Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

titel - (naam, opschrift; kwalificatie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

titel zn. ‘naam, opschrift; kwalificatie’
Mnl. titel ‘opschrift’ in was die titel gescreuen in Hebreuschen [1291-1300; VMNW], Jhesus Nazarenus, der joden coninc: desen titel lasen vele van den Joden [1348; MNW], ‘naam die functie, waardigheid enz. uitdrukt’ in titele ... van priestren ende dyakenen [midden 14e eeuw; MNW], ‘naam, opschrift’ in boicks name of tytel ‘de naam of titel van het boek’ [1477; Teuth.]; vnnl. titel, tytel ‘kwalificatie, rang’ in Heeren van tijtelen, als Graven, Hertogen [1596; WNT], ‘naam die waardigheid enz. uitdrukt’ in titel van eeren ‘eretitel’ [1599; Kil.], titel ‘opschrift’ [1599; Kil.], ‘rechtsgrond voor eigendomsoverdracht’ in koop of diergelijcke tytel van verhandelinge [1621; WNT]; nnl. titel, titul ‘kwalificatie, rang’ in den titul van schout bij nagt [1781; WNT], den titul van Mr. ‘de titel meester in de rechten’ [1794; WNT], ‘rechtsgrond’ in een titel van eigendomsovergang [1913; WNT].
Ontleend via Oudfrans title ‘naam die functie, rang enz. aangeeft’ [13e eeuw; TLF], eerder al ‘inscriptie, opschrift’ [ca. 1170; TLF] (Nieuwfrans titre), aan Latijn titulus ‘inscriptie, opschrift’, oorspr. ‘dat wat aangeeft, aanduiding’, waarvan de verdere herkomst niet duidelijk is. Zie ook → tittel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

titel [opschrift, naam] {tit(t)el [naam, opschrift] 1291-1300} < oudfrans title < latijn titulus [titel, opschrift, eretitel, titel in juridische zin].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

titel znw. m., mnl. titel < ofra. title (nfra. titre) < lat. titulus. Het woord is steeds onder invloed van titulus gebleven, anders zouden wij moeten verwachten *tijtel. Gaat men uit van een ontlening als ohd. titul, dan zou dit *tetel geworden zijn; W. de Vries Ts 41, 1922 wijst op gron. tuttel, tuddel als ontwikkeling uit een os. *titul. — Rechtstreeks uit het lat. zijn ook ontleend oe. titol (ne. title) en on. titull.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

titel znw., mnl. titel m. Uit ofr. title (fr. titre) of lat. tilulus. Onder invloed van het vreemde woord gebleven. Anders zouden wij nnl. *tijtel verwachten. Een tegelijk met ohd. titul, tital (nhd. titel) m. overgenomen onfr. *titul zou zonder nieuwen invloed van ’t rom. woord *tētel zijn geworden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

titel. Uit lat. titulus ook ags. titol m.(î?) ‘titel’ (eng. title), on. titull m. ‘titel, verkortingsteken; gebeurtenis, verhaal’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

titel m., uit Lat. titulum (-us) = opschrift.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

titel s.nw.
1. Opskrif. 2. Korrekte aanspreekvorm. 3. Regsgrond, bewysstuk. 4. Onderdeel van 'n wet of 'n besluit. 5. Kampioenskap in sport.
In bet. 1 - 4 uit Ndl. titel (al Mnl. in bet. 1 - 3, 1564 in bet. 4). In bet. 5 uit Eng. title (1922). Die feit dat titel nie in Ndl. en Afr. gediftongeer het nie, toon dat die invloed van die vreemde (Fr.) woord lank gebly het. In bet. 2 is die benaming meestal van owerheidsweë toegeken waarmee in die reël 'n waardigheid, rang of maatskaplike posisie aangedui is. Bet. 3 reeds by Romeinse regsgeleerdes.
Ndl. titel en Eng. title uit Oudfrans title (Fr. titre) uit Latyn titulus 'geskrewe aankondiging, kennisgewing, naam van 'n boek, eretitel, amptelike gesag'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

titel: amps-/graad-/rangnaam; regsgrond; Ndl. titel (Mnl. titel), soos Hd. titel en Eng. title, via Ofr. title (Fr. titre) uit Lat. titulus, “in-/opskrif; erenaam”; v. ook tittel.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

titel (Latijn titulus)

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

titel (III). - In Zuidnederlandsche nieuwsbladen en in officieele stukken komt dit woord veelvuldig voor in eene beteekenis welke het niet heeft, nl. in die van aandeel, actie, effect. Deze beteekenis is ontleend aan een dergelijk gebruik van fr. titre. || Met 1n September 1907, zal de drager, tegen indiening van den titel des schuldbriefs, een nieuw koeponblad ontvangen, op de loten der leening door de stad Brussel in 1886 aangegaan (misschien staat titel hier wel in den zin van: titelblad, maar deze benaming is hier dan toch onjuist).

titel (I). - In het Fransch heeft het woord titre o.a. eene beteekenis welke door LITTRÉ (Dict. 4, 2239a) aldus wordt omschreven: “qualités, capacités, services, travaux qui donnent droit à quelque chose”. Doch het Nederlandsche woord titel kan in dien zin niet gebruikt worden. Het woord, dat in onze taal beteekent: het recht om het bezit of genot van iets te eischen, is aanspraak. Hoezeer het den Vlaming aan taalgevoel mangelt, blijkt uit het feit dat onze schrijvers onbeschroomd spreken over aanspraken op titels en titels van aanspraken. || De bijzonderste titels van ’s mans aanspraak op onze hulde en dankbaarheid, STALLAERT in Versl. Vl. Ac. 1893, 51. Het is voor de Hollanders een onvergankelijke titel van roem de eersten onder de modernen geweest te zijn, om de natuur te begrijpen en te vertolken, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 154. De kandidaten met de beste titels, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 42. Zou ik de titels vermelden, die de pas overledene Frans-Gisleen Borluut eene plaats doen openen in de rij der groote burgers? DE POTTER, Gent 1, VII. Op letterkundig gebied hebben mijne bijdragen ... in de dag- en weekbladpers, evenmin als mijn diploma van doctor in de letteren en wijsbegeerte ... een titel kunnen zijn voor mijne opneming in uw midden, COREMANS in Versl. Vl. Ac. 1891, 330. Een titel blijft hem echter onbetwist bij, namelijk de leermeester van zoovele en zoo groote kunstenaars geweest te zijn, ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 15 (Wij) bespreken alleen de titels, die de twee overige steden, Antwerpen en Siegen, doen gelden, 2, 38. Ziedaar ... de titels welke wij kunnen doen gelden voor onze ... candidaten, ROOSES, Sticht. d. Acad. Zijn bijzonderste titel was ... dat hij als een gehoorzaam kind van onze moeder de heilige kerk handelde, TEIRL.-STIJNS, Arm. Vl. 2, 83. Nieuwsblaadjes, die misschien geene de minste aanspraak op taalkundige titels of letterkundige waarde maken, WATTEZ in Het Belfort 1895, I, 81 (hier en in de eerste aanhaling wordt er dus letterlijk gezegd: aanspraak op aanspraken, wat onzin is).

titel (II) (ten titel van -). - Deze uitdrukkingen bestaat in het Nederlandsch niet; het is een ergerlijk gallicisme, dat men in ons Staatsblad evenals in de nieuwsbladen zeer vaak aantreft. Zoo b.v. ten titel van proef = fr. à titre d’essai, men zegt in het Nederlandsch bij wijze van proef; ten voorloopigen titel = fr. à titre provisoire; men zegt eenvoudig voorloopig (als bijw.), ook wel tot nader overleg. || In het Athenaeum van Gent ... is er door de Regeering machtiging verleend ... om ... ten titel van proefneming, het volgende stelsel in de twee laagste klassen ... toe te passen, Volksbelang 23 Oct. 1886, 1c.
– Evenmin kan men derhalve zeggen b.v. ten dubbelen titel, vertaald naar fr. à double titre; men zegge in tweeërlei opzicht. || Onder die portretten treft men historische aan, die ten dubbelen titel onze belangstelling opwekken, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 138.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

titel ‘opschrift, naam’ -> Indonesisch titel ‘academische graad; opschrift, naam’; Jakartaans-Maleis titel ‘naam’; Minangkabaus titel ‘naam’; Papiaments † titel ‘opschrift, naam’; Surinaams-Javaans titel ‘(academische) titel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

titel opschrift, naam 1291-1300 [CG Luiks Diat.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal