Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

terdege - (flink, goed)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

terdege bw. ‘flink, goed’
Mnl. te deghen ‘naar behoren, goed’ in dat si en ghenen Wasdom noch cracht mach hebben te deghen ‘dat zij (de mensheid) geen behoorlijke groei of kracht zal hebben’ [1400-20; MNW-R], Op ene plaats, daer men hem te degen ende openlike sien mochte ‘op een plek waar men hem goed en duidelijk kon zien’ [ca. 1465; MNW]; vnnl. ter deghe ‘naar behoren, goed’ in Twézen der consonant ende vocaalsilleben, hebbe íc ter déghe verstaan [1550; iWNT figuraal], Ghij hebt mijn herte ghepaeyt ter deghe ‘u heeft mijn hart zeer gunstig gestemd’ [ca. 1555-60; MNW], terdeghe [1689; iWNT].
Gevormd uit de met een lidwoord samengetrokken vorm ter ‘met/betreffende/in de’ van → te 1 en de datief van het verouderde vrouwelijke zn. dege, deeg ‘aanwas, voorspoed, voordeel, genoegen e.d.’, een afleiding met grammatische wisseling en een andere ablaut bij diën ‘groeien’, zie → degelijk en → gedijen. Uit de aanhalingen blijkt dat de verbinding oorspr. geen lidwoord bevatte.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

deeg1* [iets goeds] {dege, deech [aanwas van kracht of welvaart] 1480} van middelnederlands diën, dijen (verl. tijd deech, verl. deelw. gedegen) [gedijen]; reeds middelnederlands ter dege.

terdege*, terdeeg [flink, goed] {te(r) dege 1540} van deeg1 [iets goeds].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

terdege

Ter dege betekent: flink, goed, geducht. Het woord bestaat uit het voorzetsel te, verbonden met het lidwoord der (derde naamval) en het zelfstandige naamwoord deeg. Dit woord deeg hangt samen met een oud werkwoord dijen: groeien, waarvan thans alleen nog de samenstellingen gedijen en uitdijen in zwang zijn. Dit werkwoord was vroeger sterk. De verleden tijd luidde deech, het deelwoord gedegen. Deze vorm kennen wij nog in gedegen (zuiver) goud.

Het zelfstandige naamwoord deeg betekende: voorspoed, voordeel, genoegen. Het kwam vooral in zegswijzen voor: deeg van iets hebben, iemand deeg doen, van deeg spreken (verstandig spreken) enz. Het bijvoeglijke naamwoord luidt degelijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

deeg 2 in uitdr. deeg van iets hebben ‘van iets genoegen beleven’, mnl. dēge ‘voorspoed, welvaart’, mnd. degen. — gevormd van gedijen.

dege in de uitdr. ter dege, mnl. te deghe(n), 3de nv. van znw. mnl. dēghe m. v. ‘aanwas, voorspoed’, mnd. dege m. ‘aanwas, voorspoed’. Het staat tot het ww. gedijen, evenals schrede tot schrijden, maar zal wel een vrij jonge analogische vorming zijn. — Zie ook: degelijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dege, terdege, mnl. te dēghe(n). Dat. van het znw. mnl. dēghe m.v. “aanwas, voorspoed” = Teuth. mnd. dēge m. “id.”. Een wsch. jong verbaalnomen bij ’t ww. gedijen, gevormd naar analogie van woorden als schrede: schrijden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

deeg 2 v., in ter deeg: z. dege.

dege v., ook deeg, met apoc. der e, Mnl. deghe, van denz. stam als ’t meerv. imp. van dijen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

dege 1, deeg zn.: plezier, pret. Ook uitdr. iets van dege doen ‘iets rechtop zetten, iets weer op zijn plaats zetten’. Mnl. deech, dege ‘aanwas van kracht of welvaart’, Vnnl. déghe oft ghesontheyt ‘santé’, déghe oft voorspoet ‘bon heur ou prospérité’ (Lambrecht), deghe ‘heil, gezondheid; deugd; voorspoed, kracht’ (Kiliaan). Vandaar deeg van iets hebben ‘genoegen, plezier aan iets hebben’. Van het ww. Mnl. ww. diën/dijen, deech, gedegen ‘groeien’, d.i. Got. þeihan ‘gedijen’.

dege 2 bn.: volwassen, kloek, flink, trots. Uit Mnl. te dege ‘naar behoren’, ter dege; Vnnl. ter deghe ‘a foison, bien et beau’ (Lambrecht), te deghe ‘eerlijk, behoorlijk’ (Kiliaan), dus ‘degelijk’. Zie dege 1. Samenst. mannedege, mannetjesdege ‘volwassen jongen, jongen die mans is, robuuste vrouw’, veintersdege ‘volwassen (vent)’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

dege (ZV), bn.: volwassen, kloek, flink, trots. Uit Mnl. te dege 'naar behoren', ter dege; Vnnl. te deghe 'eerlijk, behoorlijk' (Kiliaan), dus 'degelijk'. Dege is de datief van Mnl. deech 'aanwas van kracht of welvaart' < Mnl. ww. diën/dijen, deech, gedegen 'groeien', d.i. Got. þeihan 'gedijen'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

terdeë bw.
Behoorlik, op kragtige wyse.
Uit Ndl. terdeeg of terdege (1540), 'n verbinding van ter en deeg 'iets goeds'. Ndl. ter is 'n sametrekking van te en der, en Ndl. deeg kom van die ww. diën (al Mnl.) 'opswel, groei', met verlede tyd deech en verlede dw. gedegen. In Mnl. reeds ter dege.
Vgl. uitdy.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

dee groeikracht (Haspengouw). Afl. van (ge)dijen (= got. theihan ‘gedijen’, ~ lit. tenkù ‘ik heb genoeg’).
Rutten 49, Tuerlinckx 118, EW 110.

deeg plezier (Holland, Goeree-Overflakkee, Noord-Brabant, Groningen, Nederbetuwe). In de vormen deage en deege komt het in het n.oostnl. ook voor met de betekenis ‘levenskracht’ en in de verbinding gen deege hebben ‘niet aarden’. ~ gedijen. Betekenisontwikeling: ‘aanwas’ › ‘welvaart’ › ‘baat’ › ‘plezier’. Voor deze betekenisontwikkeling vergelijke men ook: ergens in groeien.
Weijnen 1937, par. 223, WNT III 2324, De Bont 128, Deunk/Entjes 39, Wanink 85.

dege I volwassen, flink voor zijn leeftijd, fier (Zeeland). Wschl. geassimileerd uit mnl. te dege, bevattende de derde nv van mnl. dēghe ‘aanwas, voorspoed’. ~ degelijk en afgeleid van (ge)dijen (= got. theihan ‘gedijen’). Mogelijk ook is het als rechtstreekse afleiding bij (ge)dijen gevormd evenals gron. deeg (bnw.) ‘goed’, (bw.) ‘terdege’.
Ghijsen 160-161, Ter Laan 154-155.

dege II, deeg (van -) terdege (Fijnaart, Oerle, Zeeland). ~ dege I ↑. De variant (van) deges heeft er een analogische bijwoordelijke s bij gekregen.
De Bont 1958, 128, Ghijsen 161.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

terdeë: behoorlik, goed; Ndl. terdege/terdeeg (vroeër ook te(r) degen), verbg. v. ter I en dege/deeg, “iets goeds, voordeel, welvaart”, hou verb. m. Mnl. ww. diën/dijen (impf. deech, verl. dw. gedegen) en m. gedy, uitdy en deeglik.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Dijen; dijgen, van den Germ. wt. thinh (de n is bij ons uitgevallen): genoeg hebben, genoeg krijgen, wassen, ontwikkelen. Verwant is dicht, dik en ter dege.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

terdege* bijwoord van hoedanigheid: flink, goed 1540 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

tenk-2 ‘(sich) zusammenziehen (auch bes. von der Milch; gerinnen), fest, dicht werden’ (daraus auch ‘gedeihen’), tenk-to- ‘dicht’; t(e)nk-lo-m ‘Buttermilch’

Ai. tañc- tanákti ‘zieht zusammen’, mit ā- ‘macht gerinnen’, ātángana-m ‘Mittel zum Gerinnen, Lab’, takrá-m ‘Buttermilch’ (*tn̥k-ló-m: *ténk-lo-m in isl. þél), npers. talxīna ‘saure Milch’; av. taxma- ‘tapfer, tüchtig, energisch, heldenhaft’, Komp. tąšyah-, Sup. tančišta-; np. tanǰīδan ‘zusammenziehen’, afghan. tat ‘dicht, dick’ (*tahta-);
mir. tēcar ‘Schutz’, tēcht (*tenkto-, vgl. aisl. þēttr) ‘geronnen’, tēchte ‘gehörig, recht’, cymr. teithi ‘characteristics’, mcymr. brenhin teithiawc ‘rex legitimus’ (aus ‘fest’), air. con-tēci ‘gerinnt’ (= got. þeihan, idg. *ténkō), téchtaid ds. (*tenktō); ablaut. tocad, cymr. tynged ‘Glück’, bret. toñket ‘Schicksal’, PN Tunccetace, lat. Gen. in Wales; schwundstuf. cymr. tanc f. ‘Friede’ (*tn̥kā), tangnef ds.; vgl. adän. taknem ‘dankbar’ unter tong-; gall. PN Tanco-rīx ‘Friedensfürst’;
nisl. þēl n. ‘Buttermilch’; aisl. þēttr ‘dicht’, mhd. dīhte, nhd. dicht und dial. deicht (urgerm. *þenχtu-); nisl. þētti ‘saure Milch’; got. þeihan ‘gedeihen’, ahd. gidīhan, ags. geðēon ds., Partiz. ags. geðungen, as. githungan ‘vollkommen’, dazu das Kaus. as. thengian ‘vollenden’ (vom Präs. *þīhan aus Übergang in die ī-Reihe), got. gaþaih, dt. gediegen, mnd. dege ‘Gedeihen, Fortschritt’; Verschmelzung mit Verwandten von lit. tinkù tìkti ‘taugen, passen’, patinkù ‘schmecke, behage’, Iter. táikau, -yti ‘zusammenfügen, in Ordnung bringen’, tìkras ‘richtig’, das zu lit. tiẽkti, teĩkti gehört), nhd. bair. deihen ‘austrocknen und dadurch dichter werden’, vgl. mit Abtönung *þanχ- nhd. steir. dahen ‘trocknen, dorren’ und die Bezeichnung der Tonerde got. þāhō, ags. ðōhæ, ðō, ahd. dāha, nhd. Ton (*þanχōn), aisl. þā ‘Lehmboden’, as. thāhi ‘irden’;
aisl. þengill, ags. ðengel ‘Fürst, Herr’ (*þаngilaz);
aisl. þang, mnd. dank ‘Seegras, Tang’, ags. ðung ‘Aconitum napellus’, nd. wodendung ‘Schierling’ (‘*dichte Masse, Büschel’?);
lit. tánkus ‘dicht, häufig’;
klr. t’aknuty ‘nützen’, slov. tek ‘Gedeihen’; vermutlich aksl. tǫča ‘Regen’, slov. t’ǫča ‘Hagel’, und dgl.; ob got. þeiƕō ‘Donner’ dazugehört, mit aus ‘Wetterwolke’ verschobener Bed., ist höchst fragwürdig.

WP. I 725 f., Trautmann 313 f., Vasmer 3, 158 f. Marstrander ZcP. 7, 369 f., J. Loth RC. 41, 225 f.; Wz.-Erweiterung von ten-1 ‘dehnen’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal