Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

tact - (gevoel voor wat passend is)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

tact zn. ‘gevoel voor wat passend is’
Nnl. tact ‘gevoel, gevoeligheid’ in voor minder fijnen tact ... niet merkbaar [1826; WNT wind I], ‘fijngevoeligheid, kiesheid’ in Een gelukkige tact ..., die men anderen ... niet leeren ... kan [1838; WNT], volslagen gemis aan politieke tact [1869; WNT volslagen], een werkelijk kiesch, fijn-voelend mensch, iemand van tact en goeden smaak [1902; WNT], een zekeren tact om met spelers ... om te gaan [1909; WNT].
Ontleend aan Frans tact ‘fijngevoeligheid, discretie’ [1757; TLF], eerder al ‘scherp beoordelingsvermogen’ [1751; TLF], nog eerder ‘tastzin’ [1376; TLF]; dat woord is zelf ontleend aan Latijn tāctus ‘aanraking; tastzin, gevoel’, afleiding van tangere (verl.deelw. tāctum) ‘aanraken’, zie → tangens.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

tact [gevoel voor wat passend is] {1816} < frans tact [idem] < latijn tactus [aanraking, invloed, gevoel], van tangere (verl. deelw. tactum) [aanraken, betasten, indruk maken op, treffen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tact znw. m., eerst nnl. < fra. tact < lat. tactus ‘tastzin’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tact znw. Nnl. uit fr. tact (< lat. tactus).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

tak (zn.) gevoel voor wat passend is, tact; Nuinederlands tact <1826>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

takt s.nw.
1. Sensitiwiteit vir wat in 'n situasie gepas is. 2. Vermoë om in sosiale verkeer potensiële konflikte te ontlont.
Uit Ndl. tact (1816 in bet. 1 en 2).
Ndl. tact is 'n laat ontlening aan Fr. tact.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

tact (Frans tact)

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

takt. ― Gevoel hebben voor hetgeen passend is, is tact hebben, en iets met tact doen, is iets met oordeel en kieschheid doen; maar Takt beteekent in het Duitsch ook maat, maatslag, en dat is hieronder nagevolgd. In plaats van marschtakt zegt men dus marschmaat.
|| Vooral de effectvolle aanhef voor trompetten ... en zeker allerschoonst motief, met begeleiding van trommels, herinnerende in zijnen schwungvollen marschtakt aan eenen grootschen volksoptocht naar Memlincs beeld, wekten aller bewondering, Pol de Mont in De Toekomst, 34, 377.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

tact gevoel voor wat passend is 1838 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal