Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

synagoge - (joods godshuis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

synagoge zn. ‘joods godshuis’
Mnl. sinagoge ‘joods gebedshuis’ [1240; Bern.], Vp eenen andren saterdach ... Quam ihesus in die sẏnagoge [1285; VMNW], ‘joodse gemeenschap’ in verbannen vter synagogen ‘uit de joodse gemeenschap verstoten’ [1291-1300; VMNW]; sinagoge van sathan [1521; Stall.]; vnnl. synagoge ‘joodse gemeente, joods gebedshuis’ in Daer quam een van de Overste der Synagoge, met name Jaïrus [1637; WNT].
Ontleend, mogelijk mede via Frans synagogue ‘joodse religieuze samenkomst’ [1269-78; TLF], ouder synagoige ‘de joodse bevolkingsgroep’ [eind 12e eeuw; TLF], sinagoge ‘niet-christelijke bedeplaats’ [ca. 1100; TLF], aan Laatlatijn synagoga ‘congregatie van joden’, dat zelf ontleend is aan Grieks sunagōgḗ ‘plaats van samenkomst’ letterlijk ‘samenkomst, verzameling’; dat woord is een afleiding van het ww. sunágein ‘samenbrengen, verzamelen’, gevormd uit sun- ‘samen, tegelijk’, zie → synthese, en ágein ‘brengen, leiden’, verwant met → ageren.
Het Griekse woord is wrsch. de vertaling van Misjna-Hebreeuws kaneseþ ‘samenkomst, plaats van samenkomst, synagoge’. In het Modern Hebreeuws is ha-Knesset ‘de samenkomst, de vergadering’ de naam voor het Israëlische parlement, terwijl een synagoge wordt aangeduid met beet (ha)-knesset ‘(het) huis van (de) samenkomst’, wat al een oude uitdrukking is (vergelijk Jiddisch beis (ha)-knesset).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

synagoge, synagoog [Israëlitische kerk] {sinagoge 1285, synagoghe ca. 1483} < latijn synagoga [vergadering, vergaderplaats, synagoge] < grieks sunagōgè [het bijeenbrengen, vergadering, synagoge in Nieuwtestamentische taal], van sunagein [samenbrengen, een vergadering beleggen], van sun [samen] + agein [voeren, leiden, laten komen].

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

synagoge v., door Lat. uit Gr. sunagōgḗ = vergadering, van sún = samen en ágein = drijven (z. akker).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

sinagoge s.nw.
1. Godsdienstige byeenkoms van die Joodse gemeente. 2. Joodse kerkgebou, tempel.
Uit Ndl. synagoge (al Mnl.).
Ndl. synagoge uit Oudfrans sinagoge uit Latyn synagoga uit Grieks sunagoge 'samekoms' van sunagein 'byeenbring, 'n vergadering belê', met lg. van sun 'saam' en agein 'bring'.
D. Synagoge, Eng. synagogue, It. sinagoga, Port. sinagoga, Sp. sinagoga.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sinagoge: Joodse kerk/tempel; Ndl. synagoge/synagoog, Hd. synagoge, Eng. synagogue, via Ofr. sinagoge uit Ll. synagoga uit Gr. sunagōgê (sun, “saam”, agein, “bring”).

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

synagoge [sinachoo’che] (mv.: -n, -s), cinagogie, sijnagoge, sinagoge, sinagogue, synagoghe, synagoog: 1) de joodse eredienst (i.t.t. de christelijke); 2) Godsdienstige bijeenkomst of kerkelijke gemeente; 3) plaats, gebouw van samenkomst, studie (leerhuis) en gebed (joodse ‘kerk’); huissynagoge: in een woonhuis gevestigde synagoge; ringsynagoge: belangrijkste synagoge (de andere heten bijsynagogen of bijkerken) van een synagogale ring of kerkgang, het rechtsgebied dat een deel vormt van het synagogaal ressort van een hoofdsynagoge of corresponderende synagoge; synagogaal: betrekking hebbend op een synagoge; synagogaal ressort: gebied waarvan de kerkelijke gemeenten onder één hoofdbestuur staan | < Lat. synagoga < Gr. sunagogè, van sunagein: samenbrengen, vergaderen.

— Alzoo heeft de lofzanghen in den dienst Godts ghebruuct die sinagoghe; want den helighen Davidt ... heeft veel zanghers ten dienste Godts inghestelt, ende ghewilt dat tghemene volck in den tempel Godts in alder stilheijt zwijghen zoude. (M. VAN VAERNEWIJCK, 1566)
— Jy zult haast uit de Sinagoog gebannen worden, Jy bent al half suspect en apocrief. (DE GEWAANDE WEUWENAAR, 1709)
— Mijn man zaliger, die predikant te Kokengen was, heeft mij meermalen gezegd, dat het de Joden hier te land nog veel te goed hadden; want dat de vloek hier maar gedeeltelijk aan hun voltrokken werd. Hij had een’ verbazenden hinder, als hij den Jodenhoek in zijn geboorte stad (want mijn man was een Amsterdammer) doorging en daar die Synagogen zien moest...”O Truitje! Truitje!” zeide hij eens tegen mij, “stap wat voort, stap wat voort, want die kerken zijn doornen in mijn oogen. Het verwondert mij, dat de toorn des Heeren ze niet verdelgt.” [A. Loosjes Pzn., Historie van Mejuffrouw Susanna Bronkhorst, 1807] (MOZES HEIMAN GANS, 1971)
— Er zullen binnen de Verëenigde Nederlanden bestaan twaalf corresponderende of Hoofd-Synagogen. (KONINGRIJK DER NEDERLANDEN, 1820)
— De Portugeesche Synagoge te Amsterdam, zal, behalve die stad, bevatten de Portugeesche Israëliten van Maarssen, Naarden en Vreeland, (KONINGRIJK DER NEDERLANDEN, 1820)
— Het synagogaal ressort van iedere hoofd-synagoge, bestaat uit de hoofdsynagoge en deszelfs ring, mitsgaders uit de daaronder ressorterende ringsynagogen en bijsynagogen of bijkerken [...] In iedere synagogale ring zal ééne ringsynagoge en een onbepaald getal bijsynagogen of bijkerken worden gevestigd, (KONINGRIJK DER NEDERLANDEN, 1821)
— Vader kwam naar buiten gelopen. “Is ’t nou uut of niet... godverdomme nog ies toe!” donderde-ie tegen Jette en greep haar bij de arm. “Verdomde meid, goa noar binnen, ‘k wil ’t gedonder niet langer ‘ebben, ieje ook Sam, allo! ‘k Wachte op oe um noa schoele te goan!” “Nah! Mozes mut toch noa de Snoge!” dreig-speelde vlak voor Sam ’n jongen, “wat loàt-ie an Moses nou whachten!” “Jah!” riep een ander, “ie ‘euren toch fherdomme wel, asdat-ie noar de Shieneghoghe mut, ghoddeloze fhent, maak dan fhoorde!” (SAM. GOUDSMIT, 1907)
— Als de sprekende film zijn intrede doet, ligt de hele wereld in een appelflauwte, zo mooi vindt iedereen Al Johnson in ‘Sunny Boy’. Onder ons gezegd en gezwegen, de film lijdt aan een spraakgebrek, want de letters s en f zijn nog te moeilijk voor de luidspreker. Ome Jozep echter heeft soevereine maling aan de bijgoochem van de filmkritiek. Hij weet, dat Al Johnson een Mexicaan is; het verhaal van de film is trouwens ook niet bepaald antisemitisch. Als een nieuwe filmweek vrijdagmiddag begint, zit de zaal vol met het vaste publiek. Van buiten mag de Tsip Tsop dan beslist geen wonder van architectuur zijn, als de vierhonderdvijftig keurmeesters die vrijdag de zaal betreden, zien ze, dat ome Jozep het interieur eventjes heeft laten veranderen. Een synagoge. Een cine-goge! Het toneeldoek is vervangen door twee prachtig beschilderde openslaande deuren. Daarachter heeft zich het koor opgesteld, dat de keurmeesters met fraaie synagogale en wereldse liederen in de vereiste stemming brengt. De hele zaal zingt mee. Kol Nidrei en de melodieën van Chanoeka. Wie zo vakkundig is ingezeept, heeft geen oor meer voor de spraakgebreken van de barbier. (MEYER SLUYSER, 1962)
— Als men een verwoeste synagoge ziet zegt men: baroech dajan ha-emmet (geloofd zijt gij, rechter der rechtvaardigheid). Als men een verwoeste synagoge ziet die herbouwd is zegt men: baroech matsiew gewoel (geloofd zijt gij, die de grens van de weduwe (Israël) herstelt. (SAUL VAN MESSEL, 1982)
— Samen met de kleinere joodse gemeenten in de omgeving, de zogenaamde ringsynagogen, vormde een hoofdsynagoge een synagogaal ressort. (J. M. LEMMENS, 1990)
— Voor 1800 werden de Joden in Nederland gezien als een ander volk, dat in de toekomst weer in het eigen land wilde leven. Na 1800 meende men dat zij opgehouden hadden een volk te midden van een ander volk te zijn en alleen religie waren geworden. Het Jodendom werd nu getypeerd door de synagoge. Zelfs zij in wier persoonlijk leven het gaan ter synagoge reeds lang tot het verleden behoorde bleven toch in die synagoge het voornaamste symbool zien van hun vaak ondefinieerbare trouw aan het Jodendom. (MOZES HEIMAN GANS, 1985)

Zie ook beis hakenesses, jodenkerk, sjoel, smouse kerk, snoge, stiebel

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

synagoge (Latijn synagoga)

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

synagoge < gr. Joods bedehuis.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

synagoge ‘joods bedehuis’ -> Indonesisch sinagog(é) ‘joods bedehuis’; Sranantongo snoga ‘joods bedehuis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

synagoge Israëlitisch bedehuis 1285 [CG Rijmb.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal