Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

test - (kom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

test 1 zn. ‘aardewerken pot’
Mnl. test ‘pot, kom’ in gesoden in I test ‘(kip) gekookt in een pot’ [1352; MNW], ‘smeltkroes’ in mottonen ... in den test liet bernen ‘gouden munten in de smeltkroes liet smelten’ [1367; MNW], ‘aardewerken pot’ in scaerden van testen ‘scherven van aardewerken potten’ [ca. 1400; MNW]; nnl. test, teyle ‘aardewerken vat’ [1599; Kil.], ‘voor vuur bestemde pot’ in een kooltjen in een' test [1656; WNT test I].
Ontleend aan Frans test ‘aarden pot’ [eind 13e eeuw; TLF], eerder al ‘potscherf’ [1100-50; TLF] (Nieuwfrans test, têt ‘pot, potscherf, kroes’), ontwikkeld uit Latijn testum ‘aarden pot’; dat woord is afgeleid van testa ‘stuk gebrande klei, aardewerken pot’.
Latijn testa is van onbekende herkomst; wrsch. is het een leenwoord. Verwantschap met texere ‘weven’ (zie → techniek) is onwaarschijnlijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

test1 [kom] {test(e) [pot] 1367} < latijn testa, testum [gebakken steen, tegel, potscherf, pot van aardewerk, kruik, urn] (vgl. tas4); test in de betekenis ‘hoofd’ is hetzelfde woord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

test 1 znw. v., later-mnl. test, teste m. v. < van ofra. test (fra. test, têt) ‘aarden pot’, indien niet rechtstreeks uit lat. testa ‘vaatwerk om iets in te proberen’ (zo later nhd. test voor het onderzoeken van het smeltprocédé in de taal van het mijnbedrijf).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

test znw., later-mnl. test(e) m. v. Uit ofr. test (fr. test, têt) “aarden pot” of direct uit lat. testum “id.”; uit ’t Lat. wsch. mhd. (nhd.), mnd. test m. “test, pot”.

tets, tetsig bnw. Kil. tets (“Fland.”), ripuarisch tetschig. Oorsprong onzeker. Onomatop.?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

test v., gelijk Eng. id., uit Ofra. id. (Nfr. têt), van testum, een afleid. van Lat. testa = schotel, scherf, schedel (Fr. tête).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

tiest, zn.: (groot) hoofd. Var. van test, zoals Fr. tête uit Lat. testa ‘aarden pot’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

tiest(e) (B, E, G, W, ZO), zn. m., meestal een aardigen, raren tieste: een rare kwast. Verkort uit de voornaam Baptiste.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tes s.nw. (verouderd)
Bak met warm kole in 'n konfoor.
Uit Ndl. test (1638). Ndl. test kom reeds in Mnl. voor, maar dan alleen in die bet. 'bak, pot', soos tans nog in Ndl.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1949).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

test (de, -en), (hist.) bij een serie van ketels (kookpannen) voor de bereiding van suiker de laatste en kleinste. Een stel van vier ketels wordt aldus verdeeld, als: de grootste is de inneemketel*, de tweede de likaketel*, de derde de melassieketel*, en de vierde of laatste de test (Teenstra 1835 1: 227). - Etym.: Oudste vindpl. Blom 1786. AN t. = naam voor enige typen kom of pan. - Zie ook: pan* (2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tes: gew. dim. tessie, verwarmingsbakkie (vir konfoor of voetstofie); Ndl. test (Mnl. test/teste) via Ofr. teste (wu. Fr. tête, “kop”, vgl. Afr. harspan) uit Lat. testa, “(klei)pot”; v. ook vergiettes.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

test ‘kom, hoofd’ (Latijn testa); ‘proef’ (Engels test)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Test, van ’t Ofr. teste (thans tête), van ’t Lat. testa = schotel, kop (wegens den vorm); vgl. ’t Fr. tête, dat óók hoofd bet.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

test ‘kom’ -> Zuid-Afrikaans-Engels tessie ‘houder voor kooltje vuur in komfoor’ <via Afrikaans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

test kom 1367 [MNW] <Latijn

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

test, plural tests; testen, de [tɛst/s, -/ən] Koenen 1940 (second of homographic lemmas); Koenen 1974 (second of homographic lemmas); Van Dale 1976 (second of homographic lemmas). Compounds/derivations: alcohol-test, blaastest, overheidstest, rijtest, roadtest, schooltest, tevredenheidstest, verhitting-val-verhittingtest, warentest; testapparatuur, testbuisje, test-monteur, testperiode, testprogramma, testrijder (Koenen 1974; Van Dale 1976), testrit. Loanword from English test n.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2253. Test

is in den volksmond een der benamingen voor hoofd, kop; het woord is ontleend aan ofr. test, aarden pot of aan het lat. testum, vulg. lat. testa, dat hetzelfde beteekent; fr. tête. Voor den overgang van beteekenis vgl. kop, hersen pan, hd. Hirnschale; het mnl. moude (melkmout, bak), dat ook voorkomt in den zin van schedel, hersenpan; mnl. mole, vaatwerk, hoofd; bekkeneel, afleiding van bekken, een bak of schotel, mnl. hersenbecken, schedel; eng. noggin, kruik, hoofd. Zie verder Het Volk, 29 Dec. 1913 p. 5 k. 1: Dat ik er op een gegeven oogenblik een klap mee op m'n test kreeg, dat één van m'n oogen half dicht zat; Peet, 26: Een norsche mep op zijn test en hij lag zelf onder de vierde-klasse-doojen; Gron. 96: Lamstraal, hier heb je d'r een voor je test; Nkr. II, 25 Dec. p. 3: Slaat een gat hem in zijn test; Twee W.B. 89: Geef op of ik gooi de bijl naar je test; Jord. 13; 27: Tik 'm de test in mekoar - die bloedhond; II, 42; 110; 445; Menschenw. 130; 250: Aa's d'r moer wa' sai sou d'r 'n kruk op d'r test stuksloan; 208; 400; Kunstl. 111; Boefje, 57; Boekenoogen, 1055; Köster Henke, 67: Test, hoofd. Sla je lat op zijn test stuk; Slop, 212: Iets uit zijn test zetten. Ook wordt test gebezigd voor een persoon o.a. in het fri. âlde testen, oude vrijsters; in skiere test, een wijf van zeer onzindelijk voorkomen; Waasch Idiot. 648: Onnoozele test. Oude test; vgl. zwakke vaten, menschen. Synoniemen zijn kanes, kanis; zie Köster Henke, 29; 63; Boefje, 56: Dan zat ie daar met koolstruikies doorheen te mikke op de nakende kanes van Okkie; Jord. II, 43; 123; In de forten, 29: Wanneer je de reveille hoort, dan ga je eerst je kanus wasschen; Nkr. III, 18 April p. 5; V. Looy, Jaapje, 23; 196; Ndl. Wdb. VII, 1249Kanis beteekent ook ‘lichaam’: Iemand op zijn kanis geven (Ndl. Wdb. VII, 1249); en ‘persoon’: smerige kanis, vuile kanis; smeerkanis (Jong, 122; 284; syn. van smeerpijp (Nkr. V, 26 Maart p. 2); Diamst. 26; Nkr. III, 26 Sept. p. 3); slaapkanis (in A.t.A. 139).; kersepit, bij Köster Henke, 31; Jord. 160: Geen kerel keek ze naar zijn kersepit; B.B. 6; Nkr. I, 8 Sept. p. 2; IX, 13 Febr. p. 2; Mgdh. 304: Die ouwe hannes was nooit goed in zijn kersepit; krakepit (kersepit) in Nkr. VII, 15 Maart p. 2; 22 Maart p. 2; pit, in Jord. 196; II, 158; Peet, 136 en Handelsbl. 4 Jan. 1916 (A) p. 5 k. 4; knar bij Köster Henke, 34 en Jord. 178: Hij voelde zich met doofheid ingespoten..... door dat vreeselijke suizen in z'n knar; 367: 't Maalde nu toch door zijn knar, dat Neel hem vertrapte; Jord. II, 11; 43; 97; 260; 387; Peet, 94: Je lichies loddere as pap in je knar; klapbes (in Jong. 145: Pas op, hoor!..... Ik geef je 'n dobber (slag) op je klapbes! (mond); O.K. 173: De stoker kreeg er een vlak voor zijn klapbes; Peet, 12: Geef die doerak een veeg over d'r klapbes; neut bij Köster Henke, 47; Jord. 72: Jesis, wat had hij een pijn in zijn neut; Peet, 130; vgl. eng. (cocoa-)nut, hoofd; raap (in Handelsbl. 7 Maart 1923 (O) p. 8 k. 3: Als ik Rines had getroffen, dan had ik hem voor zijn raap geschoten); peer (fr. poire) in zuidndl.; ook in de uitdr. het in zijn peer hebben, hoogmoedig zijn (Ndl. Wdb. XII, 893; 1254). Zie verder brankalie (kaalhoofd), kiebes (Peet, 177), patet (Jord. II, 398); kei (zuidndl.); rausj (Jord. II, 389) of rosj (bij Köster Henke, 11; 31; 51; 56; 57Vgl. nhebr. rousj, hebr. rosj, hoofd, begin; Voorzanger en Polak, 259-260; V. Ginneken II, 90. De Franschen spreken van cafetière, fiole, terrine, ciboulot, coloquinte, citrouille, calebasse, poire, fraise, enz.; de Duitschers van rübe, kohlrübe, nusz, kürbis, birne, melone, pflaume, apfel, grind, dachs, nisschel; de Engelschen van a beam, koko, block, couch, nut, topknot, pumpkin (zie Leuv. Bijdr. XIII, 186; 198; Germ. Rom. Monatschr. IX, 51)..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal