Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tas - (stapel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tas3* [stapel] {1285 in de betekenis ‘hoop, stapel; van levende wezens: troep’} verwant met middelnederlands tedden [strooien, i.h.b. mest over het land], oudhoogduits zetten [idem], gotisch ungatass [ongeordend]; hypothetisch is het verband met grieks dateomai [ik verdeel], oudindisch dayate [hij verdeelt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tas 1 znw. m., ‘stapel’, mnl. tasse, tas m. ‘hoop, menigte (ook van mensen)’, mnd. tas ‘bewaarplaats voor het geoogste koren’ (alleen in het westelijk gebied; waar het voorkomt in de Mark als ‘schuurvak voor het koren’ is het overgenomen van nederl. kolonisten, zie H. Teuchert, Sprachreste 1944, 281-3 met kaart). Vgl. verder nog mnl. ghetes ‘geschikt, gedwee, aangenaam’, got. ungatass ‘ongeregeld’. — Indien men -ss- opvat als ontstaan < -þþ- dan kan men aanknopen aan ohd. zetten ‘strooien, bemesten’ en verder on. tað ‘uitgespreide mest’, taða ‘gemeste weide’, teðja ‘bemesten’.

Men verbindt deze groep gewoonlijk met gr. datéomai ‘uitdelen, verdelen’ (IEW 178), en dus van een idg. wt. *dā: *dǝ ‘verdelen’ (IEW 178). Een grondwoord met een bet. ‘uitspreiden’ zou beter voldoen, want men heeft enerzijds het uitspreiden van het koren in lagen om een tas te vormen, anderzijds het uitspreiden van de mest.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tas I (stapel), mnl. tas (ss) m. “hoop, menigte (ook van menschen)”. = mnd. tas (ss) (m.?) “bewaarplaats voor ’t geoogste koren”. Vgl. got. un-ga-tass “ongeregeld”, mnl. ghe-tes “geschikt, gedwee, aangenaam”. Evenals wijs met ss > idg. tt en met ohd. zetten “strooien, uitspreiden”, wellicht ook met on. tað o. “mest”, teðja, mnl. tedden “bemesten” verwant: we moeten dan uitgaan van een basis germ. taþ-, tað- “uitspreiden, schikken” < idg. dat- of dǝt-, waarvan ook gr. datéomai “ik verdeel”; idg. dăt-, dǝt- is uit dâ- (dă-, ) verlengd. Aan die verlenging ligt ’t verl. deelw. (oi. ditá- “gesneden, verdeeld”, gr. á-datos· adiaíretos Hes.) ten grondslag. Zie vooral tijd. Uit ’t Germ. fr. tas “stapel” > meng. tas “id.”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] tas I. Mnl. tedden = “strooien (mest over ’t land)”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tas I (stapel). Mnd. tas is uitsluitend westelijk; waar het nnd. ook oostelijk voorkomt (vooral Brandenburg), is het wsch. door nederl. immigranten meegebracht. Teuchert ZsfdeuMua. 18, 182 vlg. Vgl. hermoes Suppl. Mnl. tedden (éénmaal, 1432) = ‘strooien (mest over het land)’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tas 2 m. (hoop), Mnl. tas + Ndd. tas, Mnl. ghetes = geschikt, Go. ungatass = ordeloos: Idg. wrt. da: Gr. dateĩsthai - verdeelen, verwant met den wortel van tijd. Uit het Germ. komt Fr. tas.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

das zn. m.: verheven vloer in herberg of schuur. Var. van tas (zie i.v.).

tas, das zn. m.: bergplaats voor graanschoven, hooi in de schuur; de er opgeslagen voorraad; (dan ook) hogere vloer in herberg. De oorspr. bet. is die van Mnl. tas ‘hoop, stapel’, Ndl. tas ‘stapel’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tas ‘hoop, stapel; (gewestelijk) benaming voor de afgeschutte ruimten in een schuur waar de veldproducten geborgen worden’ -> Duits dialect Taß, Tass, Das ‘hoop, stapel; afgeschutte ruimten in een schuur waar de veldproducten geborgen worden’; Frans tas ‘hoop (menigte, berg, stapel); werk in aanbouw; handaambeeld’ Frankisch.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tas* stapel 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal