouws da ‘totdat’; Oudkerkslavisch do ‘naar’ (Russisch do); Oudiers do ‘naar’; < pie. *do(-h1) (IEW 181). Mogelijk hoort hierbij met ablaut pie. *de-h1, waaruit: Latijn ‘vanaf’ (zie → de-); Oudiers ‘id.’ en de Griekse postpositie de ‘naar ... toe’.
Toe komt in het Middelnederlands ook voor als variant van te, dus als voorzetsel, maar dan vooral in oostelijke teksten. In de standaardtaal is alleen de bijwoordelijke functie gehandhaafd. In de ruimtelijke betekenis wordt toe meestal gecombineerd met een voorzetsel, bijv. naar ... toe of tot ... toe, of met een werkwoord, bijv. toelopen, toeschieten, toeschreeuwen, toeslaan. Ook in andere betekenissen blijft toe meestal beperkt tot vaste combinaties of verbindingen, bijv. toe ‘erbij’ in op de koop toe, er (niets, weinig enz.) toe doen, toegeven, toegift, toenaam en toetje.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

toe* [ter aanduiding van richting] {oudnederlands to 901-1000, middelnederlands toe} naast te1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

te I bijw., voorz., mnl. te. = onfr. te (eenmaal ti), ohd. za, zi, ze, os. ofri. te, ti “te, tot”. Hiernaast mnl. toe (nnl. toe), onfr. (per conjecturam; overigens slechts in to-hopa “spes”), ohd. zuo (nhd. zu), os. ofri. ags. (eng. to, too). In ’t Ohd. en Os. is zuo resp. als voorz. jonger dan za, zi, ze resp. te, ti. In ’t Mnl. is toe als voorz. vooral oostelijk. De genoemde vormen gaan op idg. *do, *de, * terug: vgl. oudlat. en-do, in-du “in”, gr. , -de, obg. do, av. -da “naar”. Met ablaut ier. , lat. ( “van — af, van — weg” (hierbij ook osk. dat “id.”?) en lat. ad “tot” enz. (zie tonen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

toe bijw., Mnl. id., Onfra., Os. tô + Ohd. zuo (Mhd. id., Nhd. zu), Ags. (Eng. to en too), Ofri. + Zend enklit. da, Gr. enklit. , Lat do (in quan-do, donec) en dum, Oier. do, Osl. do, Lit. da: de oorspronk. bet. is in de richting van. Verwant zijn Go. at, On. at (Zw. at, De. ad), Ags. æt (Eng. at) en Lat. ad; voorts te, Ohd. ze, zi, Gr. de (in hó-de), Lat. de (in in-de).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

touw (bijw.) toe, dicht; Aajdnederlands tuo <900-1000>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

toe, vz.: tot. Mnl. toe, to ‘te, tot’, Os., Ofri., Oe. to, Ohd. zuo, D. zu, ablautend naast te.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

toe b.nw., bw.
1. Daarheen, in die rigting van. 2. Bedek, gesluit, dig. 3. (geselstaal) Dom.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. toe (al Mnl.). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. I.v.m. die byw. gebruik van toe in bet. 2 meld Van Dale (1999) dat dit veral gewestelik voorkom. Die WNT beskou die oorspr. bet. van bv. de deur is toe as 'de deur is gedraaid tot haar eindpunt, t.w. in het kozijn'. Die attr. gebruik kom al vroeg voor (1661). Soos Kempen (1969: 54) aantoon, is daar nie tekens van produktiwiteit in Afr. in hierdie verband nie, en dat die oorgang van bw. tot b.nw. in Ndl. nie 'n afgelope proses is nie. Die oorgang voltrek hom van geval tot geval.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1970 in bet. 3).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

toe II tot (Oost-Noord-Brabant). = hgd. zu = gr. -de (bv. oikónde ‘naar huis’), av. da (bv. vaesmanda ‘naar huis’).
Roukens krt. 89.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

toe I: dig, gesluit; Ndl. toe, Eng. to, Hd. zu, hou verb. m. Ndl./Afr. te (Lat. de, bw. v. rigting) wat in Ndl. ook, soos hier, b.nw. en selfs voors. en uitrw. geword het; vgl. Scho TWK/NR 7, 2, p. 30.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

toe ‘tot, naar’ -> Negerhollands tu, toe, due ‘tot, naar’.

toe ‘dicht’ -> Zuid-Afrikaans-Engels toe ‘zeer dom’ <via Afrikaans>; Negerhollands toe, tu ‘dicht’.

toe ‘tussenwerpsel als aansporing, verzoek, om te sussen’ -> Zuid-Afrikaans-Engels toe maar ‘sussend tussenwerpsel’ <via Afrikaans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

toe* bijwoord van richting 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

de-, do- Demonstrativstamm, z. T. ich-deiktisch; Grundlage verschiedener Partikeln

Av. vaēsmǝn-da ‘zum Haus hin’;
gr. -δε in ὅ-δε, ἥ-δε, τό-δε ‘der hier’ (ich-deiktisch), ἐνθά-δε, ἐνθέν-δε, τεῖε, hinter Akk. der Richtung, z. B. δόμον-δε, οἶκον δε, οἶκόνδε, ᾽Αθήναζε (*Αθᾱνᾰνσ-δε), wie av. vaēsmǝn-da (arkad. θύρδα· ἔξω Hes., Umbildung von -δε nach Doppelformen wie πρόσθε : πρόσθα), auch in δε-ῦρο (δεῦρο nachgebildeter Pl.) ‘hierher’, lat. quan-de, quam-de ‘als wie’ = osk. pan, umbr. pane ‘quam’, ebenso osk. pún, umbr. pon(n)e ‘quom’ (*quom-de), lat. in-de ‘von da’ (*im-de), un-de ‘woher’; gr. δέ ‘aber’; gr. δή ‘eben, nun, gerade, gewiß’, ἤ-δη ‘schon’, ἐπει-δή ‘quoniam’; δαί hinter Fragewörtern ‘(was) denn?’;
idg. *de steckt auch im air. Artikel in-d (*sind-os, idg. *sēm-de);
ital. -*dām in lat. quī-dam, quon-dam, umbr. ne-rsa ‘donec’ (wohl erstarrter Akk. f.*ne-dām ‘nicht die Weile’; daneben m. oder n. in:);
lat. dum (*dom) ‘noch’, als Konj. ‘während, indes, indem’, ursprgl. demonstratives ‘dann’, vgl. etiam-dum, interdum, nōndum, agedum (: gr. ἄγε δή), manedum, quidum ‘wie so?’ u. dgl., dann in relativ-konjunktioneller Bed., wie auch in dummodo, dumnē, dumtaxat; osk. ísídum ‘idem’ ist aber in ís-íd-um zu zerlegen, wie auch in. lat. īdem, quidem, tandem, tantusdem, totidem kein mit dum aus *dom ablautendes -dem anzuerkennen ist; īd-em aus *id-em = ai. id-ám ‘eben dieses’, vgl. osk. ís-íd-um, wie quid-em aus *quid-om = osk. píd-um, und infolge der Silbentrennung i-dem wurde -dem als Identitätspartikel gefühlt und wucherte weiter);
aber die Grundbedeutung von dum ist ‘ein Weilchen’, weshalb das u vielleicht alt ist (vgl. dūdum) und dum zur Wz. deu̯ǝ- gehört (EM2 288 f.).
idg. *dō ursprgl. ‘herzu’ in lat. dō-ni-cum (altertümlich), dōnec (*dō-ne-que), seit Lukrez auch donique ‘so lange als, bis daß, bis endlich’, aber auch ‘dann’ (dō- gleichbed. mit ad-, ar- in umbr. ar-ni-po ‘quoad’ aus *ad-ne-qom) und in quandō ‘wann’ = umbr. panupei ‘quandoque’; air.do, du, acymr. di (= ði), corn. ðe ‘zu’ aus *dū (in gall. du-ci ‘und’), Thurneysen Grammar 506; ags. , as. tõ (te, ti), ahd. zuo (za, ze, zi; die kürzeren Formen sind trotz Solmsen KZ. 35, 471 nicht als bereits uridg. Ablautvarianten aufzufassen), nhd. zu (got. du ‘zu’ mit Dat. und Präverb, z. B. in du-ginnan ‘beginnen’, scheint proklitische Entw. aus *(?), von Brugmann II2, 812 als unaufgeklärt bezeichnet); alit. do Präp. und Präf. ‘zu’; aksl. da ‘so, und, aber; daß’ (Bed.-Entw. ‘*dazu’ - ‘noch, und’, woraus dann die unterordnende Anknüpfung); anders Pedersen Toch. 5.
Daneben idg. *dŏ in aksl. do ‘bis, zu’.
Lit. da-, perfektivierendes Verbalpräfix, und lett. da ‘bis - zu’, auch Verbalpräf. z. B.in da-iet ‘hinzugehen’, stammen aus dem Slavischen.
en-do: alat. endo, indu ‘in’, lat. nur mehr als Kompositionsglied, z. B. indi-gena, ind-ōles, weitergebildet in hom. τὰ ἔν-δ-ῑνα (richtig ἔνδῐνα) ‘die Eingeweide’, mir. inne ‘ds.’ (*en-d-io-); dagegen wird air. ind- Präp. und Präf. ‘in’ von Thurneysen Grammar 521 als nach in- umgefärbte Entsprechung von gall. ande betrachtet und weiter von Pedersen KG. I 450 mit got. und ‘bis’, ai. ádhi verbunden; und gr. ἔνδο-θι ‘drinnen’, ἔνδο-θεν ‘von innen’ sind wie lesb. dor. ἔνδοι nach οἴκο-θι, -θεν, -ι aus ἔν-δον umgebildet, s. *dem- ‘bauen’; hitt. an-da ‘in’ ans *en-do(oder *n̥-do?), Pedersen Hitt. 166. Hingegen ist das Adverbial- und Prädikatsnomenzeichen air. in(d), abret. in, mcymr. yn wohl Instrumental des Artikels; s. ferner Thurneysen Grammar 239.
(wie wohl ein Instr. der Erstreckung) in lat. ‘von - weg, von - herab, in betreff’, falisk. de (daneben osk. dat ‘dē’ (für *dād, mit t nach post, pert usw.; osk.-umbr. *dād ist wohl Ersatz für * nach ehtrād usw., bzw. nach dem ablativisch umgeformten Instr. (d), ō(d):ād); als Präverb in da[da]d ‘dedat’, dadíkatted ‘dedicavit’, umbr. daetom ‘delictum’; dazu Komp. lat. dēterior ‘minder gut, schlechter’, Sup. dēterrimus, dēmum (altlat. auch dēmus) ‘eben, nun, erst’ (‘*zu unterst’ - ‘zuletzt, endlich’), dēnique ‘und nun gar, und dann, endlich’;
air. (daneben de aus idg. dĕ, womit vielleicht gall. βρατου-δε ‘e judicio’ gleichzusetzen ist), acymr. di, ncymr. y, i, corn. the, bret. di ‘von - herab, von - weg’, auch als Privativpartikel (z. B. acymr. di-auc ‘segnem’, wie lat. dēbilis; steigernd air. dī-mōr ‘sehrgroß’ wie lat. dēmagis)
Die Bed ‘von - herab, von - weg’ dieser mit gr. δή, δέ formell gleichen Partikel ist wohl erst eine gemeinsame Neuerung der Kelten und Italiker; auch der Germanen? (Holthausen KZ. 47, 308: ahd. zādal ‘Armut, Not’ aus *dē-tlom, von *dē ‘von - weg’, wie wādal ‘arm’ : lat. vē?).
Zu unserem Stamme gehört auch der Ausgang folgender Adverbialgruppen: ai. tadā́ ‘dann’, av. taδa ‘dann’, lit. tadà ‘dann’; ai. kadā́ ‘wann?’, av. kadā, jav. kaδa ‘wann?’, lit. kadà ‘wann’; ai. yadā́ ‘wann, als’, av. yadā, jav. yaδa ‘wann’, aksl. jeda ‘wann’ (vgl auch ai. yadi ‘wenn’, apers. yadiy, av. yeδi, yeiδi ‘zur Zeit als’ und av. yaδāt ‘woher’); ai. idā́ ‘jetzt’; auch die slav. Bildungen wie russ. kudá ‘wohin’, aksl. kądu, kądě ‘woher’, nikъda-že ‘nunquam’, poln. dokąd ‘wohin’, aksl. tądě ‘von dort’, sądu ‘von hier’ u. dgl., die aber auch idg. dh enthalten könnten.
Ein verwandter St. *di vielleicht in dem enklit. iran. Akk. av. apers. dim ‘ihn, sie’, av. dit ‘es’, diš Pl. m. f., Pl. n., und apr. Akk. Sg. din, dien ‘ihn, sie’ (usw.); vgl. aber Meillet MSL 19, 53 f.

WP. I 769 ff., WH. I 325 f., 339 f., 370 f., 694, 859, Schwyzer Gr. Gr. I 624 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal