Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

teek - (insect)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

teek zn. ‘mijt, diertje van de orde Acarina
Vnnl. ein thecke [1518; Claes 1997], teke [1562; Kil. ricinus]; nnl. teek [1727; iWNT].
Mnd. teke (nnd. teke, täke, tiek(e), tīke, tīk); ohd. zehho, zeck(o) (mhd. zeche, zecke, nhd. Zecke); nfri. tyk; oe. (geïsoleerde en geëmendeerde attestatie) tīca of ticca (laat-me. tȳke, teke, vne. en ne. tick); alle ‘teek’, later in sommige dialecten ook wel voor bepaalde insecten; < pgm. *tikkōn-, *tikka-, *tīka, stammen die zijn terug te voeren op de allomorfie van het paradigma van de vroeg-Proto-Germaanse n-stam *tīgō, genitief *tikkaz ‘teek’ (Kroonen 2009).
Wrsch. verwant met: Middeliers dega ‘vliegend hert (soort kever)’; Armeens tiz ‘wants’; < pie. *diǵh-, *deiǵh-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

teek1* [insect] {teke 1562} middelnederduits teke, middelhoogduits zecke, oudengels ticea (engels tick); buiten het germ. oudiers dega [zwarte kever], armeens tiz [teek].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

teek znw. v., Kiliaen tēke, teecke, mnd. tēke, ohd. zecho (nhd. zecke), oe. ticca (voor overgeleverd ticia) ne. tick, tike. — In verwijderd verband staan arm. tiz ‘teek’ en miers dega ‘vliegend hert’, daar deze op idg. *deiĝh teruggaan. Maar in zulke woorden is verandering van cons. zowel als verscherping als verdubbeling voor de hand liggend. Ook denkt men aan verband met tikken (IEW 187-8). — Uit het germ. zijn ontleend ital. zecca, nfra. tique. Of uit dit laatste weer nnl. tiek is afgeleid, is zeer onzeker; het komt voor in oostel. dial. en hangt dus samen met nnd. tīke, waarbij in het midden gelaten moet worden of men hier mag teruggaan op een germ. *tîkō, dan wel of het een spontane variant is.

Het bij FW 690 uitgesproken vermoeden, dat er verband zou zijn met lit. dygùs ‘stekelig, spits’, dygsnis ‘steek’, dyglys ‘doorn’, lett. diglis, digs, dignis, digsts ‘klimplant’ is nog eens verdedigd door A. Janzén GHÅ 43, 1937 Nr. 5, 27 die nog kans ziet, hiermee nhd. ziege te verbinden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

teek znw. Kil. teke, teecke. = ohd. cëcho m. (mhd. zëcke m. v., nhd. zecke v.), mnd. tēke (v.?), ags. ticia (lees *tī̆ca of *ticca) m. (eng. tike, tick), germ. *tikan-, *tîkan-, *tikkan- “teek”. Oorsprong onzeker. Arm. tiz “teek” kan bezwaarlijk direct verwant zijn, aangezien ’t idg. ĝh en niet ĝ veronderstelt. Lit. dygùs “ spits, stekelig”, dėgti “steken”, dýgti “kiemen” zouden met teek van een idg. basis dī̆g- kunnen komen: veeleer echter hooren zij bij dijk. De ndl. bijvorm tiek wordt wel uit ndd. tîk(e), den naam van allerlei kevers (= eng. tike) afgeleid. Veeleer echter komt hij van fr. tique “teek”, dat evenals it. zecca “id.” van germ. oorsprong is.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

teek. Buiten het Germ. vgl. nog ier. dega ‘hertkever’. De bijvorm tiek vooral in saks. diall., daarom eerder met germ. î = ndd. tîk(e) dan uit het Fr.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

teek v., ouder Nndl. teke + Meng. teke (Eng. tick), Mhd. zecke (Nhd. id.) + Arm. tiz: Idg. *dig(h)-. Uit Ndl. komt Fr. tique, uit Hgd. It. zecca.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

teek, zn.: feeks. Metonymisch voor de teek ‘huidparasiet’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

teek (E, G, Gb, L, W), teke (ZO), t(j)eik (Gb), zn.: regenworm, pier. Mnl. tedi(c)ke, tettinge 'regenworm'. Bij Yperman (15e e.) ook tectike, dat ongetwijfeld als tettike gelezen moet worden. Vnnl. teke, pier 'aardworm', teke, hondsluys (Kiliaan). Teek < *ted-ik, waardoor het woord samenviel met teek 'huidparasiet', dat evenwel etymologisch een ander woord is. Vgl. Wvl. tettink. - Bibl.: J. Van Keymeulen, De benamingen van de regenworm in de Zuidelijk-Nederlandse dialecten, in Huldealbum Hugo Ryckeboer, 2000, 465-475.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

tiek teek (Noordoost-Nederland). Mogelijk « fr. tique, dat zelf uit het germ. ontleend is, of = ndd. tîke, welks î niet klankwettig samenvalt met de ee van teek en de i van oeng. ticca. ~ arm. tiz ‘teek’, miers dega ‘vliegend hert’. Mogelijk ook ~ tikken: dan zou het benoemingsmotief het prikken zijn.
NEW 726, EW 372.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

teek ‘insect’ -> Deens tæge ‘insect’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors tege ‘insect’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans tique ‘insect’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

teek* insect 1518 [Claes Tw. 12]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal