Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tarbot - (platvis (Psetta maxima))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

tarbot zn. ‘platvis (Psetta maxima)’
Mnl. tarbot, tarrebot ‘zekere vis’ in tarrebotten ... daer boven een duyt ‘tarbot een duit meer’ [1448; MNW]; vnnl. tarbot, tarrebot ‘vis’ in oesters noch tarrebot [1653; WNT], uitstekend goede Tarbot [1698; WNT].
Wrsch. ontleend aan Frans turbot [ca. 1211; TLF], ouder turbuz (mv.) [ca. 1140; TLF], waarvan de verdere herkomst omstreden is. Dat het Franse woord van Scandinavische oorsprong zou zijn (FEW), waarbij verwezen wordt naar Oudnoords *þorn-butr of Oudzweeds *törnbut ‘tarbot’, van törn ‘doorn, vin’ en but ‘platvis, bot’, is volgens Toll. uitgesloten: Deens botte, butte, botte en Zweeds butta ‘bot, platvis’ zijn ontleend aan Nederduits but(te) of aan het Nederlands, zie → bot 2. Frans turbut, turbot wordt wel afgeleid van middeleeuws Latijn turbo (genitief turbinis) ‘tol’, verwant met klassiek Latijn turba ‘draaiing, woeling’, zie → turbulent, vanwege de ronde vorm van de vis; in het klassiek Latijn betekende rhombus ook zowel ‘tol’ als ‘tarbot’. De -u- die voor de klemtoon lag, veranderde in -a-, waarvan het accent naar de eerste lettergreep verschoof.
Dat tarbot niet ontleend zou zijn, maar in het Nederlands gevormd uit tar, ter(re) ‘teer’ en bot ‘platvis’, vanwege de donkere huid van de vis (Vercoullie, WNT), acht Toll. eveneens onwaarschijnlijk, omdat het eerste lid dan ter(re)- zou moeten zijn, de vrijwel algemene Middelnederlandse, ook Hollandse, vorm voor teer, vergelijk West-Vlaams algemeen terrebut, ook Gents terbot, en Kiliaan terbot, tarbot. Ook de late overlevering van het woord pleit voor ontlening uit het Frans.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tarbot [grote bot] {tar(re)bot, tar(re)but 1448} < frans turbot, van scandinavische herkomst, vgl. oudnoors þorn [doorn], butr [bot], vgl. hoogduits Dornbutt, engels thornback.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tarbot znw. m., mnl. tar(re)-, torre-, tarve-bot of -but, Kiliaen tarbot, terbot, turbot, nnd. tarbut gewoonlijk beschouwd als ontl. < fra. turbot (sedert de 12de eeuw) met overgang van u > a (vgl. ook kantoor). Schuchardt ZfromPh. 25, 349 wil dit woord verklaren uit een aan nhd. dornbutte beantwoordend, maar niet overgeleverd *törnbut; de vis zou dan naar de hoornachtige knobbeltjes onder de huid genoemd zijn. Het is echter bevreemdend, dat reeds in de 12de eeuw een zweeds woord in het Frans zou zijn overgenomen.

Dan zou men eerder een ontl. aan het nnl. verwachten, maar de mnl. vormen laten zich zelf moeilijk verklaren. Vercoullie, Med. Vl. AW 1921, 166-7 houdt het eerste lid voor het woord teer 1 en denkt dat de vis naar de donkere bovenhuid genoemd zou zijn; dit is hoogst onzeker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tarbot znw., ndd. tarbut, Kil. tarbot, terbot, turbot, mnl. tar(re)-, torre-, tarvebot, -but m. Als al deze vormen op fr. turbot (> eng. turbot) “tarbot” teruggaan, had het woord oudnnl. nog eindbetoning (voor ’t vocalisme vgl. dan kantoor); de toon kan teruggetrokken zijn, doordat men in tarbot een samenst. van bot I voelde. Fr. turbot wordt gew. van lat. turbo “draaiing” afgeleid. ’t Zou ook uit ’t Germ. kunnen komen: in dat geval zou ndl. tarbot als een ospr. germ. samenst. te beschouwen zijn, — met onverklaard eerste lid.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

tarbot. Vercoullie (o.a. Bull. Acad. roy. de Belgique, Classe des Lettres, 5e série t. XIV, 30) ziet in het 1e lid tar = teer I: de vis zou dan naar de donkere bovenhuid zijn genoemd; onzeker. Mocht echter deze hypothese juist, en dus tarbot een vanouds ndl. woord zijn, dan kan fr. turbot, sedert Schuchardt ZsfromPhil. 25, 349 gewoonlijk uit het Scand. afgeleid (uit een niet overgeleverde de. zw. correspondent van hd. dornbutte), ook aan het Ndl. ontleend zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tarbot v., Vla. terrebut, Mnl. tarre-, torre-, tarve-but: een samenst. met teer 3, wegens de kleur der opperhuid. Hieruit Ofra. tourbout, Nfra. turbot (van waar Eng. tarbot); cf. Fr. pégouse = pikschubbige tong, een afl. van picem = pik.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tarbot (Frans turbot)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tarbot ‘beenvis’ ->? Duits dialect Theerbutt ‘beenvis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tarbot beenvis 1448 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal