Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stumper - (stakker)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stumper zn. ‘stakker’
Mnl. stomper mogelijk in de plaatsnaam Stompartsdijc [1280-87; VMNW] en ‘sukkel’ in onder stompers was oit nijt want elc man om sijn winnen tijt ‘onder sukkels was altijd jalouzie, want iedereen is op zijn eigen voordeel uit’ [1287; VMNW], stumper ‘stakker’ [1477; MNW]; vnnl. stompert ‘sukkel’ [1627; iWNT stomper], Hier is een arm Stumper afgeschildert [1648; iWNT vlim].
Afleiding van → stomp 1. De vormen met -u-, die pas vanaf de 17e eeuw frequent worden, zijn vermoedelijk overgenomen uit oostelijke dialecten (de bewijsplaats van 1477 is Nederrijns).
Mnd. stümper (waaruit nzw. stympare); mhd stümper (nhd. Stümper); nfri. stumper(t); alle ‘stakker; sukkel’.
De oorspr. betekenis was ‘iemand met een verminkt lichaamsdeel, met een (arm- of been)stomp’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stumper*, stumperd [stakker] {stomper, stumper 1287} van stomp1 [stompje van arm of been], dus eig. verminkte, verminkte bedelaar, of van stompelen [strompelen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stumper, stumperd znw. m., mnl. stomper, stumper ‘sukkel’, Kiliaen stomper (Fris.) ‘stompzinnige, trage, slechte man’, Teuth. stumper, mnd. stumpere ‘stakker’ (> nde. stymper, nzw. stympare), mhd. nhd. stümper. — Het woord is een afl. van stomp en men kan de verklaring dus zoeken in ‘bot, dom, stompzinnig mens’. Kluge-Mitzka 761 denken echter eerder aan een handwerker, die met stompe gereedschappen ongeschikt werkt of aan een kleermaker, die met stofresten broddelt. — Het nl. woord zal wel uit een oostelijk, misschien fries dialect stammen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stumper, stumperd znw., mnl. stomper m. Een oorspr. noordelijk en oostelijk woord: Kil. stomper (“Fris.”) “stompzinnige, trage, slechte man”, Teuth. stumper, mnd. stumpere m. “stumperd”, mhd. (nhd.) stümper m. “id.”; ontl.: de. stymper, zw. stympare. Bij stomp I en stomp I: oorspr. “verminkte, afgestompte”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stumper m., + Hgd. stümper: van stomp 1.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

stumper, stumperd, stumperbumper: beklagenswaardig persoon. Het Middelnederlandse stomper was een afleiding van stomp (stompje been of arm).

En Daniël was bang, de arme stumper was vreeselijk bang… (J.J. Cremer, Daniël Sils, 1856)
Stumper! Dat verbeeldt z’n eige ook een mens te zijn! (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

stumper (Duits Stümper)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

stumpertje Jonge jenever zonder suiker. Deze borrelnaam is onlangs gehoord in onder meer Groningen, Drente, de Achterhoek en Noord-Brabant. De bekendheid ervan moet te maken hebben met de (kroeg)humor die eraan ten grondslag ligt. Stumpertje ontstond namelijk door associatie uit een oudere borrelnaam, te weten jongetje zonder. Een jongetje zonder is een jonge jenever zonder suiker. Maar een jongetje zonder is ook een stumper, dat wil zeggen als men een en ander gekscherend uitlegt als een ‘jongen zonder geslachtsdeel’. Deze verklaring werd door verschillende zegslieden, uit verschillende delen van het land, aangedragen en lijkt onverdacht, ook al omdat dezelfde associatie de borrelnaam tobbertje opleverde.
Zie ook jonge.

[Kocks 1208; Schaars 414]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stumper(d) ‘stakker’ -> Deens stymper ‘stakker’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stymper ‘stakker’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds stympare ‘klungel, knoeier, prutser’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands stumpler ‘stakker’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stumper(d)* stakker 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal