Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

teugel - (toom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

teugel zn. ‘toom’
Mnl. togel, tugele ‘teugel’ [1240; Bern.], den toghel hi an een rijs bant ‘de teugel bond hij aan een tak’ [1276-1300; VMNW], tuegel [1430; MNW]; vnnl. teugel [1573; Thes.].
Net als → teug afgeleid van de wortel van het Middelnederlansde werkwoord tien ‘trekken’, zie → tijgen, met het Germaanse achtervoegsel *-il- voor werktuignamen, zoals in → beitel. De oorspr. betekenis is dus letterlijk ‘werktuig om mee te trekken’. Zie ook → toom.
Mnd. togel; ohd. zugil (nhd. Zügel); oe. tygel; on. tygill (nzw. tygel); alle ‘trekkoord, touw’, in het continentaal West-Germaans i.h.b. ‘teugel’, < pgm. *tugila-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

teugel* [toom] {teugel 1201-1250} middelnederduits togel, oudhoogduits zugil, oudengels tygel, oudnoors tygill; van tijgen (toog getogen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

teugel znw. m., mnl. tōghel, teugel m., mnd. tōgel m., ohd. zugil (nhd. zügel; ohd. ook zuhil) ‘teugel’, oe. tygel m. ‘trekband’, on. tygill m. ‘band, riem’ < germ. *tugila, afl. van germ. *tiuhan, zie het ww. tijgen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

teugel znw., mnl. tōghel, tȫghel m. = ohd. zugil (nhd. zügel; ohd. ook zuhil), mnd. tōgel m. “teugel”, ags. tygel m. “trekband”, on. tygill m. “band, riem”. Bij germ. *teuχanan “trekken”: zie teug. Een formatie als beugel, sleutel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

teugel m., Mnl. toghel + Ohd. zugil (Mhd. zügel, Nhd. id.), Ags. tygel, On. tygill: staat tot tiegen als vleugel tot vliegen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

teuel s.nw.
1. Een van die twee toue waarmee 'n rydier beheer word. 2. Beheer, kontrole.
Uit Ndl. teugel (al Mnl. in bet. 1, 1658 in bet. 2). Hou oorspr. met Mnl. ww. tien 'trek', lett. 'middel om te trek' verband.
D. Zügel.
Vgl. teug, toom, tuig.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

teuvel (DB, P, WVD: FV oost, Leisele, Westouter), zn. m.: touw aan paarden-breidel (GG), stalketting (P), leitouw (voor runderen) (WVD). Var. van teugel, met g/v-wisseling (vgl. FN. Van der Schagen > Verschaeve).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

teuel: stuurriem v. rydier; Ndl. teugel (Mnl. tōghel/teughel), Hd. zügel, hou verb. m. Mnl. tiën, “trek”, suf. -el, soos by beitel, sleutel, ens.; hierby afg. ww. beteuel (Ndl. beteugelen).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

teugel ‘toom’ -> Fries teugel ‘toom’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

teugel* toom 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2254. Den teugel vieren,

d.w.z. den vrijen loop, den vrijen teugel laten; niet betoomen of beteugelen; eene uitdr. ontleend aan het paardrijden; viert men (d.i. laat men schieten; zie no. 332) den teugel, dan houdt men het paard niet in; hetzelfde als mnl. die tome rumen; 17de eeuw: den toom los in den nek smijten (Hooft, Ged. II, 236); ruimte geven (Vondel 3, 865); den vollen toom geven (De Brune, Embl. 282); den (ruimen) toom vieren (Spaan, 133; 194); den breidel lanck geven (Pamfl. Rogge II2, 124); den lossen toom toelaten (Pers, 780 a), - geven (Pers, 567 a); den toom vieren (Vondel, Salomon, 961); in het Antw. Idiot. 1253: iemand den vollen toom geven. In de 17de eeuw komt deze zegswijze voor in den Gijsbr. van Aemstel, vs. 1642 en bij W.D. Hooft, Verl. Soon, 8 v; zie verder Van Effen, Spect. XI, 43; XII, 60 (den lossen teugel vieren); Harreb. II, 329 a; enz. en vgl. gehengen, toestaan, eig. den teugel laten hangenNdl. Wdb. IV, 853-854.; het lat. habenas effundere, dare, immittere; hd. einem den Zügel schiessen lassen; fr. lâcher la bride à quelqu'un; eng. to give a p. the bridle or to give the reins to; to give reins to the imagination (Prick).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal