Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tactiek - (methode, strategie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

tactiek zn. ‘methode, strategie’
Nnl. tactiek ‘militaire strategie’ in De ZeeTactiek is een weetenschap, om Oorlogs-Vlooten in een orde die te pas komt te schikken, en derzelver beweegingen te bepalen [1767; WNT], Door Taktiek verstaat men in het algemeen de kunst, om troepen te stellen, te bewegen en in het gevecht aan te voeren [1840; WNT], bij overdracht ‘methode om een doel te bereiken’ in Dezelfde taktiek bleven zij (nl. de Staten van Holland) volgen [1862; WNT], ‘methode, strategie’ in voetbal is een spel van taktiek, evenals van kracht en van vlugheid [1909; WNT voetbal].
Ontleend aan Frans tactique ‘strategie, methode om een doel te bereiken’ [1788; TLF], eerder al ‘militair-strategisch inzicht’ [1657-59; TLF], nog eerder ‘militair strateeg’ [1310-20; TLF]; dat woord is zelf, wrsch. zowel via Neolatijn tactica ‘militaire strategieën’ als rechtstreeks, ontleend aan Grieks taktikḗ (tékhnē) ‘kunst van het rangschikken’; daarin is taktikḗ de vrouwelijke vorm van taktikós ‘betreffende rangschikking of volgorde’, vooral met betrekking tot oorlogsstrategieën. Taktikós is een afleiding van tássein ‘rangschikken, ordenen’, waarvan de verdere herkomst onzeker is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tactiek [strategie, gericht beleid] {1833-1848} < frans tactique [idem] < grieks taktikè (technè) [(kunst van) het ordenen, opstellen (mil.)], van tassein (stam takt-) [ordenen, regelen, opstellen] (vgl. syntaxis).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tactiek (Frans tactique)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Tactiek (Gr. taktikê); eig. opstellingsleer; bij ons: krijgskunde. De “elementaire” taktiek houdt zich bezig met de opleiding (vorming) der recruten tot soldaten, het behandelen van de verschillende wapens, de verschillende wijzen van vechten en de opstelling der troepen; dat alles wordt door “exercitie” verkregen. De “toegepaste” taktiek leert, hoe het voorgaande in practijk moet worden gebracht ten opzichte van het terrein en den vijand en vooral – als hoofdzaak van tactiek – op welke wijze het gevecht moet geschieden. De oefeningen der toegepaste tactiek heeten op kleinere schaal “velddienstoefeningen” en op grootere manoeuvres.
Overdrachtelijk beteekent tactiek: handelwijze, berekening, fijn overleg.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

tactiek ‘strategie, gericht beleid’ -> Indonesisch taktik ‘strategie, gericht beleid’; Menadonees taktik ‘strategie, gericht beleid’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tactiek strategie, gericht beleid 1767 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal