Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

timp - (spits toelopend stuk, puntbroodje)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

timp* [spits toelopend stuk, puntbroodje] {timp(e) [punt] 1282; de betekenis ‘puntbroodje’ 1599} in veldnamen ook tempel [puntig stuk land], middelnederduits, fries timpe; behoort bij een hele groep woorden met dezelfde grondbetekenis, bv. tip, top, tap, tepel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

timp znw. m. ‘spits toelopend einde, langwerpig stuk hout, broodje’, mnl. timp ‘ m., timpe v., mnd. timpe m. ‘spits, punt’. Daarnaast staan tamp en nnl. dial. tump ‘tip’ (noordholl.), tumpien ‘tip’ (kampens), misschien zelfs ohd. zumpfo m.’penis’ (vHaeringen Suppl. 168-9). Dat ziet er naar uit, zoals W. de Vries Ts 41, 1922, 194 opmerkt, dat dit een woord is met themavocaal en dus niet als nasalering van tip behoeft te worden opgevat. Maar er zijn geen aanknopingen met buiten-germ. woorden en dan moeten wij uitgaan van een spontane formatie, waarbij zeker het klankelement ti- voor iets dat ‘spits’ is een belangrijke rol gespeeld zal hebben, wat eveneens met tip het geval is. Eenmaal gevormd kan dan het woord timp van zich uit zogenaamde ablautsvormen ontwikkeld hebben.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tepel znw., sedert Kil. Ook oostfri. Staat tot Kil. tippel “tepel”, Teuth. tippel “id., spits, punt”, mhd. (nhd.) zipfel m., ndd. tippel “tip, punt” als ags. æcer tot ndl. akker. Hiernaast tip, mnl., mnd. tip (pp), mhd. zipf m. “tip, spits uiteinde”, fri. tip(pe), eng. tip, noorw., zw. dial. tipp m. “id.”. Hierbij ook ’t ww. ndl. tippen, nog niet bij Kil., ndd. tippen (tēpen), eng. to tip “even aanraken”, noorw. dial. tippa “naar voren steken, druppelen”. Met nasaleering mnl. timp m., -e v., mnd. timpe m. “tip, spits, punt”, nnl. timp “langwerpig stukje hout (waarmee jongens spelen), een soort broodje”, N.Holl. dial. tump ook nog = “spits uiteinde”. Met de woordgroep van tap bestaan associatieve betrekkingen; de germ. basis tip- is wsch. jong.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tepel. Bij mnl. timp enz. misschien ook ags. â-timplod deelw. ‘van spijkers of tanden voorzien’. (Holthausen GRM. 20, 66). Bij Noordholl. tump adde: Kampen tumpien ‘tip’, Land v. Luik tomp, tump ‘hoek’. Behoort ook ohd. zumpfo m. ‘penis’ in deze woordgroep? Dan zou men met W.de Vries Tschr. 41, 194 voor de genasaleerde vormen aan een e-basis kunnen denken, waarbij ook tamp (zie dat woord Suppl.) kan behoren, terwijl tip enz. eerst in secundair associatief verband met deze woordgroep is geraakt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

tomp, tump, zn.: hoek aan een wendakker, spits toelopend stuk, uitsteeksel, hoek, punt, toren. Geronde variant van Mnl. timp(e) ‘puntig uiteinde, punt van een broodje’, Vnnl. timp ‘puntbroodje’ (Kiliaan). Ndl. timp. Vgl. tip, top, tap, tepel, telkens voor iets puntigs. Vgl. ook Obd. zumpf, zumpe(n), Mhd. zumpf(e) ‘penis’, d.i. ook iets wat uitsteekt.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

tomp, zn.: uitsteeksel, hoek, punt. Geronde variant van Mnl. timp(e) ‘puntig uiteinde, punt van een broodje’, Vnnl. timp ‘puntbroodje’ (Kiliaan). Ndl. timp. Vgl. tip, top, tap, tepel, telkens voor iets puntigs. Vgl. ook Obd. zumpf, zumpe(n), Mhd. zumpf(e) ‘penis’, d.i. ook iets wat uitsteekt.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

timp, tump driehoekig stuk grond, puntig uiteinde, puntbrood (Noordoost-Nederland, Noord-Holland, Cuyk). = eerste deel van oeng. (a-)timpian ‘van spijkers of tanden voorzien’. ~ tamp ‘eind v.e. bep. touw’. ~ tepel. ~ tomp ↑.
W. de Vries 67, Kamman 170, WALD 1987, 35, WNT XVII 146-148, FWH Supplem. 168-169, NEW 735.

tomp hoek aan een wendakker (Limburg, Gemert). = ohgd. zumpfo ‘penis’. ~ timp ↑. Mogelijk is tump ↑ eer identiek met tomp.
WLD I afl. I 116, Vos/Van der Wijst 163.

tump, tomp in een punt uitlopend iets (Noord-Holland, Kampen, Cuyk). Mogelijk ablautend ~ timp ↑ ofwel latere klankvariant daarvan.
TNTL XLI 194.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tempie: (weinig bek., dial. v.) soort gebak; dim. v. Ndl. timp(e), al by Kil, “langwerpige puntbroodjie/koekie”, misk. verb. m. Ndl. tepel en sekondêre assos. m. tip; vgl. Frank TB 133-4.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

timpie: broodje dat kinderen vroeger van de bakker kregen bij het afhalen van de galles.

tumpie [tum’pie], tumpi, en alleen in Voorzanger en Polak: timpie: 1) Fijn broodje waarop de bakker de kinderen van zijn klanten trakteerde, als hij vrijdagmiddag de galles kwam afleveren; 2) extra strengetje op een galle. | < timp: spits toelopend stukje brood, hout, enz., tip, puntje?

— Ik heb bij Theeboom op donderdag wel vijftienhonderd moutse galletjes gehad, voor het gebed. Voordat je gaat eten neem je toch een stukje brood, dat doop je in het zout en je zegt: ‘Dit is het brood wat gij zult eten.’ En vóór de oorlog moest er op zo’n klein galletje een strengetje zitten; dat was mooier. Nu doen ze dat niet meer, daar hebben ze geen tijd voor, dat kost te veel.
[Gerrit Brugmans, koosjere bakker] (PHILO BREGSTEIN & SALVADOR BLOEMGARTEN, 1978)
— Voor de leken onder ons. Een kleine galle is een gevlochten brood van drie stengels brooddeeg en daar overheen een dun strengeltje, het zogenaamde tumpi. (DAVE VERDOONER, 1998)

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal