Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

teloorgaan - (verloren gaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

teloorgaan ww. ‘verloren gaan’
Vnnl. te leur(e) of te loor vallen, gaan, lopen e.d. ‘vergeefs zijn, verloren gaan’ in ick val te leure, als een arm clappere ‘ik ga ten onder als een arme bedelaar’ [1592; MNW lore], ook de goede wetten te loor ginghen ‘ook de goede wetten verloren gingen’ [ca. 1635; iWNT], 'T belegh was te loor geloopen ‘... vergeefs, op niets uitgelopen’ [1645; iWNT loor II], Zal dan te leur gaan deze straf? ‘zal deze straf dan vergeefs zijn?’ [1691; iWNT leur II].
Gevormd uit de vaste verbinding te loor, nevenvorm van te leur als in → teleurstellen, en → gaan. De i-umlaut die tot de klinker in leur leidde, heeft niet in het hele taalgebied gewerkt. In het westelijke Vroegnieuwnederlands ontstond onder invloed van diverse factoren (zie Schönfeld, par. 40b) in het algemeen een complexe oppositie tussen de klanken oo en eu, soms met dubbelvormen als gevolg (zie bijv.spreuk naast → sprookje, → neut naast → noot 2). In het huidige teloorgaan heeft mogelijk ook volksetymologische invloed van verloren een rol gespeeld.
Traditioneel (FvW, WNT, NEW, Toll., EDale) voert men loor terug op een vorm zonder umlautsfactor, namelijk de datief *lore van *lor, uit de Proto-Germaanse a-stam *luza- (zie onder), dat bestond naast *luzi- (waaruit leur). Aangezien de vorm (te) lore nergens in lopende tekst geattesteerd is, en (te) loor pas relatief laat verschijnt, is deze theorie onwaarschijnlijk.
Pgm. *luza- heeft mogelijk wel geleid tot oe. lor ‘verlies, ondergang’ (in tō lore weorðan ‘verlies ondergaan’). Daarnaast met voorvoegsel oe. forlor ‘id.’ en ook ohd. en os. farlor ‘id.’. Maar deze woorden kunnen ook zijn afgeleid van de corresponderen werkwoorden met for-/far-, zie → verliezen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

teloorgaan* [verloren gaan] {ca. 1635} van loor, een vorm met ablaut en grammatische wisseling (vgl. was - waren) naast het tweede lid van verliezen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

teleurstellen

Het woord leur kwam vroeger voor in een aantal vaste verbindingen die behalve te leur stellen thans alle verouderd zijn. Men zeide: te leur komen, te leur gaan en te leur lopen voor: verloren gaan; te leur vallen voor: geen succes hebben. Te leur gaan hebben wij nog over in te loor gaan en daaruit blijkt ook de oorspronkelijke betekenis: verlies. Het daarbij behorende werkwoord is verliezen, waarvan de verleden tijd luidt: verloor. Zo is de r in het woord leur te verklaren. Er is een ander woord leur, dat verwant is met lor en dat: vod, prul betekent. Het daarbij behorende werkwoord is leuren: langs de huizen gaan om iets te verkopen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

loor in de uitdr. te loor gaan, vgl. oe. to lōre weorðan ‘te gronde gaan’, to lōre dōn ‘te gronde richten’ < germ. *lŭza-, ablautsvorm bij verliezen. Gewoner in samenstelling os. farlor, oe. forlor m. ‘verderf’. — Zie ook leur 3.

Dit is een voorbeeld, dat een woord dat noch mnl. noch bij Kiliaen opgetekend is, toch tot het oudste taalmateriaal moet hebben behoord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

loor (te loor gaan), niet uit ’t Mnl. of Kil. bekend, toch een oud woord blijkens ags. tô lore weorðan “perire”, tô lore dôn “perdere”: dat. van een znw. *lor, germ. *luza-, verwant met verliezen. Verbreider is ohd., os. farlor, ags. forlor m. “verderf”. Zie leur III.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

teloorgaan* verloren gaan 1635 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1433. Te loor gaan,

d.i. verloren gaan; ags. tô lore wearthan naast tô lore dôn, in 't verderf storten; oostfri. to lör gân, zu Nichte gehen, kaput gehen, verloren gehen (Ten Doornk, Koolm. II, 530); in Antw. te rest geraken. Zie Hooft, Tacitus Hist. 339, 7: Ook de goede wetten te loor gingen; Ned. Hist. 265, 38: Liep de toeleg te loor; waarnaast in de 17de eeuw te leur gaan, te leur komen en te loor zijn; te loor loopen, mislukken; Halma, 313: Ergens te leur, ofte loor komen, venir quelque part à contretemps, ou inutilement; Sewel, 460: Te loor gaan, to go to wrack, to be lost; Landl. 18; Sjof. 61. Men houdt het znw. loor voor den datief van een znw. lor, dat verwant is met verliezen, zoodat het evenals leur, eig. verlies beteekent; zie Franck-v. Wijk, 398; Ndl. Wdb. VIII, 2897; vgl. no. 1367.

1433. Te loor gaan,

d.i. verloren gaan; ags. tô lore wearthan naast tô lore dôn, in 't verderf storten; oostfri. to lör gân, zu Nichte gehen, kaput gehen, verloren gehen (Ten Doornk, Koolm. II, 530); in Antw. te rest geraken. Zie Hooft, Tacitus Hist. 339, 7: Ook de goede wetten te loor gingen; Ned. Hist. 265, 38: Liep de toeleg te loor; waarnaast in de 17de eeuw te leur gaan, te leur komen en te loor zijn; te loor loopen, mislukken; Halma, 313: Ergens te leur, ofte loor komen, venir quelque part à contretemps, ou inutilement; Sewel, 460: Te loor gaan, to go to wrack, to be lost; Landl. 18; Sjof. 61. Men houdt het znw. loor voor den datief van een znw. lor, dat verwant is met verliezen, zoodat het evenals leur, eig. verlies beteekent; zie Franck-v. Wijk, 398; Ndl. Wdb. VIII, 2897; vgl. no. 1367.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal