Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

taaitaai - (koek)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Wie zoet is ...

De gewoonte om met Sinterklaas je schoen te zetten in de hoop dat die gevuld wordt met lekkers, bestaat al sinds de zestiende eeuw. Waaruit die “snoeperie” of “slickermicken” – zoals de schrijver G.A. Bredero het noemt – vroeger bestond, is te lezen in zijn blijspel Moortje uit 1615. De min Geertruy vertelt daarin wat haar zoon allemaal in zijn schoen vond: “Hielle peper-huysjes met suycker-erretten, met kabbeljaus ooghen, en kappittel-stocken”, oftewel: ‘hele papieren zakjes met suikererwten, kabeljauwsogen, en kapittelstokjes’: kabeljauwsogen was net als suikererwten de naam voor suikerbolletjes, kapittelstokjes voor staafjes anijs of stukjes amandel met suiker.
Andere lekkernijen die van oudsher door jong en oud met Sinterklaas werden gegeten, waren ‘amandelbrood’, ‘honingkoeken’ en ‘klaaskoek’ of ‘klaasjes’, en figuren van marsepein. In Brood- en gebakvormen en hunne beteekenis in de folklore (1932) vertelt J.H. Nannings dat in een Amsterdamse koekwinkel in de zeventiende eeuw in de sinterklaastijd de volgende producten te vinden waren: “kruidkoek, anijskoek, snipperkoek, sukadekoek, gerstekoek, krentenkoek, rozijnenkoek, mangelkoek, confijtekoek, hijlikmakers, benistekoek, keuningskoek, stroopkoek, heuningkoek, boterkoek, bagijnenkoek, claeskoek, kerskoek, jaepjeskoek en fonteinkoek”.
In de zeventiende eeuw won het protestantisme hier terrein. De calvinisten verzetten zich tegen de verering van de goedgeefse bisschop, die immers een katholieke heilige was. In Delft werd het in 1600 verboden op Sint-Nicolaasavond kramen op te zetten “in welcke cramen vercogt worden verscheydene goederen die men den cleynen kinderen dyets maeckt dat den zelfden Nicolaes hemluyden geeft; ’t welck (...) is (...) streckende tot wangelooff, superstitie en afgoderye.” Maar evenmin als de paaseieren en het paasbrood konden de lekkernijen van de Sint door de puriteinen worden uitgedreven.
Integendeel: in de loop van de achttiende eeuw daalde de prijs van suiker, waardoor deze zoetigheden voor steeds meer mensen betaalbaar werden. Bakkers die zich hadden gespecialiseerd in zoete waren, legden hun middeleeuwse naam suikerbakkers af en gingen zich voortaan banketbakkers noemen. In deze periode ging men de naam banket gebruiken voor ‘zoete spijzen’ – eerder duidde banket, eigenlijk een bankje, dat wil zeggen een zitplaats, een hartig feestmaal aan (waarbij men aanzit). Het werd mode om thuis koffie en thee te drinken, die men zoette met suiker en nuttigde met een koekje of stukje banket erbij. In het Nederlands spitste de betekenis van banket zich hierbij verder toe tot ‘met amandelspijs gevuld gebak’.

Taaitaai
Het snoepgoed van de Sint veranderde in de achttiende eeuw zowel van vorm als van naam. Honingkoek werd opgevolgd door een van roggemeel met stroop gebakken bruine koek, die (vanwege de taaiheid) ‘taaitaai’ werd genoemd. Taaitaai werd het hele jaar door bij de koffie of de thee gegeten, maar in de sinterklaastijd was het gebruik de koeken in de vorm van poppen te bakken. Deze werden door de kopers verguld, geglazuurd of op andere wijze versierd en cadeau gedaan aan geliefde personen (vandaar de benamingen vrijers en vrijsters). De Sint was immers ook de beschermheilige van de trouwgrage mensen.

Speculaas
In plaats van ‘klaasjes’ of ‘klaaskoeken’ ging men in de achttiende eeuw ‘speculaasjes’ of ‘speculaaspoppen’ eten, waarvan de receptuur veel leek op die van klaasjes. De oudste naam van dit gebak was speculatie, een woord dat al bestond in de betekenis ‘overdenking, bespiegeling’ en ‘welbehagen’. In de achttiende eeuw ging men dit woord overdrachtelijk gebruiken voor het gebak – ófwel in de zin van ‘gebak voor fijnproevers’, ófwel als ‘fantasiegoed’. Het woord speculaas is vermoedelijk ontstaan doordat men nevenvormen als speculacie en speculasie ging opvatten als verkleinwoord. Op dezelfde wijze is het woord relaas ontstaan uit relatie.

Chocoladeletters
Het gebruik van letters als educatief snoepgoed om het alfabet te leren is al eeuwenoud. In 1797 beschrijft Catharina Zierikhoven in het Volkoomen Neerlandsch kookkunstig woordenboek allerlei “letter-koeken”. In haar tijd werd het met Sinterklaas gebruikelijk lekkernijen in de vorm van letters te bakken, die het oudere amandelbrood vervingen. In de negentiende eeuw leidde het bakken van letters van verschillende ingrediënten tot allerlei varianten met nieuwe namen: banketletter, gevulde letter, boterletter, amandelletter, marsepeinletter en chocoladeletter. Vooral die laatste blijkt rond 1900 zijn plaats in de kinderziel definitief te hebben veroverd: “St Nicolaas is toch in de eerste plaats een kinderfeest. Kieltjes en broekjes laten dat grut koud. Een marsepijnen hart, een chocoladeletter is meer van hun gading.” (Bataviaasch Handelsblad, 2 december 1893). In 1899 omschreven Taco de Beer en E. Laurillard in Woordenschat chocoladeletters als “groote, lange, zwarte letters, waarmede de naam van een artist of leverancier op aanplakbiljet, affiche enz. staat uitgedrukt.” De benaming van het snoepgoed was toen al zó bekend dat deze kon worden toegepast op de typografie. Voer voor taalliefhebbers.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2014), ‘Wie zoet is...’, in: Onze Taal 12, 347]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

taaitaai zn. (NN) ‘koek’
Nnl. Taai-taai ‘soort taaie koek’ [1787; iWNT], taaitaai [1954; WL].
Geredupliceerde vorm van → taai.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

taaitaai* [koek] {1787-1789} geredupliceerde vorm van taai [koek], dat een zelfstandig gebruik is van het bn. taai.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

taai 2 znw. o. ‘koeksoort; stroopballetje’ is substantivering van taai 1. Daarnaast staat taai-taai, een geredupliceerde vorm, die men niet als uitgangspunt van de koeknaam taai behoeft te beschouwen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

taai II znw. (de, het), is wellicht verkort uit taai-taai (de, het), het geredupliceerde bnw. taai. Of is de niet geredupliceerde vorm ouder (vgl. N.Holl. taai “vierkant suikerballetje”)?

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

taaitaai* koek 1787-1789 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal