Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

temen - (zeuren)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

temen [zeuren] {1539 in de betekenis ‘zich met een onderwerp bezighouden’; de huidige betekenis 1614-1615} van middelnederlands teme [onderwerp van bespreking], van thema.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

temen ww. eerst na Kiliaen, blijkbaar een jong woord, dat men afleidt van mnl. tēme m. v. ‘onderwerp, meningsuiting’ < lat. gr. thema. W. de Vries Ts 41, 1922, 191 wijst op gron. tijm en tijmen ‘altijd over hetzelfde praten’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

temen ww., nog niet bij Kil. Te gezocht is de identificeering (oorspr. bet. “sleepen”?) met fri. tiemje (tymje) “op een rij liggend hooi op hoopen sleepen”, van tieme (time) “een daarvoor gebruikt werktuig” = Kil. “teem. j. hoy-teem. Pertica foenaria”; dit zou desnoods als * taima- bij idg. dā̆i “snijden” (zie tijd) kunnen hooren: voor de bet. vgl. sliet. Rationeeler en eenvoudiger is de afl. van temen van mnl. teme m. v. “onderwerp, meening(s-uiting)” (nog dial.: Waasch teme, temie “vlaag, kuur”) < gr.-lat. thema.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

temen. Voor de afl. van mnl. teme vgl. dial. (Sliedrecht) teksten ‘breedvoetig en herhaaldelijk over iets spreken’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

temen o.w., van Mnl. teme = onderwerp van bespreking, uit Gr. -Lat. thema.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

tamen ww.: zeuren. Dial. uitspraak van temen ‘zeuren’. Afgeleid van Mnl. teme ‘onderwerp’ < Lat., Gr. thema. De oorspr. bet. is dus ‘zich met een onderwerp bezighouden’. De vorm tamen is misschien hypercorrect blijkens Mnl. temen ‘betamen’.

tremen ww.: langzaam aan doen, lijntrekken. Expressieve variant met r­-epenthesis van temen ‘zeuren’, maar ook ‘talmen, dralen’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

teem ww.
Langsaam of stadig praat, sanik.
Uit Ndl. temen (1614 - 1615), 'n afleiding van die s.nw. teem (Mnl. teme) 'onderwerp van bespreking'. Die oorspr. bet. van Ndl. temen (1539) was 'jou met een onderwerp besighou'. Deur altyd oor dieselfde onderwerp te praat, word die spreker vervelend.
Ndl. teem uit Oudfrans theme uit Latyn thema 'tema, onderwerp'.
Vgl. tema.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

temen (O), ww, scherpl. e: plagen, syn. met titsen, tinzen. Var. van teeuwen 2, met wisseling van de bilabialen w/m (vgl. murw/murm, zwaluw/zw alm). Zie ook teeuwelen.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

temen (van Latijn thema)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

temen zeuren 1614-1615 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal