Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tiet - (borst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

tiet zn. ‘borst’
Nnl. tiet ‘moederborst’ in Hij heeft te lang aan de tiet gelegen ... Tiet geldt voor tet of tepel [1861; Harrebomée].
Bijvorm van tit ‘tepel, vrouwenborst’ [1909; WNT] < vnnl. titte ‘id.’ [1599; Kil.] en tet ‘id.’ [1722; Tuinman].
Te vergelijken zijn: mnd. titte ; mhd. zitze (nhd. Zitze); oe. titt (ne. tit); nzw. tutt; nzw. (dial.) tiss, titt; alle ‘tepel’. Ook in de Romaanse talen bestaan gelijksoortige vormen voor ‘tepel’: Italiaans tetta, gewestelijk zizza; Frans tette, tétin(e), téton; Spaans teta; verder nog Grieks titthós ‘moederborst’, Bulgaars cica ‘tiet’ enz. Dat suggereert dat het oorspr. om een klankexpressief woord uit de kindertaal gaat. Eventueel zou het een aanduiding voor iets puntigs kunnen zijn, verwant met → tepel, maar deze opvatting is reeds door Hellqvist (1922) naar de prullenbak verwezen.
Lit.: Carolus Tuinman (1722), Fakkel der Nederduitsche Taale, Leiden, 374

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tiet1* [borst] {1858-1870} jonge vorming naast tit.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tiet znw. v., ‘tepel’, eerst 19de-eeuwse expressieve bijvorm naast tit, zoals kietelen naast kittelen of wiebelen naast wibbelen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tit. Zeer verbreid is de vorm tiet. Ouder-nnl. en zuidndl. ook tet(te).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tèt (zn.) vrouwenborst; Nuinederlands tiet <1861> < Rienlands Titte.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

tette, tetter zn.: tepel. Zoals Ndl. tet/tit variant van tiet. Zie tite 1.

tite, zn. v.: tepel; moederborst, tit; zuigdot, fopspeen. De betekenis ‘tepel’ is de oorspronkelijke. Mnd., Fri. tit(te), Oe. titt, E. teat, Mhd. zitze, N. titta ‘tepel, moederborst’. Ook D. Zitze betekent nog ‘tepel’. Zoals tepel, tip, teut, tuit naar de puntige vorm.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tiet s.nw.
1. (plat) Vrouebors. 2. Speen. 3. (plat) Tepel.
Uit Ndl. tiet (1858 - 1870 in bet. 1, 1928 in bet. 2, 1930 in bet. 3). Wsk. oorspr. kindertaal. Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884) in die samestelling tiethoorn 'voorwerp waaraan hanslammers suig'.
Eng. teat, tit.
Vgl. tet.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

tet tepel, uier v.e. paard, vrouwenborst (Brabant, Limburg). Mogelijk « fra. tette ‘tepel’, dat zelf weer aan het germ. ontleend is gezien oeng. tit ‘tepel’, nl. ti(e)t. hgd. zitze ‘tepel’. Gezien gr. titthós ‘moederborst’ moet de groep oorspr. een klanknabootsende vorm uit de kindertaal zijn.
WBD 361, WNT XVI 1718-1719, WLD I afl. 9, 35.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tiet: – (plat) tet/tetta – , pram, speen, tepel; vrouebors, vorm tiet egter ook nog “kindermelkfles m. speen” (v. katiet) en “fopspeen”; Ndl. tet(te)/tit(te)/tiet, Eng. teat/tit, wsk. kn.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

tiet: slappeling, lafaard. Wellicht van Amsterdamse origine.

Nog zou hij even dien tiet van een Thijs een oppor geven. (Israël Querido, De Jordaan, 1912)
Waarom zou zo’n machtige internationale organisatie een tiet als Van Tuttel naar het leven staan. (Bert Hiddema, Twee vliegen in één klap, 1975)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

tiet. Met de verwensing krijg tieten!, gericht tegen mannen, wenst iemand uit woede of verontwaardiging zijn tegenstrever biologische ongemakken toe. De emotionele betekenis is natuurlijk niet veel anders dan ‘ik kots van je, rot op’. In Den Haag kent men als versterkende variant ook nog krijg eczeemtieten! In Dilsen-Stokken komt het volgende verwensingsversje voor:. Wat je zegt, ben je zelf,// Met je kont in de verf,// Met je tieten tegen de muur,// En morgen ben je zuur.
Dit vers bevat twee elliptische antwoordverwensingen: (val) met je kont in de verf! en (val) met je tieten tegen de muur! De letterlijke betekenis van beide is vervaagd en vervangen door een emotionele die eveneens afkeer, haat, minachting uitdrukt. → elf, helft, koffiemelk, lepel, melk, touw, verf.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

tiet, tit, tittertie Er zijn twee borrelnamen die als oorspronkelijke betekenis ‘tepel’ of ‘vrouwenborst’ hebben. Dit zijn loeze en mamme — borrelnamen uit Gent. Het ligt dus voor de hand om te denken dat ook de borrelnaam tiet kan worden herleid op ‘elke der twee ronde, in een tepel eindigende klieren aan de voorzijde van het vrouwelijk lichaam, waarin het zog wordt afgescheiden’, zoals het WNT ‘borst’ omschrijft. Maar dat schijnt niet zo te zijn. De borrelnaam tiet is in 1817 voor het eerst aangetroffen, in Gent. De oorspronkelijke betekenis was ‘slag’. Nu is dit een veelvoorkomend naamgevingsmotief voor ‘borrel’, maar volgens diverse bronnen moet de herkomst toch ergens anders worden gezocht, en wel bij het Vlaamse dialectwoord tit, titje of titske. Dit betekent ‘stukje, kleinigheid, beetje’, en ook dat naamgevingsmotief komt bij de borrelnamen zeer vaak voor. Tit zelf werd overigens eveneens voor borrel gebruikt, onder meer in de uitdrukking hij houdt van de tit. Zowel tiet als tit zijn recent nog in de betekenis ‘borrel’ in Vlaanderen gesignaleerd, samen met de tegenspelers loeze en mamme. Tit komt in deze betekenis ook in twee Nederlandse dialecten voor. In West-Friesland zegt men van de tit houwe voor ‘graag een borreltje drinken’ en in Drente wordt een borreltje wel een tittertie genoemd.
In het Frans wordt het verband tussen de borst en de borrel wél gelegd, want het werkwoord téter ‘(aan de borst) drinken’ wordt ook gebruikt in de betekenis ‘pimpelen’. Hetzelfde geldt voor het Engels, waar titty ‘tietje’ aan het begin van de 19de eeuw voor ‘drank’ is gesignaleerd.

[Kocks 1236; Liev.-Coopm. 1439; NZ 4:100; Pannekeet 1971:174; Schuermans 727; WNT III1 584, & XVII1 X, 220]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tiet ‘borst’ -> Negerhollands titte, tiiti, tete ‘zuigen; speen, uier’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) titi ‘borst’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tiet* borst 1858-1870 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

tiet: lopen, swingen enz. als een —, informele uitdrukking voor ‘erg vlot, zeer goed, heel makkelijk verlopen’.

Maar die show loopt wél als een tiet, jongen... (Jan Lenferink in Humo, 07/04/88)
Zolang mijn hoofd maar op de buis te zien is, lopen mijn boeken als een tiet. (Elsevier, 04/05/91)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal