Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tittel - (puntje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

tittel zn. ‘puntje’
Mnl. titel, tittel ‘afkortingsteken’ in een titel ... inn off booven eyn woyrt [1477; Teuth.]; vnnl. titel, tittel ‘klein detail’ in de minste letter noch titele vander wet [1526; WNT], ‘afkortingsteken’ [1573; Thes.], titel ‘letterteken, interpunctie, afkortingsteken’ [1588; Kil.], ‘klein detail’ in noch een jota, noch een tittel [1637; WNT]; tittel ‘klein detail’ in noch tittel noch jota prijs te geven [1874; WNT].
Ontleend via Oudfrans title ‘streepje als afkortingsteken’ [1250-80; Rey] (Nieuwfrans titre) aan middeleeuws Latijn titulus ‘afkortingsteken (in handschriften)’, oorspr. ‘dat wat aangeeft, aanduiding, aankondiging’, zie → titel. Zie ook het van dit woord afgeleide werkwoord → betuttelen, letterlijk ‘puntjes op de i zetten’. Zie voor de uitdrukking geen tittel of jotajota.
Spaans tilde ‘diacritisch teken’ [1433; Corominas], dat ook internationaal onder die naam bekend is, o.a. in het Nederlands [1847; Kramers], gaat, wrsch. via Catalaans title ‘afkortingsteken’, later titlla, op ditzelfde Latijnse woord terug.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tittel [puntje] {tuttel 1477, tittel 1573} hetzelfde woord als titel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tittel znw. m., eerst sedert de 17de eeuw ‘punt, streepje’ is evenals oe. tittle hetzelfde woord als titel, dat Kiliaen reeds in de bet. ‘stip, punt’ kent. Intussen kan op vorm en bet. ook de woordgroep van tit invloed hebben gehad.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tittel znw., sedert de 17. eeuw. Evenals eng. tittle “tittel” een jong woord, van tit gevormd. Vgl. bij toot.

[Aanvullingen en Verbeteringen] tittel. Niet van tit, maar = titel: NB. Kil. titel “apex literarum: et. Punctus”, Teuth. een titel off tutten (lees: -el) inn off boeven eyn woyrt “titulus”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tittel. Niet bij tit, maar = titel waarvoor Kil. de bet. ‘stip, punt’ opgeeft; vgl. ook Teuth. titel, tutten (lees: tuttel) inn off boeven eyn woyrt ‘titulus’ (v.Wijk Aanv.). De vorm met u (vgl. ook gron. tuddel ‘tittel’ en ‘achternaam’ = titel) bij toot of met een woord uit de groep van toot dooreengelopen. Ook eng. tittle is van dezelfde oorsprong als title. Zie titel Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tittel m., gelijk Eng. tittle, bijvorm van titel; voor de bet. cf. Sp. tilde = accent, punt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tittel: kleinigheid (bv. in verbg.: geen jota ofnie), eint. doeb. v. titel (q.v.); Ndl. tittel/tuttel (vroeër ook titel, “puntjie by ’n letter”, so reeds by Kil), Eng. title/tittle, Hd. tüttel, via Ofr. title (Fr. titre) uit Lat. titulus, “by-/in-/opskrif”; v. ook titel.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tittel (Latijn titulus)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Tittel, puntje, haaltje of streepje boven, onder of naast een letter ter aanduiding van een afkorting, van het accent, e.d.; ook wel: versierseltje.
Geen tittel of jota, tittel noch jota, geen letters, helemaal niets (meestal van een tekst).
Tittels en jota's, onbelangrijke (kleine) toevoegsels.
Geen (tittel of) jota van iets begrijpen, ergens helemaal niets van begrijpen.

Jezus sprak tot zijn discipelen: 'Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn' (Matteüs 5:17-18, NBV). Net als de Hebreeuwse tittel is de Aramese jota maar een klein schriftteken. Zelfs in de kleinste details zal er dus niets veranderd worden. De uitdrukking komt tegenwoordig nog vaak voor, vooral in een constructie als geen (tittel of) jota ergens van begrijpen, 'ergens helemaal niets van snappen'. Tittel ontbreekt meestal in deze laatste uitdrukking.

Statenvertaling (1637), Matteüs 5:18. Want voorwaer segge ick u, tot dat de hemel ende de aerde voorby gaen, en sal daer niet een jota, noch een tittel van de Wet voor-by gaen, tot dat het alles sal zijn geschiedt.
Door de week werd er na de warme middagmaaltijd en de avondboterham door een gezinslid, meestal de heer des huizes, uit de Schrift voorgelezen; een hoofdstuk per keer, en van Genesis tot en met Openbaringen zonder dat er een tittel of jota werd overgeslagen. (J. Goedegebuure, De Schrift herschreven. De bijbel in de moderne literatuur, 1993, p. 7)
Staatssecretaris Linschoten: Dit wetsvoorstel, of deze wet als zij straks in het Staatsblad staat, doet tittel noch jota af aan de afspraken die in collectieve arbeidsovereenkomsten zijn gemaakt. (Tweede Kamer, nov. 1995)
Hij houdt niet van grootspraak, tittels en jota's en wie hem niet gewoon bij zijn voornaam 'Carlos' noemt, kan het maar beter helemaal laten. (L. Hacquebord, R. de Bok, Spitsbergen 79° N.B. Een Nederlandse expeditie in het spoor van Willem Barentsz., 1981, p. 120)
Wie dit stuk op morele gronden wil tegenhouden heeft het óf niet gelezen óf er geen jota van begrepen (Rotte vis. Een cursus effectief beledigen. Een keuze uit Propria Cures, 1998, p. 131)
Ze maait wat met haar armen, werpt getergde blikken in het zwerk, blaast haar partijtje soap-janken mee, maar wat dat arme mensenkind bezielt, daar heb ik geen spoor van gezien (of geen jota van begrepen). (De Groene Amsterdammer, 3-3-1999, p. 31)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tittel puntje 1477 [Teuth.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2265. Geen tittel of jota,

l. fr. pas un iota.

d.w.z. hoegenaamd niets, oezel noch snee, zooals de Westvlamingen zeggen, spaan noch krul (in Jord. 355). Deze uitdrukking is ontleend aan Matth. V, vs. 18 of Luc. XVI, vs. 17. ‘De jod is de kleinste Hebreeuwsche letter, terwijl men onder een tittel (eng. tittle) te verstaan heeft die kleine puntjes of haaltjes, waardoor sommige Hebreeuwsche medeklinkers van elkander onderscheiden zijn, b.v. de sjin en de sin’; Zeeman, 460; Sewel, 783: Hy weet 'er geen tittel van, he knows nothing of it; Halma, 639: Daar is niet een tittel van gemeld, daar is niet een zier van gerept; C. Wildsch. III, 158: Geen letter noch jota; Harreb. I, 367 a; fr. pas un jota; hd. kein Tüttelchen (oder Titelchen); kein Jota; eng. not a jot; no jot or tittle.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal