Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tenor - (hoge mannenstem; zanger met die stem)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

tenor zn. ‘hoge mannenstem; zanger met die stem’
Mnl. Menich edel musisien Prees dinen voys ende dijn tenuere ‘menig edele muziekkenner prees je stemgeluid en je zang (van de melodie)’ [1350-1400; MNW-R], Sulc zanc boven zulc tenoor ‘zulke zang(partij) boven zo'n cantus firmus’ [1375-1400; MNW-R]; vnnl. Tenor en Contratenor ‘tenor- en contratenorpartij’ [1591; iWNT contra]; nnl. Italiaansche ténors ‘Italiaanse tenorzangers’ [1850; Zierikzeesche Courant].
Teno(o)r is aanvankelijk hetzij ontleend aan middeleeuws Latijn tenor ‘basistoon’ [1403; Fuchs 2005], dat ontwikkeld is uit Latijn tenor, hetzij aan Italiaans tenore ‘toon’ [1330; DELI], dat eveneens ontwikkeld is uit Latijn tenor ‘(ver)loop, toon(hoogte)’ (genitief tenōris), een afleiding van tenēre ‘(vast)houden’. Later is Nederlands tenor nogmaals ontleend, deze keer in elk geval aan Italiaans tenore ‘hoge mannelijke zangstem’ [15e eeuw; DELI], ook ‘zanger met tenorstem’ [1438-77; DELI]. De Middelnederlandse vorm tenuere is ontleend aan Frans teneur ‘tenorstem’ [1373; Rey], zie → teneur. Latijn tenor duidde eerst de toon aan die in koorgezang aangehouden werd, de reciteertoon, daarna de toon die de melodie vasthield in polyfone zang.
Latijn tenēre (waaruit o.a. Frans tenir ‘houden’) is afgeleid van de wortel pie. *ten- ‘zich spannen, zich uitstrekken’. Zie verder → deun 2.
Voordat tenor ‘zanger met tenorbereik’ ging betekenen, bestond daarvoor in het Nederlands het woord tenorist [1502; iWNT], ook wel tenouriste [1500; iWNT tripel II].
In het NN ligt de klemtoon op de 2e, in BN op de 1e lettergeep.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tenor [hoogste mannenstem] {1654} < italiaans tenore [idem] < latijn tenorem, 4e nv. van tenor [aangehouden (toon), voortdurende beweging] (vgl. teneur). Al in middelnederlands tenore, tenoor [hoofdtoon] {1376-1400} < latijn tenor.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tenor znw. m., mnl. tenoor ‘de hoofdtoon, de dominante’. Dit woord gaat terug op lat. tenor ‘samenhang’, welk woord in de muziektaal tot ital. tenore ‘de hoge mannenstem’ overging en in deze bet. sedert de 15de eeuw in het germ. overgenomen werd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tenor znw., mnl. tenoor m. Evenals fr. ténor, hd. tenor m. (sedert ’t laat-Mhd.) enz. uit it. tenore. Kil. teneur uit den fr. vorm teneur.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tenor (Italiaans tenore)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tenor ‘hoogste mannenstem’ -> Indonesisch ténor ‘hoogste mannenstem’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tenor hoogste mannenstem 1591 [WNT vlijen] <Italiaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal