Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tinnef - (slechte waar, tuig)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tinnef [slechte waar, tuig] {1906} vgl. rotwelsch tinnef < jiddisch tinnef [rommel, slechte kwaliteit] < hebreeuws ṭinnūph [vuil, smeerboel, rotzooi].

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2009), Van Dale Modern Bargoens woordenboek, Utrecht

tinnef slechte (koop)waar; verachtelijk persoon of groep van personen. In 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke. Köster Henke vermeldt het als tennef voor ‘slechte koopwaar’ en als tinnef voor ‘slechte kost’. Vervolgens opgetekend in een Bargoense woordenlijst uit 1917, voor ‘persoon die niet deugt; in ’t algemeen iets dat slecht is’. Via het Jiddische tinnef (‘rommel, slechte kwaliteit’) ontleend aan het Hebreeuwse tinnuf (‘vuil, rotzooi’).
Tinnef is in diverse samenstellingen aangetroffen, waaronder tinnefklanten, tinnefzootje, enzovoort.
In 1960 dichtte Gerrit Komrij, in Alles onecht:
Hij zag een molen, en een waterkering. / Het stulpje stond er ook, al was het tinnef. / Men zat daar, spreekt vanzelf, slecht in de kleren. / Er was geen tuintje en geen kast met linnen.
— Wat ’n tinnef, wat ’n tinnef! God geef uitkoms en redding! ¶ Is. Querido, Het volk God’s dl 1 (1931), p. 93. De schrijver verklaart de betekenis (‘misère’) in een voetnoot.
— Hij had een zeer fijn gevoel [...] voor beschaafde omgangsvormen, al was hij zelf ook gewoonlijk de verpersoonlijkte onbeschoftheid, en hij zag, dat de houding en de manieren van Frits een en al aanstellerij waren: tinnef. Dat was ’t: klatergoud, similidiamant, vodderij – tinnef! ¶ C. de Dood, De profeet (1936), p. 15
— Twee grappenmakers, die een loopje namen met alle mogelijke lijsten, die de ene na de andere gesprongen zijn, hebben een Lau-Man-Tinnef-lijst ingesteld. (Lau-Man-Tinnef is bargoens. Het betekent zoveel als: Niks man, rommel). ¶ Philip Mechanicus, In dépôt (1964), p. 289. Het citaat dateert van 1944.

tinnefklant. Dus daar sta je te trillen op je voeten in je bank, als je denkt dat er dan eens eentje is van die heele bende tinnefklanten die eens iets wordt onder de menschen dat iets aparts is en dat de moeite van het noemen waard is. ¶ Sam. Goudsmit, Jankef’s oude sleutel (1930), p. 95

tinnefzooi. En, dat pesthek om de tuin, dat die goozer heit late fabrieseere voor de tocht in z’n slaapkamer, hebbe me niks as sjegrijn van. Koleere! wat een tinnefzootje! ¶ Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar (1935), p. 59

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

tinnef: (Bargoens) verachtelijk persoon of groep personen; gespuis*; uitschot*. Van het Hebreeuwse tinnuf (vuil, smeerboel). Ook gebruikt voor ‘slechte koopwaar’.

Dan kunnen wij meteen samen eens praten over het nieuwe ministerie. Ik geloof, onder ons gezegd en gezwegen, dat ze mij weer met een aardig zoodje tinnef hebben opgescheept. (Maurits Dekker, Amsterdam bij gaslicht, 1949)

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

tinnef [tin’nef], tennef, tinf, tinnif: slechte handel, (koop)waar van minderwaardige kwaliteit (vooral van slechte stof), rommel, rotzooi; verachtelijk individu of groep, tuig, gespuis.
Querido verklaart het in een noot als: misère. Dit lijkt een vergissing van deze schrijver, die van zijn reusachtige woordenschat veel goed kende, een ander deel overschreef uit de woordenlijsten van Köster Henke en Voorzanger & Polak, en met een derde gedeelte in de war raakte | < Jidd. < Hebr. tiennoef: vuil, drek, van tinneif: besmeuren.

— “Waar zit-ie? Waar zit dat kleine tinnef-nummer? Hei! Zeg! klein tinnef-nummer! Ben jij niet op de kermis geweest?”
“Ja.” knikt hij kort. “Op de kermis geweest, tinnef-nummertje? En heb je dan Eli, Ezra, hoe heet-ie: Mau, niet gezien?” [...]
“Wat nou!” verweert vader zich: “Hij heeft toch zeker wel ogen in zijn kop? dat kleine tinnef-nummertje? Daar mankeert het hem toch zeker niet aan? Nou?” (SAM. GOUDSMIT, 1927)
— Schoontje jammerde na:
- Wat ’n tinnef... wat ’n tinnef!... God geef uitkoms en redding! (IS. QUERIDO, 1931)
— Als ze terugkomt is ze beladen met pakjes voor haarzelf en voor haar jongste, speelgoed voor hem, snoepgoed en weet ik wat nog al voor tinnef. (ELISABETH AUGUSTIN, 1938)
— ‘Weet je waarom er zo weinig dronken Joden zijn?’ ‘nee.’ ‘Omdat we zoveel zure augurken en uitjes eten. Veel azijn is slecht voor een sjikkere nabes.’ [...] ‘Vader, dat begrijp ik nou niet. Er zijn zo weinig dronken Joden, zegt U, en Noach dan? Of waren er toen nog geen pekelaugurken?’ [...] ‘Pekelaugurken waren er al voor de eerste dag. Die heeft God in het donker geschapen. Je moet één ding niet vergeten. Noach was in het begin helemaal geen sjikkerlap. Maar toen hij ná de zondvloed in de gaten kreeg, wát voor een zoodje tinnef de wereld eigenlijk is, die hij had gered, toen is hij aan de drank gegaan, gewoon uit kif.’ (MEYER SLUYSER, 1959)
— Mijn tijd komt nog wel, meneer Knots van Bommelen, en als het moet, neuk ik je wijf (want die is erg lekker en nog jong en vindt kunstenaars zo interessant) als jij in je Herenkledingzaken je tinnef staat te verpatsen. (JAN CREMER, 1966)
— Goed hout uit Amerongen is half zo duur als tinnef uit Tiel. (BEN DE COCQ, 1992)

Zie ook seibel

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tinnef (Jiddisch tinnef)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

tennef, tinnef. Tennef betekent ‘rommel, slechte waar’ en is afkomstig uit het Hebreeuwse tiennoef ‘vuil, drek’. Met de verwensing krijg de tennef! wenst men iemand in geval van verontwaardiging verderf toe. Die emotionele betekenis kan het best weergegeven worden met ‘sterf, rot op’. De Rotterdamse bokser Bep van Klaveren was een grootgebruiker van deze verwensing.

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

tinnef rommel, slechte kwaliteit; spec. ook van slechte stof; hebr. tiennoef, vuil, drek; overgegaan in de ndl. volkstaal; hier ook tennef.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

tinnef, tennef < hebr. rommel, slechte kwaliteit.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tinnef slechte waar, tuig 1906 [MOO] <Jiddisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal