Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tas - (buidel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

tas 1 zn. ‘zak’
Mnl. tas(s)che, tes(s)che ‘buidel, zak die in een kledingstuk is genaaid’ in Dien brief stac hi ins jongelinx tasse ‘hij stak de brief in de reistas van de jongeman’ [1300-25; MNW-R], buerzen ende tasschen, aessacken van siden ende van ledere ‘buidels, tassen en knapzakken (van leer)’ [1350-1400; MNW-P], datse niet draghen en souden in den weghe dan allene ene roede, noch tessche, noch broet ‘dat ze onderweg niets mee zouden nemen dan alleen een stok, ook geen reiszak of brood’ (zie Marcus 6:8) [1380-1400; MNW-P]; vnnl. tessche ‘tas, zak’ [1573; Thes.], tassche, tessche ‘id.’ [1574; Kil.], tas ‘zak, buidel’ [1613; iWNT].
Mnd. tasche ‘buidel, reistas’; ohd. tasca ‘id.’ [9e eeuw; Kluge] (nhd. Tasche ‘tas’); on. (wrsch. door ontlening aan het mnd.) taska ‘tas’ (nzw. taska). Daarnaast in het Frans en het Italiaans: Oudfrans (oostelijk) tasche ‘buidel’ [eind 11e eeuw; TLF tassette], tachette ‘buideltje’ [1328; TLF tassette], (Nieuwfrans met verkleiningsachtervoegsel tassette ‘dijstuk van een harnas’), Middelfrans (noordelijk) taisse [1350-1400; MNW-P]; Italiaans tasca ‘geldbuidel’ [1300-13; DELI] (nu ‘zak in een kledingstuk’).
Herkomst onbekend. Ook de verhouding tussen de Romaanse en Germaanse woorden is onzeker (Kluge). Gezien de Hoogduitse t-, dus zonder de Hoogduitse klankverschuiving, zou men ontlening aan het Romaans moeten veronderstellen. Men denkt dan aan vulgair Latijn *tasca ‘opgedragen taak’ (zie → taak) met een betekenisontwikkeling via ‘beloning voor een vervulde taak’ naar ‘buidel waarin de beloning wordt gedaan’ (Kluge21). Deze overgang is onwaarschijnlijk (NEW, FEW, Pfeifer); de Romaanse woorden zijn wrsch. aan het Oudhoogduits ontleend (en Middelfrans taisse misschien aan het Middelnederlands).
Neemt men Germaanse oorsprong aan, dan lijkt herkomst uit pie. *dhə-skā (Pisani 1976, bij de wortel *dheh1- ‘leggen, plaatsen’ van → doen) in elk geval uitgesloten (Toll.), want pie. *dh > pgm. *d. Men kan ook uitgaan van Nederduitse oorsprong en van verwantschap met nnd. tasen ‘uitvezelen, uitplukken’ en nno. tasa ‘id.’ (NEW, Toll., Pfeifer), waarbij wordt gedacht aan uit bastvezels gevlochten manden.
Lit.: V. Pisani (1976), ‘Tasche und Flasche’, in: Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung 90, 18-19

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tas1* [buidel] {tas(s)ch(e) 1291} middelnederduits tasche, oudhoogduits, oudnoors taska; etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tas 2 znw. v., ‘beurs’, mnl. tassce, tessce ‘zak, tas, geldbeurs’, mnd. tasche, ohd. tasca (nhd. tasche), on. taska. Indien men het noordgerm. woord als ontl. beschouwt (wat intussen niet door allen aangenomen wordt, vgl. Torp Wb. 773), dan kan men vaststellen, dat het alleen continentaal westgerm. is en vandaar uit ontleend is in Toscane, Corsica en Ligurië als tasca. — Maar het woord is zelf waarsch. uit het Romaans overgenomen en wel van vulg. lat. *tasca, dat reeds bij taak besproken is; uit de opgelegde dagtaak zou dan ontstaan zijn ‘de beloning voor het gedane werk’ en dan ‘de geldzak, waarin het loon werd meegenomen’. (Kluge-Mitzka 771). Deze gedachtengang lijkt wel wat al te zeer geïnspireerd door het moderne begrip van het ‘loonzakje’.

Men kan ook uitgaan van een oorspr. germ. woord en dan bestaat er een mogelijkheid aan te knopen aan nnd. tasen, nnoorw. tasa ‘uitvezelen’ (zie: tezen); men heeft daarbij gedacht aan uit bastvezels gevlochten manden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tasch znw., mnl. tassce v. (en tessce, nog dial.; vgl. flesch) “zak, tasch, geldbeurs”. = ohd. tasca (nhd. tasche), mnd. tasche, on. taska v. “zak”. Oorsprong onzeker. De hd. t kan aan ontl. uit ’t Ndd. (onwsch.) of uit ’t Rom. worden toegeschreven (vgl. it. tasca, fr. dial. tasque, tasse enz.), maar dan is ’t wsch., dat al de germ. vormen uit ’t Rom. komen (bij lat. *taxicâre? Zie tasten. Onzeker).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tasch v., Mnl. tassce + Ohd. tasca (Mhd. tasche, Nhd. id.), On. taska: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1tas s.nw.
Sak om onmiddellike benodigdhede soos boeke en klere in te dra of te bêre.
Uit Ndl. tas (al Mnl.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tas ‘buidel’ -> Fries tas ‘buidel’; Deens taske ‘buidel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors taske ‘buidel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds taska ‘buidel’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins tasku ‘grote buidel’ <via Zweeds>; Frans tassette ‘dijstuk van een harnas’; Indonesisch tas ‘buidel’; Ambons-Maleis tas ‘buidel’; Balinees tas ‘buidel’; Jakartaans-Maleis tas ‘leren draagtas’; Javaans tas ‘buidel’; Madoerees ēttas ‘draagtas’; Makassaars tâs, tâsá ‘damestasje’; Menadonees tas ‘buidel’; Minangkabaus tas ‘buidel’; Muna tasi ‘handtas’; Papiaments tas ‘buidel’; Sranantongo tas ‘handtas’; Aucaans tasi ‘buidel’; Sarnami tás ‘buidel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tas* buidel 1291 [CG I3, 1569]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal