Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

te - (bijwoord, voorzetsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

te 1 vz. (o.a.) ‘in; op; naar’
Onl. te ‘naar, in, betreffende’ in fan Almeri te Tafalbergon ‘van het Almere tot de Tafelberg’, Te Amuthon ‘in Muiden’ [beide ca. 900; ONW], Ruopen sal ik te gode ‘ik zal tot God roepen’, te etoni ‘om te eten’, thenke te gebede minin ‘denk aan mijn gebed’ [alle 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. te(n) [1200; VMNW].
Oude, verzwakte nevenvorm van het bijwoord → toe. In de West-Germaanse talen behielden de bijwoorden de volle vorm, terwijl de daaruit ontwikkelde voorzetsels, die minder klemtoon droegen, verzwakten. Zie bijv. ook het bijwoord mede (→ mee) naast het voorzetsel → met 1.
Op grond van de herkomst moet te in de oorspr. betekenis een richting, doel of bestemming hebben aangegeven. Vervolgens zijn door analogie zeer veel verbindingen ontstaan, waarin van doel geen sprake is (WNT). Deze uitbreiding heeft voor een groot deel al in de gemeenschappelijke West-Germaanse of in de Oudnederlandse periode plaatsgevonden, zodat vermelding en datering van afzonderlijke betekenissen weinig zinvol is. Te wordt altijd met een datief gecombineerd. Twee kenmerkende functies die te in alle West-Germaanse talen heeft gekregen en waarmee het zich onderscheidt van andere voorzetsels, zijn die van te ‘bovenmatig’ + bijvoeglijk naamwoord, waarvoor zie → te 2, en die van te + gerundium. Het gerundium is de als zelfstandig naamwoord gebruikte onbepaalde wijs van een werkwoord, die in de datief uitging op -e. In het Middelnederlands verdween deze uitgang geleidelijk.
In enkele veelvoorkomende combinaties is te- al in het Middelnederlands gereduceerd tot t-, waarbij soms assimilatie met de eropvolgende medeklinker heeft plaatsgevonden: zo ontstonden bijv.samen (naast z in → gezamenlijk), → sedert, → tegen (naast → jegens), → thans en → thuis. Uit t(e) + het verbogen bepaalde lidwoord ontstonden op dezelfde wijze de varianten ten (mannelijk/onzijdig ev., uit te den) en ter (mv. en vrouwelijk ev., uit te der), te vergelijken met Duits zum < zu dem, zur < zu der.
In het Nieuwnederlands is te als vrij gebruikt voorzetsel voor zelfstandige naamwoorden zeer sterk teruggedrongen en vervangen door andere voorzetsels, bijv. naar, in, op, bij. Het blijft beperkt tot formeel taalgebruik (bijv. te Amsterdam ‘in Amsterdam’) en een groot aantal versteende uitdrukkingen, waarbij oude datiefuitgangen meestal bewaard zijn gebleven, bijv. te berde brengen, te elfder ure, ten dans vragen, ten koste van, ter inzage, ter zake, ter ziele. Zie ook → tegelijkertijd, → tegemoet, → teleurstellen, → telkens, → teloorgaan, → tenminste, → tenslotte, → terdege, → terecht, → terloops, → tersluiks, → terstond, → terug, → terwijl, → terzijde, → tevreden. In afzonderlijke gevallen zijn de naamvalsuitgangen wel verdwenen, bijv. in te voet en te paard, en in te vuur en te zwaard, een jongere versie van met vuur en zwaard, en te hooi en te gras, een jongere versie van bij hooi en bij gras. Aaneengeschreven combinaties met een bijwoord zijn zeldzaam, zie → tegelijk en → tevoren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

te1* [bijw., voorzetsel met de betekenis ‘in, op’] {901-1000} oudsaksisch, oudfries te, ti [te], oudhoogduits za, zi, ze, naast ablautend middelnederlands toe, oudsaksisch, oudfries, oudengels to, oudhoogduits zuo; buiten het germ. oudlatijn endo, indu [in], grieks -de [naar … toe], avestisch -da [naar … toe], oudkerkslavisch do [tot, te], oudlatijn da- [naar … toe], ablautend oudiers do [naar, voor], latijn de [van … af] en ad [tot].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

te 1 bijw. voorz., mnl. te, onfrank. te (eenmaal ti), ohd. za, zi, ze, os. ofri. te, ti ‘te, tot’. Daarnaast abl. mnl. toe, onfrank. (conjectuur), ohd. zuo (nhd. zu), os. ofri. oe. (ne. to, too). — osl. do ‘tot, te’, oud-lit. da- ‘naar toe’, olat. en-do, in-du ‘in’, gr. -de (bijv. oikónde ‘naar huis’), av. -da (bijv. vaesman-da ‘naar huis’). Daarnaast *dē in lat. ‘van weg’, oiers di ‘van weg’ (IEW 181-183).

te 1 [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 244 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

te I bijw., voorz., mnl. te. = onfr. te (eenmaal ti), ohd. za, zi, ze, os. ofri. te, ti “te, tot”. Hiernaast mnl. toe (nnl. toe), onfr. (per conjecturam; overigens slechts in to-hopa “spes”), ohd. zuo (nhd. zu), os. ofri. ags. (eng. to, too). In ’t Ohd. en Os. is zuo resp. als voorz. jonger dan za, zi, ze resp. te, ti. In ’t Mnl. is toe als voorz. vooral oostelijk. De genoemde vormen gaan op idg. *do, *de, * terug: vgl. oudlat. en-do, in-du “in”, gr. , -de, obg. do, av. -da “naar”. Met ablaut ier. , lat. ( “van — af, van — weg” (hierbij ook osk. dat “id.”?) en lat. ad “tot” enz. (zie tonen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

te 1 voorz. en bijw., Mnl., Onfra., Os. te, Ohd, za, zi, ze: is de proklit. vorm van toe: z.d.w. — Voor ter neder, z. neder.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ter I: voors. m. bet. o.a. “in, na, op, tot”; Ndl. ter uit te + der (v. der I).

Thematische woordenboeken

Ch.F. Haje (1932), Taalschut, schrijf weer Nederlandsch, Leiden

Uittebuiten
“Zijn leerlingen dwingen om integaan tot de schoonheid der Engelsche taal en letterkunde, strookte niet met den aard van Soera Rana.” “Wij behoeven in deze studie niet uitteweiden over zulke vragen” (Dr. G. Kalff Sr.). “Ik durf wel zeggen: het Nederlandsche volk is de held dezer geschiedenis, maar niet zonder dit toetelichten” (Dr. G. Kalff Jr.). “Het lag voor de hand, de verbeelde betrekking uittebuiten” (Dr. Alb. Verwey). “Potgieter was te eerlijk om met andermans veeren te pronken en voor eigen uit te geven, wat van een ander was, of lof aantenemen, die hem niet toekwam” (Dr. J. B. Schepers).
Waartoe hier den infinitief van scheidbare werkwoorden zoo op zijn Duitsch en op zijn Multatuliaansch bij het voorzetsel vast te plakken? Is dat mannen- of is het kinderwerk? Dr. Schepers zou wel een beetje verlegen zitten met de vraag, om welke reden hij in den bij hem aangehaalden zin den tweeden Infinitief naar de wijze onzer taal, den derden als opgestopt duitsch schreef.

Hulpwerkwoord (Verkeerde plaatsing van het)
Er is een rij werkwoorden, die zoowel zelfstandig in den zin kunnen optreden of ook als hulpwerkwoord: hij begeert iets (zelfst.), hij begeert zijn moeder te zien (hulpw.). Van die soort zijn wenschen, zien, staan, zitten, blijven, komen, beginnen, behoeven, zoeken, verkiezen en verscheidene meer.
Komt zulk een werkwoord in den bijzin voor, dan staat het in het Ned. vóór het hoofdwerkwoord: Wij schrokken, toen we den woesteling op ons zagen toeloopen, hem hoorende schreeuwen, dat hij ons nu wel krijgen zou.
Deze natuurlijke regeling van den zinsbouw, onze auteurs, klein en groot, verdraaien haar steeds en steeds weer: Eenige tafereeltjes, waar zelfs de meest serafische huisvader van heden geen rood hoofd noch eenigerlei oprisping van te krijgen behoeft (Kloos). De vloed, die naar de standen der samenleving te wassen begint (Scharten). Vader, die met dominee te fluisteren stond (H. Poort). Niets tot steun voor wie zich in dien hoek wat te oriënteeren zocht (Top Naeff). De firma Brusse, toen zij met haar Rinkelbel-serie in dit opzicht iets te bereiken trachtte (Roel Houwink). ’n Toontje, dat Piet wel hoorde, maar dat hem weinig te deren vermocht (Dr. Walch). Boven zijn kleintjes malende kaak het jukgebeente te glimmen begon (Jac. van Looy, die hier zelfs in de hoofdzin de natuurlijke orde omkeert).
Wij hoorden weleens een verklaring, ons klonk ze als verontschuldiging, van deze averechtsche manier van woordplaatsing. Het zou in den maatval zitten, in het rhytme, zooals de kunstenaar dat hoort. Er is dus bij onze kunstenaars vóór tachtig geen geweest, die gevoel voor rhytme had, want die erkenden de orde, die de taal hier gesteld had. Die daarna gekomen zijn, die waren begenadigd met het fijne gehoor ...... voor het Duitsch wel te verstaan. Het Duitsch construeert, zooals zij het doen. Ook Joodsche menschen hooren wij het wel doen.
De taal stond eenige afwijkingen van den hierbedoelden regel toe: een gedrag, dat veel te wenschen laat (liever niet: te wenschen overlaat, zu wünschen übrig lässt); een maaltijd, waar men niets te eten kreeg; een moeder, die haar kindje te slapen legt . Het gebruik wisselt bij geven en vallen: een woord, dat te denken geeft (geeft te denken); een kantoor, waar veel te leeren valt (valt te leeren). Het heeft geen nut, te zoeken naar een verklaring van zulke uitzonderingen. Zooals de taal het haar getrouwen zonder aarzeling laat zeggen, zoo is het goed.

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

Verkeerde plaatsing van werkwoorden, die zonder TE in de onbepaalde wijs staan.
In de samengestelde tijden nemen verschillende Duitsche werkwoorden, in verband gebracht met een infinitief, een anderen vorm aan dan het gewoon voltooide deelwoord. Dit laatste krijgt den vorm van een tweeden infinitief en wordt achter het bepalingswerkwoord geplaatst. Sedert de 15e eeuw is zulks het geval met dürfen, können, mögen, müssen, sollen, wollen en thans nog zeer vaak met bleiben, brauchen, finden, fühlen, gehen, heissen, helfen, hören, kommen, lassen, legen, lehren, lernen, machen. Die vorm is zelfs uitsluitend in gebruik, wanneer het participium onmiddellijk op de onbepaalde wijs volgt: Wenn du auch ihn das hättest hören lassen (Lessing). Ihr habt mich weidlich schwitzen machen (Goethe). Hetzelfde gebruik bestaat in ’t Nederlandsch, met dit verschil dat die werkwoorden nooit achter den infinitief mogen geplaatst worden. De Duitsche constructie is met het spraakgebruik van ons volk(1) in strijd en zelfs om euphonische redenen moeilijk te rechtvaardigen. In de samengestelde tijden(2) der hoofdzinnen en ondergeschikte zinnen vordert ons taaleigen dat werkwoorden als blijven, doen, durven, gaan, hebben, helpen, hooren, komen, kunnen, laten, leeren, loopen(3), moeten, mogen, staan, voelen, weten, willen, zien, zullen(4): 1o vóór den infinitief gesteld worden: gij hebt mij terdege doen zweeten; 2o wanneer ze niet gevolgd worden door een infinitief met te(5), nooit als voltooide deelwoord, maar altijd in den vorm der onbepaalde wijs aangewend worden(6)
- Wanneer twee of drie der bovenvermelde werkwoorden, waarvan een in den persoonsvorm en een of twee in de onbepaalde wijs, met een bepalingswerkwoord in den infinitief verbonden worden, schrijft men in den regel den persoonsvorm eerst(7) en het bepalingswerkwoord laatst. Wie het bepalingswerkwoord te midden zet, bezondigt zich aan een germanisme.
|| De vader moet 100 franken vallen laten ter eere van den pastoor ... en het verder verschil wordt gedeeld ten wille van den scheich, P. R. L. Jansen O. P. in H. L., IX, 32 (men zegge de vader moet 100 fr. laten vallen en evenzoo op de volgende plaatsen). Men moet ... willen de dingen ... in zich door-werken laten gestadig, zonder te jachten naar het slot, W. Kloos, N. Lit.-Gesch., 4, 47. In de XXe Eeuw gaf de heer Verwey een artikel ten beste, dat ... mij soms een heel klein beetje heeft glimlachen doen, 213. Maar hij moest z’n langzamen zin vallen laten, omdat het meisje met een heftig gebaar van tafel opstond, Sara Bouterse in Els. Maandschr., 7, 53. Hij is een droomer en zijn kracht is niet groot; hij kan soms ... aan verre Duitschers denken doen: aan Altdorfer’s gratievol en vertrouwelijk realisme, Maria Viola in V. o. Tijd, XIII, 4343, 702. Hoe hartelijk de Pastor den Hollandschen kunstenaar ontving en hoe blij en voorspoedig Toorop in diens stille witte huis heeft mogen werken, dat moet ge hem zelf vertellen hooren, 45, 730. “Eeuwig duurt de tijd”, fluisterde zij, “zal ik daarin vergaan, mij medestroomen laten zonder” enz., A. van Oordt in Zelfkeur, II, 100.

(1) Ik moet evenwel bekennen dat er uitzonderingen zijn. In de omstreken van Brussel, in het Hageland en waarschijnlijk ook nog verder naar het Oosten op, zegt het volk: hij moest loopen gaan, wellicht omdat deze werkwoorden zoo dikwijls gekoppeld voorkomen, dat ze in zijn geest als een woordeenheid geprent staan: loopen-gaan. Eigenaardig is ook te Groningen en elders het volksgebruik van het werkwoord blijven, wanneer het verbonden is met een onovergankelijk werkwoord: wil je daar staan blijven? Dit zal wel een overblijfsel zijn van de middeleeuwen, met afslijten van den uitgang van ’t voltooid deelwoord: staande blijven, levende laten enz. ’t Is dan ook niet te verwonderen dat Van Dale’s Wdb., 1692 de uitdrukking staan blijven - met een dubbele beteekenis - opteekent. Ook ben ik tegenover zulke zinswendingen, die mede in het Friesch thuis hooren (ik hab een fûgel sjongen ’herd = ik heb een vogel zingen gehoord), eigenlijk niet vijandiger gestemd dan ’t behoeft. Mijn doel is enkel te waarschuwen tegen misbruik, opdat een wending, die uitzondering moet blijven, niet algemeene regel worde: tollatur abusus et maneat usus.

(2) Dus worden er telkens ten minste drie werkwoorden ondersteld. Zijn er maar twee, waarvan de persoonsvorm een veelgebruikt hulpwerkwoord is, dan is er geen bezwaar dat deze in den bijzin achter den infinitief geplaatst wordt: ’t Is niet zeker dat hij komen kan (mag, moet, wil, zal) of dat hij kan (mag, moet, wil, zal) komen. Het spreekt vanzelf dat er aan dichters nog meer vrijheid gelaten wordt, en dat gevallen als het volgende (een bekend spreekwoord) volstrekt niet zeldzaam zijn: wie de wespen gonzen laat, doen zij nog het minste kwaad. Toch is bij blijven, doen, durven, gaan, helpen, hooren, komen, laten, leeren, loopen, staan, voelen, weten, zien de gewone volgorde doorgaans vloeiender en verkieslijker. Zijn twee werkwoorden eenmaal een eenig begrip geworden - zooals de dialectische vormen loopen gaan en staan blijven - , dan worden zij natuurlijk ook als zoodanig in den zin behandeld. Aldus is ook de wanvorm het lezen leeren, voor het leeren lezen, in de schoolwereld doorgedrongen en, na herhaaldelijk uit Duitsche schriften in onze opvoedkundige werken voortgekruid te zijn, eindelijk in de taal vastgegroeid.

(3) Naast loopen, ook soms ijlen: “En dan ijlde zij kloppen op de deur van haar vader” (’t Getrouwe Maldeghem, 19 Januari 1919, I, kol. 4).

(4) Bij ’t volk hoort men ook wel liggen schreeuwen, zitten lachen, loopen zoeken, waar het voorzetsel te naar analogie van staan kijken enz. is weggevallen. Die weglating wordt echter vermeden in de enkelvoudige tijden; dus: hij lag daar uren lang te schreeuwen naast hij heeft daar uren lang liggen schreeuwen. - “Zij zelf bleef er met benieuwdheid zitten wachten op de komst der hertekoe” (Stijn Streuvels, Genoveva van Brabant, II, 143). - “’s Eén keer het me vader me de heele nacht loope zoeke ...” (M. J. Brusse, Boefje, 240; ook nog : “bleef ie loopen kijken op straat”, 33). Liggen, zitten, loopen worden dus zonder te gebruikt, wanneer zij in de onbepaalde wijs staan, en die onbepaalde wijs neemt de plaats in van een voltooide deelwoord. Ook dient opgemerkt te worden dat liggen, zitten en loopen hier hun gewone beteekenis niet hebben, maar een herhaling of voortduring te kennen geven. Vinden zitten, dat geregeld zonder te voorkomt, lijkt een slordigheid en zou moeten luiden zittende vinden, evenals men zegt schreiende vinden. Daarnaast heeft men toch ook weer liggen vinden en vinden zitten: een bewijs dat er weifeling is in het gebruik.

(5) Als hulpwerkwoorden kunnen leggen (D. legen) en heeten (D. heissen) in het Nederlandsch nooit anders gebruikt worden, dan gevolgd of voorafgegaan door een onbepaalde wijs met te, en daarom worden ze hierboven niet vermeld: schlafen legen = te slapen leggen - bleiben heissen = heeten (beveelen) te blijven. Stijn Streuvels gebruikt vaak deze wending met heeten, en slechts eenmaal laat hij te weg: “Zij liet hem neerzitten ...” (Bloemlezing, 105). Ook G. Gezelle, doch deze zonder te (Rijmsnoer, II, 40, 56 - I, 3, 171): “Bij durven is het taalgebruik weifelend: Hij durft het doen staat naast Hij durft het te doen, wat alleen bewijst, dat durven nu eens minder, dan meer zelfstandig gevoeld wordt” (Den Hertog, Nederlandsche Spraakkunst, 2e stuk, bl. 177, voetnoot).

(6) Er is uitzondering voor het werkwoord komen, dat, ja, door een onbepaalde wijs als praedicatief attribuut kan gevolgd worden: hij is komen aanloopen, hij is komen zien; maar ook wel door een verleden deelwoord: hij is komen aangehold, hij is komen aangeloopen, D. er ist herangelaufen kommen. In beide gevallen blijft het verbum, dat de werking uitdrukt, toch altijd laatst, wat nooit in het Duitsch het geval is. - Een andere uitzondering betreft de werkwoorden blijven, houden en vinden, verbonden met een onovergankelijk werkwoord. Zeker is in de Vlaamsche volkstaal en mede in de Nederlandsche schrijftaal de gewone constructie: hij heeft hem daar vinden slapen - hij heeft hem daar houden staan - ik ben daar blijven staan. Maar men mag toch ook zeggen: hij heeft hem daar slapende gevonden - hij heeft mij daar staande gehouden - ik ben daar staande gebleven. Dit middeleeuwsche gebruik is evenwel zeer sterk aan ’t afnemen, althans wat het laatste voorbeeld aangaat. Slapende vinden is nog tamelijk gewoon. Ook bij de synoniemen van vinden bezigt men het deelwoord: ik heb hem zelden anders dan spelend(e) en zingend(e) (aan)getroffen. Wat staande houden betreft [...] vorm alleen goed acht. Ik zou liever zeggen dat er tusschen beide een onderscheid te maken is, ofschoon dit lang niet altijd in acht genomen wordt. Iemand houden staan is iemand beletten voort te gaan, en iemand staande houden is zorgen dat hij, eigenlijk en figuurlijk, niet valt; iets staande houden beteekent hetzelfde, + beweren. Voor dit laatste gebruikt de Vlaming insgelijks houden staan, opgevat als een woordeenheid.

(7) Tenzij het modaal werkwoord wegens inversie achteraan moet komen: D. laut werden lassen darf es (nl. das meineidige Land) seine Ziele nicht = zijne bedoelingen kenbaar maken (of aan ’t licht komen) mag het niet.

Werkwoorden gevolgd door een onbepaalde wijs met TE.
Met de zinswending in de onderstaande aanhaling steekt Multatuli (Ideen, Garmond-editie, 2, 116) den draak, wanneer hij een foutieven zin van minister Thorbecke aanhalende, er geestig laat op volgen: “Ik geloof dat hier onze schrijver heeft in het duitsch te schrijven en het hollandsch op een stijve manier te verdraaien, gemeend.” Zulke wending is inderdaad Duitsch. Bij ons behoort te met den infinitief achteraan te komen: hij heeft meenen te schrijven, D. er hat zu schreiben gemeint) (1) Uitzonderingen op den regel zijn: te ... geven, te ... leggen, te ... krijgen, te ... vinden, waar men nog zou kunnen bijvoegen: te prijken (te pronken of te pralen) stellen, te drogen (of te weeken) zetten, te eten (of te drinken) brengen, te leeren gaan (naar de catechismusles of de catechisatie gaan), te grabbelen gooien of werpen, te repareeren brengen, te wasschen (te strijken enz.) dragen, te drinken schenken, te wandelen loopen (Stijn Streuvels, Genoveva van Brabant, II, 23, 27) en in de platte spreektaal zich te barsten (of te bersten) lachen, eten enz. (zie bl. 159, voetnoot). Geconstrueerd met hebben, worden en zijn in den persoonsvorm, vorderen al deze het voltooide deelwoord na te en de onbepaalde wijs, zooals in ’t Duitsch: de moeder heeft haar kind in de wieg te slapen gelegdik heb (er wordt) hem te kennen gegeven dat enz. Bij vier andere kan de onbepaalde wijs met te achteraan komen en te zelfs ontberen: te ... liggen, te ... komen, te ... staan, te ... zitten. Men moet zich door het verband, de constructie en dikwijls ook door het gehoor laten leiden. Men vergelijke de volgende zinnen met staan: wat staat er mij te doen? (hoofdzin: de onbepaalde wijs volgt). Ik weet wat er mij te doen staat (bijzin: de onbepaalde wijs staat voorop). Hij stond te kijken (enkelvoudige tijd: met te). Hij heeft daar staan kijken (samengestelde tijd: zonder te). Met komen: hij zal het te weten komen (te weten komen wordt opgevat als een woordeenheid en blijft dus onveranderd na kunnen, mogen, moeten, willen en zullen). Hij is het te weten gekomen (hoofdzin in den samengestelden tijd: komen staat in den vorm van ’t voltooide deelwoord en volgt op de onbepaalde wijs). Men zegt dat hij het te weten gekomen is of is te weten gekomen (bijzin in den samengestelden tijd: de persoonsvorm komt, naar beliefte, vóór of na de werkwoorden, waarvan het laatste eveneens in den vorm van ’t deelwoord). Hij is komen te sterven (hoofdzin in den samengestelden tijd: komen in de onbepaalde wijs, gevolgd door een infinitief met te als praedicaat). Bij al de genoemde uitzonderingen, die, uit hoofde van hun veelvuldig gebruik, beschouwd en behandeld worden als woordeenheden, valt er dus te onderscheiden tusschen constructies met de hulpwerkwoorden blijven, doen, durven, gaan, helpen, hooren, komen, kunnen, laten, leeren, moeten, mogen, vinden, voelen, weten, willen, zien, zullen enz. en die met hebben, worden en zijn. In de eerste constructie worden die werkwoorden gewoonlijk gevolgd door te en de andere twee in de onbepaalde wijs; in de tweede wordt de infinitief met te gevolgd door het tweede hulpwerkwoord als participium. In de onderstaande aanhaling is de ongewone volgorde af te raden, omdat de woorden te hangen komen, die een bereikte toekomst uitdrukken, niet als een woordeenheid kunnen opgevat worden en dus niet met te weten komen gelijk te stellen zijn. De natuurlijkste woordschikking is: ... kan komen te hangen.
|| Iemand, die den tijd heeft ... om alles wat Bayle schreef ... te bestudeeren, moet het voor ons nog waarde hebbende of merkwaardige er uit verzamelen tot een boekje van pittige wijsheid en gezonde redeneering, waardoor er weer een lichtschijn van welverdiende erkenning ... in de hoofden der ontwikkelden te hangen komen kan, W. Kloos in De Nieuwe Gids, 6, 1004-1005.
— Zooals reeds uit al het bovenstaande blijkt, moet, in bijzinnen, de persoonsvorm vóór den infinitief geplaatst worden, zelfs dan, als er maar twee werkwoorden voorhanden zijn. De uitzonderingen zijn dezelfde als hierboven: te ... geven, te ... leggen, te ... krijgen, te ... vinden, te ... zijn (2), waarin het voorzetsel te het doel, het gevolg, de strekking of de bestemming van de handeling of den toestand te kennen geeft: “Krauwel schonk hun een eerste proefteug, waarna zich iedereen voor goed te slapen legde” (Stijn Steuvels, De Oogst, 1901, 49). “Het prachtigste stuk impressionisme dat ons Nederlandsch te lezen geeft …” (Dr. J. Persijn, aangeh. in St. o. E., II, 4, 32). “In deze ontvouwing van gedachten durf ik de roomsche studenten aansporen … het werk te verrichten dat hun hand te doen vindt” (Alph. Laudy in St. o. E. II, 11, 81). Zulke zinnen zijn correct. Ontwikkeld taalgevoel alleen kan in dezen den rechten weg aanwijzen. Wat de onderstaande aanhalingen betreft, men kan niet zeggen dat ze alle even onbeholpen klinken: enkele geven zelfs een zekere cadans aan den zin, al is hun gebruik buiten dit bepaald verband niet geraden.
|| Doffer werden in de verte de eentonige gebeden ... en nog stond hij tusschen de pratende krijgslieden in mijmering toen uit de schaduw eener straat het gonzen van veel volk te zwellen begon, A. van Schendel, Een Zwerver verliefd, 44. … droomerig gelijk men te zijn pleegt wanneer even een feestdag ten einde loopt en de ziel weer met zichzelf alleen blijft, J. Verbruggen, De verloren Zoon, 6. ’t Scheen dat hij niet te improviseeren wist, Jac. van Looy, Proza, 218. … slootwater doet of het wil te rooken beginnen enz., 263. Meester Ottevare ... vatte thans al zijnen moed te zamen voor die laatste beproeving, die hij niet meer te verschuiven wenschte, V. Loveling, Sophie, 250. “Neen, neen, Maseur,” bad Sophie, die ... het nonneken te kwetsen vermeed, “trek u dat niet aan” enz., 254. Meester Ottevare ... moest toch tevens met kommer vaststellen, dat er den kleine iets te schorten scheen, 294. De kleur verzwond van haar mager gelaat, dat weg te krimpen scheen, 353. Geene vraag van den catechismus hadden de geestelijken hem kunnen stellen, die hij niet te beantwoorden wist, 362-363.
— Ne mensch ’n màg nie spreke, zei Euzeke, die ook wel iets te weten scheen, V. Loveling & C. Buysse, Levensleer, 20. ... maar zeker is, dat Laurens Baeck zijn genialen stadgenoot dikwijls te gast ontving en deze ... zijn zwaarmoedigheid krachtig te verzetten wist, B. H. Molkenboer, Vondelschetsen, 45. En in deze laatste buitendien valt de dichter telkens uit de stemming en de situatie ... als ware hij een onwillens-grappig proponent met één vinger in de hoogte, terwijl zijn andre hand het stijve witte dasstrikje in orde te schuiven schijnt, W. Kloos, Jac. Perk, 97. Josina ... deelt hem de troostende waarheid mede, dat de klok gebroken is door dien slag, zoodat ... hij zich dus niet te schamen behoeft, 127-128. Het klooster wordt juist belegerd, en Ewout dringt ... binnen, waar hij Josina tegen ieder te verdedigen weet, 128. Voor een fijnproever van verzen toch zijn de regels ... van een soort “poëzie”, dat hier niet scherp aangeduid te worden behoeft, 228. Want ... zonder Vondel zouden zij toch geenszins hebben kunnen wezen, zooals zij na hem en door hem zich te toonen wisten enz., 233. Daarom, ... laten wij allen ... vasthouden van de vroegere generatie, wat waarlijk vastgehouden te worden verdient, W. Kloos, N. Lit.-Gesch., 4, 161. Noch tijdens zijn leven, noch kort na zijn dood, is Jacques Perk ... aangezien als de groote dichter, die hij waarachtiglijk te heeten verdient enz., 211. En de menschen, welke dat leed niet begrepen noch zelfs te raden vermochten, gingen onverschillig langs hem voorbij, J. E. in Jong D., 1, 43. Want ik zou mij zeer moeten vergissen …, indien niet een aanzienlijk aantal hunner het met mij eens gingen wezen, dat dit boek van Prins op zijn eigen wijze een meesterstuk te heeten verdient, W. Kloos in De Nieuwe Gids, 1, 173: Want uit de prettige onbevangenheid, waarmede al deze ... beöordeelaars zich over dit ongemeene kunstwerkje uit willen laten, zonder dat het in alle kuischheid gewaagde van een paar toestanden en tafereelen hen te hinderen blijkt, ... kan afgeleid worden dat de Nederlandsche kritiek in de laatste dertig jaren van karakter is veranderd enz., 3, 500. Een volgenden keer kijken we den rechterkant van ’t vrouwenpaleis eens af die niet minder getuigenis aflegt van wat een nijvere vrouw tot stand te brengen vermag. Mevr. Joz. Van Bergen in De Lelie, 4, 12, 381. D’een na den ander had hij, …: hen met de overgeblevenen het luidruchtig uitgeleide gedaan, dat te doen gebruikelijk was, Tom Schilperoort in Els. Maandschr., 2, 185. En hij smaakt daarenboven het heil, geluk te worden gewenscht door allen, omdat hij … met alle behooren te vallen wist, Karel van de Woestijne in Els. Maandschr., 3, 202. En in dezen was het de strijd, de folterende strijd, van wie steeds te ontsnappen tracht uit eene gevangenis enz., 206. Petrus, een krachtige grijsaard, een man die hevige hartstochten te beheerschen leerde enz., Just Havelaar in Els. Maandschr., 3, 233. Nadat de jonge Wagner, … alleen “scheppend” wat hij na te bootsen vermocht, zich eindelijk bewust is geworden, dat de muziek enz., H. W. de Ronde in Els. Maandschr., 5, 392. Voor hem enkel kinderlijke eerbied, … omstuwde deze liefde het heele leven, dat zij … als een goddelijk geschenk welhaast te beschouwen scheen, R. van Genderen Stort in Els. Maandschr., 5, 404. Weldadige luwten vlotten in de lucht en niets was zoeter, dan de verteedering der lenteavonden, waarin de wereld te verdroomen scheen, 408. Dikwijls, wanneer zij … weer te spreken begon, bleek enz., 411. Mevrouw Brodeck bleef het toonbeeld, … dat zij … te volgen streefde (sic), 413. … waar een oud vrouwtje soms te plukken loopt, A. O. in Els. Maandschr., 5, 435. Tegen den avond hoorde Lieneke … den wind, die ongemeen te roeren begon, Frans Verschoren in Els. Maandschr., 6, 494. De oogen alleen keken over alles met zoo’n zelfbewuste klaarte, dat je voelde, dat die in het leven te heerschen gewoon waren enz., Tom Schilperoort in Els. Maandschr., 6, 502. Maar onwillekeurig toch moest hij kijken naar ’t … magere gezicht, waarin de vast-gesloten mond … te bijten scheen, Sara Bouterse in Els. Maandschr., 7, 61. Marianne … opende … haar vochtige lippen en schel, vroolijk klonk het luchtig liedje, dat zij onverwacht te zingen begon, 65. Evenwel berust hier de bizondere schoonheid op den vibreerenden glans, die de lucht geheel te vervullen schijnt, Max Eisler in Els. Maandschr., 10, 250. “Help eens, Marian”, zei Bert … en als zij, wilder, haar voeten te trappelen begon, gebood hij barsch enz., Sara Bouterse in Els. Maandschr., 10, 288. Vandaar ... de mist waarin de bende te dolen komt, en veel meer van dien aard, H. R. in Els. Maandschr., 10, 311. Men verwarre hier vulgariteit of banaliteit niet met de eigenschap …, welke zoogenaamde volkstümliche muziek, waarnaar zoovelen in onzen tijd vergeefs te componeeren streven, in de eerste plaats bezitten moet, H. W. de Ronde in Els. Maandschr., 10, 316. Maar toen ze ... te stamelen begon, ... hief hij waarschuwend den vinger, Sara Bouterse in Els. Maandschr., 11, 384. Ook wanneer men, zooals de heer Kalff noodig te vinden schijnt enz. H. R. in Els. Maandschr., 12, 471. Ook hun lijkt dikwijls hemelsbreed uiteenloopend en verschillend, wat toch, op eenigen afstand gezien, vrij sterk op elkaar te gelijken en elkander te naderen begint enz., 474. Voor Trezia Mathijssen ... schijnt het innerlijke licht in den schriklijken noodweernacht, als ze, neergestort voor haar zusters sterfkruis, ... verbijsterd te bidden begint, Maria Viola in V. o. Tijd, XII, 43, 695. En toen de angstige vrouwen thuis kwamen, Clementienke met veel misbaar over deze ontmoeting te klagen begon enz., Frans Thiry in V. o. Tijd, XIII, 1, 18-19. Dan zonk de stem en ’t ging eentonig zooals lieden te bidden plegen een rozenhoedje, 20. Ge kijkt er van den een naar den ander, ... en gretig geeft ge u gewonnen aan de ... natuurlijkheid eener kunst, die bij elk wederzien met zachte nadrukkelijkheid u te zeggen schijnt enz. Maria Viola in V. o. Tijd, XIII, 1, 24. De hoogheid van dit stuk werk spreekt u vooral aan, wanneer gij in andere gedichten als Raymond Fennafort, ... den toon dissoneeren hoort, waar de dichter in de sfeer van zijn verhevenste opvatting ... zich niet te handhaven weet, L. J. M. Feber in V. o. Tijd, XIII, 36, 597. ... ze ... bad voor Anceel den hertog, zooals ze te bidden placht, Marie Koenen in V .o. Tijd, XIII, 49, 804. Maar elkeen ... gaf geene of onbegrijpelijke antwoorden, zoodat zij telkens weder te zoeken aanving in de gaarde, achter de werkhuizen enz., A. van Oordt in Zelfkeur, II, 97. Alzoo was het verblijf van Genoveva in de kloosterschool eene opvolging van de verschillendste indrukken en gewaarwordingen: zij onderging het alsof haar leven nu eerst aanving en er in haar iets te bloeien begon. Stijn Streuvels, Genoveva van Brabant, I, 143. Met stijgende bedenkelijkheid had zij bij hare dochter een opbloeienden levenslust en eene kinderlijke onbezonnenheid bemerkt die te ontaarden dreigde in wereldschen smaak, 163. Genoveva … sloeg de armen om moeders hals en hield haar met de vlakke hand de woorden in den mond terwijl zij haar onstuimig te kussen begon, 165. Die goede uitkomst zette haar aan nog haastiger te wrijven tot er gelukkiglijk eene vonke te glimmen begon, II, 151. Daar zij het gestadig onder de oogen had, merkte zij niet het kleine vlammetje dat in zijnen blik te glimmen begon - dat de geest ontwaakte, 156. De componist laat de korte eindlettergreep van ontwaken niet op het eerste zware maatdeel der laatste maat vallen, zooals te doen gebruikelijk is, maar reeds op het zesde zwakke maatdeel vóór de slotmaat, J. P. J. Wierts, Ons Hollandsch Lied, 96 (veel beter zooals men pleegt, zooals men pleegt te doen of zooals ’t gebruik is). En voor hen gleed een weide, in haar vlakking afgerand door ... een beek, die als een banderol langs hoeve-erven zwierde en dan langs een eik, welks takken de bladeren in de avondzonne te vergulden hingen, Adriaan van Oordt, Warhold, I, 3. En de menschen stuwden elkaar ... naar de zon, onder wier wentelzuilen de menschenstroom steeds nauwer ten hemel te varen scheen, 23. Maar hij vond haar niet, niet een schaduw harer gestalte of een schaduw harer stem, die hij reeds lang te kennen meende, 24. Het feest ging te loor in een argeloos beweeg van enkele gasten aan den disch, die geluiden mummelden bij het stuipetrekken der stervende lichten, waardoor van bovenaf de duisternis ... neer te vallen dreigde, 82. En Heimrick verdedigde zich in kletterende woordenschakels, terwijl zijn … dwerglijf zich in schijnkracht te verhoogen trachtte enz., 91. Met goede manieren vatte de priester de heilige dingen aan ... en zijn gestalte, de statigheid verlatend, verootmoedigde zich in ingehouden kniebuigingen en aanbiddende standen, waarin zijn lijf stil te staan kwam, 143. Maar elkeen ... gaf geene of onbegrijpelijke antwoorden, zoodat zij telkens weder te zoeken aanving in de gaarde enz., II, 1. Terwijl Kostijn, weder van leven bewogen, te sluimeren aanving, bleef Gheride in gebeden verzonken enz., 20. Lang bleven zij zoo …, en toen … daarboven een enkele ster te zilveren aanving, kwamen de woorden enz., 28. Maar Martinus … sprak hem deelnemend toe over de wonde, achter de meewarigheid een klem in zijn woorden bewarend, zoodat Kostijn, hem barsch aanziende, bijna te brommen aanving als een hond, die zich overweldigd voelt, 29. En gedachtig aan het hierna, begon hij te klappertanden, ... toen hij onder een schreeuw neerzonk voor het Christusbeeld en te stamelen, te bidden aanving enz., 38. Bezwaarlijk, nog aangevochten van wanhoop, stond Warhold koulijk-bevende op, en blootstaande aan aller blikken, moest hij het hoofd opheffen tot den abt, die te spreken aanving enz., 41. “Gij, die nog niet sterk van lijf, de leden driftig beweegt, omdat ge uw hart als een groote klok in al te kleine kapel doet luiden, zoodat de wanden van de galmen om te storten dreigen, luister” enz., 76. En ... toen de mannen ... te stampen en te trappen begonnen tegen de onwillige deur …, verliet ook hem de zelfbeheersching enz., 118. Warhold voelde zich meegenomen door de vloeiing der kleuren, … en toen een vleugje zon door de ruiten blikkerde en tegen den tegelvloer aangesprongen, te schitteren aanving, toen zette hij zich te stoven in het warme licht, dat zijn lijf doorzeefde, 164. Warhold … voelde … een koude rilling … zich verspreiden over zijn heele lijf, zoodat zijn huid te bibberen begon, 175-176. Luther was de stichter van het choraal, maar er ontbrak nog een groote meester die op muziekaal gebied iets daaruit te maken vermocht, A. Wilford, Beknopte Geschiedenis der Muziek, 14.

(1) Onder de werkwoorden die de onbepaalde wijs met te in plaats van het deelwoord vorderen, zijn evenwel (aan)raden, begeeren, beginnen, behooren, beloven, beproeven, bevelen, gebieden, gelasten, heeten, meenen, pogen, trachten, vergeten, vergunnen, verkiezen, veroorloven, zich voorstellen, vreezen, weigeren, wenschen, zweren insgelijks in den vorm van het deelwoord gebruikelijk bij den volmaakt verleden en den meer dan volmaakt verleden tijd. Dus mag men zeggen: hij heeft gemeend hem te schrijven. Leeren kan mede als deelwoord voorkomen, als het minder onderrichten in hetgeen men niet weet, dan wel zich in iets oefenen beteekent: hij heeft geleerd het ongelijk, dat hem aangedaan wordt, te vergeven.

(2) Men zou er kunnen bijvoegen: te grabbelen werpen, te wasschen dragen, te vrijen (te wandelen enz), loopen, te prijken stellen, te drogen zetten of hangen, te eten (of te drinken) brengen, te leeren gaan (godsdienstonderwijs ontvangen) en in de platte spreektaal zich te barsten (of te bersten) lachen, loopen enz. Verder te ... liggen, te ... komen, te ... staan, te ... zitten; doch bij de aanwending der laatste vier kan de persoonsvorm ook vóór den infinitief komen. Als er twijfel is, moet het verband, de constructie of het gehoor den doorslag geven.

Het gebruik der verbogen onbepaalde wijs met TE als attributieve of adnominale bepaling.
Het gebruik van den noemvorm tusschen het lidwoord of het voornaamwoord en het zelfstandig naamwoord, vroeger uitzondering, is thans niet meer zeldzaam. Volgens de oude spraakkunst behoort de noemvorm in het Nederlandsch onverbogen te blijven. De Duitsche wendingen met doelaanwijzend karakter der zu lohnende Schüler, die zu bezahlenden Schulden, waarvan de onbepaalde wijs, voorafgegaan door zu en met bijvoeging van de, als een soort van toekomende deelwoord moet beschouwd worden, vertaalt men in ’t Nederlandsch eigenlijk door: de leerling die moet beloond worden, de schulden die te betalen zijn. Doch deze omschrijving is te lang, en daarom spot de jongere schrijftaal met de strengheid, die een gedisciplineerde taalzin zou willen opleggen. Men zegt dus, of juister men schrijft, op zijn Duitsch (want in de omgangstaal is dit germanisme nog niet doorgedrongen): de te beloonen leerling, de te betalen schulden (1). Men hoede zich evenwel voor overtollig gebruik, dat altijd misbruik is. Ietwat hinderlijk, althans ouderwets klinken de verbogen vormen het te zeggene, het te wetene, het te voelene, de te overziene enz., die Willem Kloos gedurig aan uit de pen laat vloeien. Dergelijke infinitief, hoezeer attributief, is en blijft immers een infinitief en kan sedert de 14e eeuw niet meer als een bijvoeglijk naamwoord verbogen worden. Welluidendheidshalve laten zich dan ook de éénlettergrepige infinitieven te doen, te gaan, te zien enz. niet attributief gebruiken.

(1) Het mannelijk en vrouwelijk bepalend lidwoord, onmiddellijk vóór te, maakt den volzin niet welluidend; maar een woordje tusschen beide herstelt de harmonie: de vaak te, de grootelijks te, de in te stellen vervolging. Die stroefheid bestaat overigens niet in andere bruikbare vormen: het te, zijn(e) te, mijn(e) te, haar of hare te, hun(ne) te, uw(e) te, ons of onze te, geen(e) te enz. - Ongeoorloofd is het, zooals men in het Duitsch doet, het werkwoord den uitgang van het onvoltooid deelwoord toe te voegen: “uit den te-verklarenden tekst” (J. de Cock, Uit de Reistesch, 49). ’t Moet bij dezen schrijver een onachtzaamheid zijn, want in denzelfden volzin schrijft hij den vorm juist: “den uit-te-geven tekst”; dus ook: “den te verklaren tekst”.

Verkeerde weglating van het voorzetsel om voor een infinitief met TE.
Geregeld werd vroeger het voorzetsel om met het voorzetsel te bij den infinitief gevoegd, wanneer het wees op een doel, een bestemming, een strekking, een goede of slechte hoedanigheid, een geschiktheid, een neiging of begeerte, uitgedrukt door zelfstandige naamwoorden; ook stond om bij substantieven als gelegenheid, tijd, verlof, vermogen enz. Thans wordt het zoogoed als altijd weggelaten bij de woorden bedoeling en doel, dikwijls bij gelegenheid, inzicht, macht, moed, moeite, oogmerk, plan, poging, recht, taak, vermogen, voornemen, wensch, wil enz., doch tamelijk zelden bij aanstalte, begeerte, behendigheid, bevoegdheid, geneigdheid, lust, middel, neiging, ontwerp, reden, tijd, toebereidsel, toelating, vaardigheid, verlangen, verlof, vrijheid, al is het te voorzien, dat het mettertijd ook bij eenige dezer of zelfs bij alle zal mogen wegvallen. Het voorzetsel om, dat voorheen gebruikt werd bij adjectieven, die een doel, een bestemming of een strekking te kennen geven, komt thans nog ongeregeld (2) voor bij de bijvoeglijke naamwoorden aangenaam, behendig, berekend, bestemd, bevoegd, genoeg, geschikt, gestemd, goed, leelijk, lekker, lief, prettig, schoon, slecht, vaardig, vervelend, zwaar en andere die daarmede min of meer zinverwant zijn of daarvan de ontkenning bevatten. Het wordt bovendien vereischt bij alle bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden, voorafgegaan door het bijwoord te in den zin van te zeer, Fr. trop. In beknopten vorm en in onontwikkelde tusschenzinnen kan een infinitief met om te een doel of een gewilde gevolg uitdrukken (3), en zelfs een gevolg, dat als een soort van noodlottige beschikking een ommekkeer teweegbrengt: De mensch moet eten om te leven, maar niet leven om te eten. - Om kort te gaan (1). - Hij week uit naar een onbekende streek, om er van honger te sterven. De infinitief met om te kan ook volgen op een overtreffenden trap en zelfs, na een opsomming van handelingen, de slothandeling vermelden: Hij is de laatste om zijn kracht te zoeken in verachting. - Ik ging van hier naar Brussel, reisde van de hoofdstad naar Gent, vertoefde eenige uren te Brugge, bezocht Oostende, om eindelijk laat in den avond naar huis terug te keeren. In zulke en eenige andere bijzondere gevallen (2) is het voorzetsel om niet alleen gepast, maar zelfs onmisbaar. In het Duitsch daarentegen is het gebruik van het voorzetsel om veel beperkter. Als wij b.v. schrijven: om het gevaar te keer te gaan, is er maar één middel - hij is rijk genoeg om dat te koopen, mag men in het Duitsch vertalen: der Gefahr zu begegnen, gibt es nur ein Mittel - er ist reich genug, das zu kaufen. Is om wel eens een overbodig toevoegsel, tegen welks inschuiving men mag opkomen, in de onderstaande aanhalingen kan het moeilijk gemist worden.
|| Het orchest van het Concertgebouw en de solisten ... werkten eveneens mede, het werk tot een schitterende uitvoering te doen komen, Ant. Averkamp in St. o. E., I, 48, 379. Hij kwam vanwege den kleinen raad, verontschuldigingen te brengen enz., J. Verbruggen, De verloren Zoon, 23. De koningin zal de eerste zijn bij nader overwegen te erkennen dat gij gelijk hebt hier streng op te treden, C. Alberdingk Thijm, Wankelende Tronen, 81. Het was voornamelijk door deze passie dat hij zich liet verleiden zijn politieke overtuigingen te laten varen en over te loopen tot de vijandige partij, Fema de Meyier in Els. Maandschr., 7, 38. Hij is de laatste zijn kracht te zoeken in verachting, L. J. M. Feber in V. o. Tijd, XII, 52, 836.

(1) Zoo te zeggen (D. so zu sagen) voor om zoo te zeggen is ingeburgerd: “... de directeur ... meende beter verdiend te hebben van den jongen man dien hij zoo te zeggen van de straat had opgeraapt ...” (Nico van Suchtelen in De Gids, 84, 1, 21)

(2) Ik zeg ongeregeld, want om is overbodig in gevallen als de volgende: hij is zoo goed, het mij te laten weten; ’t is goed te zien; dat is genoeg te begrijpen enz.

(3) Hier ook heeft de jongere schrijftaal menige uitzondering aan den regel gemaakt; b.v. bedoelen, pogen e.a. kunnen het voorzetsel om ontberen. Ook trachten in den transitieven zin van pogen, wordt bijna altijd zonder om gebezigd, doch niet in den zin van verlangen. B.v. ik tracht (poog) hem te verslaan; ik tracht (verlang) om hem te zien. Moest men echter de betrekking tot het gezegde door er naar uitdrukken, dan zou men, om een pleonasme te vermijden, om best weglaten: ik tracht er naar hem te zien. Ook bij de aanduidingen er op, er toe, er tegen enz., vóór een infinitief als oorzakelijk voorwerp, kan om gemist worden. Dus zal men zeggen: de legers werken er op, den vijand voorgoed uit het land te drijven; daarentegen: zij werken hardnekkig om hem buiten te krijgen. De gemeenzame spreektaal, die met om zeer kwistig is, neemt dit onderscheid niet in acht.

(2) Als het b.v. dient om, in lange perioden, een volgenden tusschenzin beter te isoleeren. Ook met bijvoeging van te en de onbepaalde wijs, als bijvoeglijke bepaling of naamwoordelijk deel van ’t gezegde: ’t Is een gezicht om van te schrikken - ’t is om te huilen - ’t is om zich dood te ergeren. Zie C. H. den Hertog, Nederlandsche Spraakkunst, 2e stuk, 1904, bl. 114

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

te ‘voorzetsel: naar’ -> Negerhollands toe ‘voorzetsel: naar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

te* voorzetsel 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

de-, do- Demonstrativstamm, z. T. ich-deiktisch; Grundlage verschiedener Partikeln

Av. vaēsmǝn-da ‘zum Haus hin’;
gr. -δε in ὅ-δε, ἥ-δε, τό-δε ‘der hier’ (ich-deiktisch), ἐνθά-δε, ἐνθέν-δε, τεῖε, hinter Akk. der Richtung, z. B. δόμον-δε, οἶκον δε, οἶκόνδε, ᾽Αθήναζε (*Αθᾱνᾰνσ-δε), wie av. vaēsmǝn-da (arkad. θύρδα· ἔξω Hes., Umbildung von -δε nach Doppelformen wie πρόσθε : πρόσθα), auch in δε-ῦρο (δεῦρο nachgebildeter Pl.) ‘hierher’, lat. quan-de, quam-de ‘als wie’ = osk. pan, umbr. pane ‘quam’, ebenso osk. pún, umbr. pon(n)e ‘quom’ (*quom-de), lat. in-de ‘von da’ (*im-de), un-de ‘woher’; gr. δέ ‘aber’; gr. δή ‘eben, nun, gerade, gewiß’, ἤ-δη ‘schon’, ἐπει-δή ‘quoniam’; δαί hinter Fragewörtern ‘(was) denn?’;
idg. *de steckt auch im air. Artikel in-d (*sind-os, idg. *sēm-de);
ital. -*dām in lat. quī-dam, quon-dam, umbr. ne-rsa ‘donec’ (wohl erstarrter Akk. f.*ne-dām ‘nicht die Weile’; daneben m. oder n. in:);
lat. dum (*dom) ‘noch’, als Konj. ‘während, indes, indem’, ursprgl. demonstratives ‘dann’, vgl. etiam-dum, interdum, nōndum, agedum (: gr. ἄγε δή), manedum, quidum ‘wie so?’ u. dgl., dann in relativ-konjunktioneller Bed., wie auch in dummodo, dumnē, dumtaxat; osk. ísídum ‘idem’ ist aber in ís-íd-um zu zerlegen, wie auch in. lat. īdem, quidem, tandem, tantusdem, totidem kein mit dum aus *dom ablautendes -dem anzuerkennen ist; īd-em aus *id-em = ai. id-ám ‘eben dieses’, vgl. osk. ís-íd-um, wie quid-em aus *quid-om = osk. píd-um, und infolge der Silbentrennung i-dem wurde -dem als Identitätspartikel gefühlt und wucherte weiter);
aber die Grundbedeutung von dum ist ‘ein Weilchen’, weshalb das u vielleicht alt ist (vgl. dūdum) und dum zur Wz. deu̯ǝ- gehört (EM2 288 f.).
idg. *dō ursprgl. ‘herzu’ in lat. dō-ni-cum (altertümlich), dōnec (*dō-ne-que), seit Lukrez auch donique ‘so lange als, bis daß, bis endlich’, aber auch ‘dann’ (dō- gleichbed. mit ad-, ar- in umbr. ar-ni-po ‘quoad’ aus *ad-ne-qom) und in quandō ‘wann’ = umbr. panupei ‘quandoque’; air.do, du, acymr. di (= ði), corn. ðe ‘zu’ aus *dū (in gall. du-ci ‘und’), Thurneysen Grammar 506; ags. , as. tõ (te, ti), ahd. zuo (za, ze, zi; die kürzeren Formen sind trotz Solmsen KZ. 35, 471 nicht als bereits uridg. Ablautvarianten aufzufassen), nhd. zu (got. du ‘zu’ mit Dat. und Präverb, z. B. in du-ginnan ‘beginnen’, scheint proklitische Entw. aus *(?), von Brugmann II2, 812 als unaufgeklärt bezeichnet); alit. do Präp. und Präf. ‘zu’; aksl. da ‘so, und, aber; daß’ (Bed.-Entw. ‘*dazu’ - ‘noch, und’, woraus dann die unterordnende Anknüpfung); anders Pedersen Toch. 5.
Daneben idg. *dŏ in aksl. do ‘bis, zu’.
Lit. da-, perfektivierendes Verbalpräfix, und lett. da ‘bis - zu’, auch Verbalpräf. z. B.in da-iet ‘hinzugehen’, stammen aus dem Slavischen.
en-do: alat. endo, indu ‘in’, lat. nur mehr als Kompositionsglied, z. B. indi-gena, ind-ōles, weitergebildet in hom. τὰ ἔν-δ-ῑνα (richtig ἔνδῐνα) ‘die Eingeweide’, mir. inne ‘ds.’ (*en-d-io-); dagegen wird air. ind- Präp. und Präf. ‘in’ von Thurneysen Grammar 521 als nach in- umgefärbte Entsprechung von gall. ande betrachtet und weiter von Pedersen KG. I 450 mit got. und ‘bis’, ai. ádhi verbunden; und gr. ἔνδο-θι ‘drinnen’, ἔνδο-θεν ‘von innen’ sind wie lesb. dor. ἔνδοι nach οἴκο-θι, -θεν, -ι aus ἔν-δον umgebildet, s. *dem- ‘bauen’; hitt. an-da ‘in’ ans *en-do(oder *n̥-do?), Pedersen Hitt. 166. Hingegen ist das Adverbial- und Prädikatsnomenzeichen air. in(d), abret. in, mcymr. yn wohl Instrumental des Artikels; s. ferner Thurneysen Grammar 239.
(wie wohl ein Instr. der Erstreckung) in lat. ‘von - weg, von - herab, in betreff’, falisk. de (daneben osk. dat ‘dē’ (für *dād, mit t nach post, pert usw.; osk.-umbr. *dād ist wohl Ersatz für * nach ehtrād usw., bzw. nach dem ablativisch umgeformten Instr. (d), ō(d):ād); als Präverb in da[da]d ‘dedat’, dadíkatted ‘dedicavit’, umbr. daetom ‘delictum’; dazu Komp. lat. dēterior ‘minder gut, schlechter’, Sup. dēterrimus, dēmum (altlat. auch dēmus) ‘eben, nun, erst’ (‘*zu unterst’ - ‘zuletzt, endlich’), dēnique ‘und nun gar, und dann, endlich’;
air. (daneben de aus idg. dĕ, womit vielleicht gall. βρατου-δε ‘e judicio’ gleichzusetzen ist), acymr. di, ncymr. y, i, corn. the, bret. di ‘von - herab, von - weg’, auch als Privativpartikel (z. B. acymr. di-auc ‘segnem’, wie lat. dēbilis; steigernd air. dī-mōr ‘sehrgroß’ wie lat. dēmagis)
Die Bed ‘von - herab, von - weg’ dieser mit gr. δή, δέ formell gleichen Partikel ist wohl erst eine gemeinsame Neuerung der Kelten und Italiker; auch der Germanen? (Holthausen KZ. 47, 308: ahd. zādal ‘Armut, Not’ aus *dē-tlom, von *dē ‘von - weg’, wie wādal ‘arm’ : lat. vē?).
Zu unserem Stamme gehört auch der Ausgang folgender Adverbialgruppen: ai. tadā́ ‘dann’, av. taδa ‘dann’, lit. tadà ‘dann’; ai. kadā́ ‘wann?’, av. kadā, jav. kaδa ‘wann?’, lit. kadà ‘wann’; ai. yadā́ ‘wann, als’, av. yadā, jav. yaδa ‘wann’, aksl. jeda ‘wann’ (vgl auch ai. yadi ‘wenn’, apers. yadiy, av. yeδi, yeiδi ‘zur Zeit als’ und av. yaδāt ‘woher’); ai. idā́ ‘jetzt’; auch die slav. Bildungen wie russ. kudá ‘wohin’, aksl. kądu, kądě ‘woher’, nikъda-že ‘nunquam’, poln. dokąd ‘wohin’, aksl. tądě ‘von dort’, sądu ‘von hier’ u. dgl., die aber auch idg. dh enthalten könnten.
Ein verwandter St. *di vielleicht in dem enklit. iran. Akk. av. apers. dim ‘ihn, sie’, av. dit ‘es’, diš Pl. m. f., Pl. n., und apr. Akk. Sg. din, dien ‘ihn, sie’ (usw.); vgl. aber Meillet MSL 19, 53 f.

WP. I 769 ff., WH. I 325 f., 339 f., 370 f., 694, 859, Schwyzer Gr. Gr. I 624 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal