Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

terrorist - (persoon die gewelddaden pleegt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

terrorist zn. ‘persoon die gewelddaden pleegt’
Nnl. terroristen ‘aanhangers van het Franse “terreur”-bewind’ in Jacobynen, Bloeddorstigen en Terroristen [1795; Jaarboeken], ... was geen terrorist (over een bisschop in Luik) [1844; Gids 2, 228], De moord ... was geen daad van terroristen (d.w.z. van Russische anarchisten) [1880; Gelderlander].
Ontleend aan Frans terroriste ‘politiek gemotiveerde geweldpleger’ [1831; TLF], eerder al ‘aanhanger van het “terreur”-bewind’ [1794; Rey], een nieuwvorming bij terreur afgeleid van het oorspronkelijke Latijnse terror, zie → terreur, met het achtervoegsel -iste ‘handelende persoon’, zie → -ist. Het woord wordt toegeschreven aan de Franse journalist F.N. (Gracchus) Babeuf (1760-1797).
terroriseren ww. ‘schrik aanjagen door dreigen met geweld’. Nnl. terroriséren ‘schrik aanjagen’ [1847; Kramers], het terroriserend absolutisme (over de Spaanse furie in Vlaanderen in de 16e eeuw) [1858; Gids 1, 56], in vreeselijke sermoenen de dorpelingen terroriseeren [1894; Gids 3, 392]. Ontleend aan Frans terroriser ‘heersen d.m.v. terreur’ [1796; Rey], later ook ‘systematisch angst aanjagen’ [1876; Rey], een nieuwvorming bij terreur op basis van Latijn terror.
Lit.: Jaarboeken (1795), Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken dl.30, 6e stuk, Amsterdam, 4377

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

terrorist [iem. die gewelddaden pleegt] {1824} < frans terroriste [idem], van latijn terror [schrik, angst, wat schrik verwekt] + -ista < grieks -istès ter aanduiding van iemand die een handeling verricht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

terroris s.nw.
Iemand wat burgerlike persone met gewelddadige metodes bedreig, hoofsaaklik ter bereiking van politieke oogmerke.
Uit Eng. terrorist (1866) of Ndl. terrorist (1935). In sowel Eng. as Ndl. kom terrorist al vroeër voor, nl. 1795 in Eng. en 1799 in Ndl., maar dan toegepas op lede van die Terreur-regime tydens die Fr. Revolusie, spesifiek die periode 1793 en 1794.
Eng. terrorist en Ndl. terrorist uit Fr. terroriste (1794), met lg. van Latyn terrere 'laat beef'.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

terrorist ‘iemand die gewelddaden pleegt’ -> Indonesisch téroris ‘iemand die gewelddaden pleegt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

terrorist iem. die gewelddaden pleegt 1799 [Aanv WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal