Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

teak - (boom (Tectona grandis); het hout daarvan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

teak zn. ‘boom (Tectona grandis); het hout daarvan’
Nnl. teak, tek in een veertienjarig schip, naar men zegt van teak-hout gebouwd [1842; Leeuwarder Courant], uit onbederfbaar tekhout getimmerd [1854; WNT], de levering van Teak of Djattihouten Balken [1870; Leeuwarder Courant], Het meeste djatihout wordt totnogtoe onder de benaming van teak of tek uit Britsch-Indië aangevoerd [1907; WNT], kostbare overzeese ... houtsoorten zoals teak, palissander [1954; WNT Aanv. fijn II].
Ontleend (in BN via Frans teck, gezien de BN-uitspraak tek, en) via Engels teak [1727; OED], ook wel teck, tick, teek, oudste vorm teke ‘zekere Oost-Indische boom’ en ‘het hout daarvan’ [beide 1698; OED], aan Portugees teca ‘id.’ [16e eeuw; Da Cunha]; dat woord is ontleend aan Malayalam tēkka. Malayalam is een Dravidische taal die gesproken wordt in het zuiden van India; de naam van de boom in andere Dravidische talen is Tamil tēkku, Telugu tēku en Kannada tēgu.
De boom en het hout waren tot ver in de 20e eeuw in Nederland ook bekend onder de Javaanse naam Djati [1896; WNT], ouder jatij [1634; Daghreg. Bat.].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

teak [boom, hout daarvan] {tekhout 1854, tekboom 1900-1908, teak 1901-1925} < engels teak < portugees teca < malayalam tekku.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

teak znw. m., ‘een in Indië groeiende hoge boom (tectonia grandis); daarvan gemaakt hout’ < ne. teak < tamil tekku < oi. śāka.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

teak (Engels teak)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

teak [tiek] geelbruin getinte soort duurzaam tropisch hardhout, gebruikt voor deuren en scheepsdekken, maar ook voor meubels en vloeren. De Engelsen leenden het woord ‘teca’ van de Portugezen, die het op hun beurt hadden uit de Indiase taal Malayalam.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

teak(hout) zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = djati(hout). Onze eettafel is van djatihout gemaakt.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

teak boom, hout daarvan 1854 [WNT] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal