Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

timmeren - (houtwerk vervaardigen; slaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

timmeren ww. ‘houtwerk vervaardigen; slaan’
Onl. timbren ‘bouwen’ als glosse getimbrit ‘gebouwd’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. timbren ‘bouwen, van hout bouwen’ [1240; Bern.], timmeren ‘id.’ in dat ic hem timmere ende maken zal ene starke borch ‘dat ik een sterke burcht voor hem zal bouwen’ [1288; VMNW], die ramen timmeren ‘de raamlijsten timmeren’ [1294; VMNW].
Afleiding van het verouderde zn. timmer ‘gebouw, bouwwerk’ [1327; MNW].
Bij het zn.: os. timbar (mnd. timber, timmer); ohd. zimbar (nhd. Zimmer ‘kamer’); ofri. timber; oe. timber (ne. timber alleen nog ‘timmerhout’); on. timbr (nzw. timmer); alle oorspr. ‘woonruimte, woning, houten bouwwerk e.d.’, < pgm. *timbra- < *timra-.
Bij het ww.: os. timb(e)rian (mnd. timberen); ohd. zimb(a)rōn (nhd. zimmern); ofri. timbria (nfri. timmerje); oe. timbr(i)an (ne. timber); on. timbra (nzw. timra); got. tim(b)rjan; alle ‘bouwen, van hout bouwen; met hout beschoeien e.d.’, < pgm. *timbrōn- < *timrōn-. De -b- is een ingevoegde klank.
Pgm. *timra- gaat terug op pie. *dem(H)-ro- en is afgeleid van de wortel *demH- ‘bouwen’ (LIV 114). Verwant zijn: Latijn domus ‘huis’ (zie → dom 1); Grieks dómos ‘huis, woning, kamer’, démein ‘bouwen’; Sanskrit dáma- ‘huis’; Litouws nãmas ‘huis’; Oudkerkslavisch domŭ ‘huis’ (Russisch dom). Zie ook → tamelijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

timmeren* [bouwen (van hout)] {timmeren, timb(e)ren [bouwen, timmeren] 1201-1250} oudsaksisch, oudengels timbrian, oudhoogduits zimb(a)ron, oudnoors timbra, gotisch timrjan, van middelnederlands, oudfries, oudengels timber [gebouw], oudsaksisch timbar, oudnoors timbr; buiten het germ. latijn domus, grieks domos, oudkerkslavisch domŭ, oudindisch dama- [huis].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

timmeren ww., mnl. timmeren, os. timbrian, timbron, ohd. zimberen, zimbarōn (nhd. zimmern), ofri. timbra, timra, oe. timbran, timbrian, on. timbra, got. timrjan ‘timmeren, bouwen’. Daarbij behoort mnl. timmer ‘het bouwen, bouwmateriaal, gebouw’, os. timbar ‘bouwwerk’, ohd. zimbar ‘bouwmateriaal, gebouw’ (nhd. zimmer), ofr. timber ‘gebouw’, oe. timber ‘bouwmateriaal, gebouw’. — lat. domus ‘huis’, gr. dómos, dõma ‘huis’, démō ‘bouwen’, oi. dáma- ‘huis’, osl. domŭ ‘huis’ van idg. wt. *dem ‘bouwen’ (IEW 198-9). — Zie ook: tam.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

timmeren ww., mnl. timmeren. = ohd. zimberen, zimbarôn (nhd. zimmern), os. timbrian, timbron, ofri. tim(b)ra, tim(b)ria, ags. timbran, timbrian, on. timbra, got. timrjan “timmeren, bouwen”. Van mnl. timmer o. “het bouwen, bouwmateriaal, gebouw”, ohd. zimbar o. “bouwmateriaal, gebouw” (nhd. zimmer), os. timbar o. “bouwwerk”, ofri. timber o. “gebouw”, ags. timber o. “bouwmateriaal, gebouw, het bouwen”, on. timbr o. “bouwmateriaal”, idg. *dem-ro-. Van de idg. basis dem(â)- “bouwen”, waarvan o.a. gr. démō “ik bouw”, (ier. aur-dam “prodomus” is lat. leenwoord), lat. domus, gr. dómos, obg. domŭ, oi. dáma “huis”, ier. damnae “materiaal” (wel van deze woordfamilie gescheiden, omdat in geen kelt. taal de bet. speciaal “timmerhout” is; onnoodig), lit. dimstis “hoeve, gebouwen op een hoeve”. In ’t Germ. nog met schwundstufe on. topt v., ozw. tompt (*dem-p(e)dâ-) “plaats voor gebouwen”: vgl. gr. dá-pedon “vloer”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tummere (ww.) timmeren; Vreugmiddelnederlands timbren <1240>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

tummeren, ww.: timmeren. Door ronding i > u voor bilabiale m. Vgl. de Limburgse familienaam Tummers naast Timmers.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

tummeren, ww.: timmeren. Door klinkerronding i > u voor de bilabiale m. Vgl. de familienam Tummer(s) = Timmers.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

timmer ww.
1. Uit hout iets vervaardig. 2. Tot vervelens toe op iets slaan.
Uit Ndl. timmeren (al Mnl. in bet. 1, 1860 - 1875 in bet. 2). In Mnl. kom ook timberen voor.
Die vorm met b, wat ook in ander tale aangetref word, het later uit die Germ. wortel *timra- ontwikkel.
D. zimmeren, Eng. timber, Sweeds timmer.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

tim’meren (timmerde, heeft getimmerd), (ook, als ruw woord:) geslachtsgemeenschap hebben (met). Evi meisje! Je moet geen lichaam schudden wanneer mensen hier zijn! Mannen gaan je timmeren, ik zég je! (Cairo 1980c: 86). - Syn. baksen* (2); zie aldaar voor andere syn.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Timmeren, van ’t Germ. tem, Idg. dem = samenvoegen, bij uitbreiding: bouwen. (Zie Tam.) Vandaar ’t Lat. domus = huis.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

timmeren ‘bouwen (van hout)’ -> Negerhollands timmer ‘bouwen (van hout)’; Sranantongo temre ‘bouwen (van hout)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

timmeren* bouwen (van hout) 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2552. Die aan den weg timmert, heeft veel berechts,

ook wie timmert aan den weg, hoort allemans gezeg, d.w.z. wanneer iemand iets in het openbaar doet, staat hij bloot aan de critiek, de bedilling van velen. Een algemeen bekend spreekwoord, dat we lezen bij Goedthals, 70: Die by den weghe timmert, heeft veel berechts, qui edifie en grand place, faict maison trop haute, ou trop basse; Prov. Comm. 232: Die biden weghe tymmert heeft vele berechts, mille docent hominem prope callem qui struit idem; Campen, 133: Weel by den wege timmert, die heft veele meysters, in welken vorm de zegswijze ook in het Duitsch bekend is; vgl. mlat. edificans habet artifices prope compita plures; qui struit in calle multos habet plures ille magistros; zie Bebel, no. 341; Wander IV, 1851: wer bey dem weg bawet, der hat vil meister; Ten Doornk. Koolm. III 526 a; Eckart, 556. Zie verder Spieghel, 280: die aan de wegh timmert heeft veel berispens; Winschooten, 296; Mergh, 18: die an de wegh timmert lijd veel anstoot; Huygens, Hofwijck (Prosopopoea), vs. 17: Die timmert aen den wegh is selden buyten opspraeck; Vondel, Tooneelschilt, 7: Het gemeene spreeckwoort zeght: wie by den wegh timmert, lijdt veel aenstoots; Cats I, 523:

 Die aen den wegh timmert, heeft veel berichts.
Als yemant timmert aen de straet, daer yeder komt, daer yeder gaet,
 Daer al de werelt mal en vroet, magh sien al wat den metser doet;
 Die staet dan uyt aen alle kant het oordeel van het gantsche lant.

Tuinman I, 229; C. Wildsch. III, 6: Die huizen timmert aan den weg moet lijden iedermans gezeg; W. Leevend, VIII, 351; Harrebomée I, 3; III, 99 a; Joos, 205: die aan de straat timmert, heeft veel berispers. In het Friesch: dy 't oan 'e wei timmert sûzje de earen; in de omstreken van Dendermonde: die aan 't straat werkt, wordt veel gekritikeerd; te Antwerpen: 't is moeilijk aan de straat te werken, iedereen te voldoen (Antw. Idiot. 2070; Waasch. Idiot. 634); mhd. ich zimbere, sô man seget, bi dem wege, des mûz ich manchen meister hân; hd. wer da bauet an den Straszen, soll die Leute reden lassen; eng. he who buildeth in the street, many masters hath to meet.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

dem-, demǝ- ‘bauen’, ursprgl. wohl ‘zusammenfügen’, Wurzelnomen dē̆m-, dō̆m-, dm-, dm̥-, davon abgeleitet domo-, domu- ‘Haus’

Gr. δέμω ‘baue’, von der schweren Basis Partiz. Perf. Pass. δεδμημένος, dor. (Pindar) νεόδμᾱτος ‘neugebaut’, δέμας n. ‘Körperbau, Gestalt’ (μεσόδμη, att. inschr. -μνη ‘der die Mitte des Gebaudes überspannende Querbalken’, doch könnte η [ᾱ] auch Suffix sein).
Die Bedeutung ‘fügen, passen’ in got. ga-timan, as. teman, ahd. zeman ‘geziemen, passen’, wozu dehnstufig got. ga-tēmiþa Adv. ‘ziemend’, mnd. be-tāme ‘passend’, ahd. gi-zāmi ‘geziemend’ und tiefstufiges Abstrakt ahd. zumft, mhd. zumft, zunft ‘Schicklichkeit, Regel, Verein, Zunft’ (*dṃ-ti-) = mir. dēt ‘Veranlagung’ (air. dētlae ‘kühn’), mcymr. dant ‘Temperament, Charakter’ (meist Plur. deint), Grundform *dṃ-to-, Loth RC 46, 252 f. Vgl. mcymr. cynnefin ‘vertraut’ (*kom-dam-īno-).
ro-St. aisl. timbr ‘Bauholz’, as. timbar, ags. timber ‘Bauholz, Gebäude’, ahd. zimbar ‘Bauholz, Gebaude, Wohnung, Zimmer’, wovon got. timrjan ‘erbauen’, anord. timbra, ahd. zimberen und zimbaron ‘erbauen, zimmern’.
Wurzelnomen dē̆m-, dō̆m-, dm-, dṃ- ‘Haus’.
Ai. pátir dán ‘Hausherr’, av. dǝ̄ng patoiš ‘des Gebieters (*Herrn des Hauses)’ mit Gen. *dem-s, wie auch gr. δεσ-πότης ‘Herr’ (s. Risch IF. 59, 12, Schwyzer Gr. Gr. I 547 f.), ai. dám-pati-ḥ ‘Gebieter’ (jüngere Zusammenrückung aus *dán pati- [= av. dǝ̄ng pati-], weniger wahrscheinlich mit Lok. ar. *dam als ‘Herr im Hause’);
av. Lok. dąm, dąmi ‘im Hause’, Lok. Pl. dāhv-ā, Nom. -dā̊ aus urar. *-dās in uši-δā̊ Name eines Gebirges (‘sein Haus bei der Morgenröte habend’), wozu wohl av. ha-dǝmōi Lok. ‘im selben Haus’;
arm. tun Nom. Akk. ‘Haus’ (*dōm), Instr. tamb (*dṃ-bhi), wonach Gen. Dat. tan;
gr. ἔν-δον Lok., ursprgl. ‘innen im Hause’ (auch umgebildet zu ἔνδο-θι, -θεν, ἔνδοι), vielleicht auch δῶ (*[m]) als Nom. Akk. Sg. n. oder Lok.; δῶμα, δώματος ursprgl. Akk. Sg.mask. *dōm-ṃ mit Überführung ins Neutr. nach στρῶμα u. dgl.; Ableitung Δμία, Μνία, Δαμία (‘Hausherrin’); als 1. Kompositionsglied in δάμ-αρ ‘Ehefrau’ (*dǝm-r̥t ‘des Hauses waltend’), δάπεδον ‘Fußboden (ursprgl. des Hauses)’ aus *dṃ-pedom (ζάπεδον daraus nach dem Nebeneinander von δα- und ζα- als Intensivpräfix; so vielleicht auch ion. ζάκορος ‘Tempeldiener, -in’ für *δά-κορος) = schwed. tomt, aisl. topt ‘Platz für Gebäude’ in norw. Mdarten ‘Lehmboden’ (germ. *tum-fetiz, idg. *dṃ-ped-), vgl. auch lit. dim-stis ‘Hof, Gut; Hofraum’ (2. Glied *sto-s zu *stā- ‘stehen’).
o-St. domo-s: ai. dáma-ḥ ‘Haus, Ban’, gr. δόμος ‘Haus’ (δομή ‘τεῖχος usw.? Hes), οἰκο-δόμος (*-δομός) ‘Baumeister’, lat. Lok. domī ‘zu Hause’ (= ai. dámē ‘im Hause, zu Hause’), dominus ‘Herr’ aus *domo-no-s.
u-St. domu-s (Brugmann Grdr. II2 1, 180 vermutet einen adv. Lok. *domū als Ausgangspunkt): lat. domus, -ūs f. ‘Haus’ (daraus ist mir. dom-, dam-liacc ‘domus lapidum’, aur-dam ‘prodomus’ zugleich mit der Sache übernommen); aksl. domъ m. ‘Haus’, russ. dóma ‘zu Hause’ (*domō[u]); *domovь: aruss. domovь ‘nach Hause’; vorausgesetzt auch durch ai. dámū-nas- ‘Hausgenosse’ und arm. tanu-tēr ‘Hausherr’;
ein St. *dmōu- in ion. δμώς, Gen. δμωός ‘Kriegsgefangener, Knecht’, δμῳή ‘Magd’, kret. μνῴᾱ f. ‘leibeigene Bevölkerung’;
ar. *dm-ā̆na- in av. dǝmā̆na-, nmāna- n. ‘Haus’, auch ai. mā́na-ḥ ‘Gebäude, Wohnung’;
lit. nãmas, Pl. namaĩ ‘Haus, Wohnung’ ist aus *damas dissimiliert, in Kompositis wie namũ-darỹs ‘Hausbauer’, s. WH. I 861.
Air. damnae ‘Material’, cymr. defnydd, mbret. daffnez kann ursprgl. ‘Bauholz’ bedeutet haben.
Toch. B tem-, A tam-, AB täm- ‘erzeugen, geboren werden’ und B tsam-, AB tsäm-, A śam-, śäm-, vielleicht nach Pedersen Toch. Sprachg. 217 hierher; dazu auch B c(o)mel, A cmol (*cmelu) Geburt, Van Windekens Lexique 51.
Eine alte Abzweigung unserer Wz. ist demā- ‘zähmen’, ursprgl. wohl ‘ans Haus fesseln, domestizieren’.

WP. I 786 ff.; WH. I 367, 369 f., Schwyzer Gr. Gr. I 480, 524, 547 f., 625, Trautmann 44.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal