Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stuiten - (tot staan brengen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stuiten ww. ‘tot stilstand komen, tegengehouden worden; tot stilstand komen en weer terugspringen’
Mnl. stutten ‘tot stilstand komen, tegengehouden worden’ in ende zy also quamen sonder ghestudt te zine inde Zuutliede ‘en zij kwamen zo zonder te zijn tegengehouden in de Zuidlede (een water)’ [1438; MNW], stuyten, steuyten ‘id.’ in hi slaetse mitter borsten ende mitten voeten, dat si steuyten ‘hij (een valk) slaat ze met z’n borst en met z‘n poten, zodat ze in hun vaart worden gestuit (1485; MNW stuten]; vnnl. stuyten ’tot stilstand komen en weer terugspringen‘ in stuyten als eenen bal ’terugstuiten als een bal‘ [1573; Thes.], ’stoten tegen‘ [1588; Kil.] en ’afwenden, belemmeren‘ (’holl.‘) [1588; Kil.].
Stutten en stuiten komen wrsch. voort uit verschillende intensiverende vormen bij stoten met elk een eigen verspreidingsgebied. Als reden van het zegevieren van stuiten in de algemene spreektaal ligt het bestaan van een veelgebruikt homoniem → stutten met de betekenis ’steunen‘ voor de hand.
Stutten heeft als onmiddellijke verwanten ohd. (alleen in een samenstelling) erstuzzen ’wegjagen‘ (mhd. stutzen ’wegjagen; terugdeinzen‘, nhd. stutzen ’stokken; afsnijden‘); me. stutten ’tot stilstand komen; stotteren‘; < pgm. *stuttjan-. Daarnaast staan met andere ablauttrap ofri. stēta ’stoten‘ (nfri. stjitte); on. steyta ’krachtig werpen, stoten‘ (nzw. stöta ’stoten, stuiten); < pgm. *stautjan-. Nfri. stuitsje ‘stuiten’ is aan het Nederlands ontleend. Het is onzeker of Nieuwijslands stúta ‘doden’ verwant is, aangezien de betekenis sterk afwijkt van die in de West-Germaanse talen.
Beide werkwoorden hebben als uitgangsbetekenis een intensieve wijze van stoten of werpen, die zich oudtijds heeft verbijzonderd tot ‘door tegen iets aanstoten tegenhouden of tegengehouden worden’.
stuiter zn. ‘grote knikker’. Nnl. in korlen ... zoo groot, als de grootste Castanien, of als een stuiter ‘korrels, zo groot als de grootste kastanjes of als een stuiter’ [1726; iWNT]. Afleiding van stuiten, waarvan de betekenis wrsch. samenhangt met de vorm van het knikkerspel waarbij de knikkers tegen een muur worden gestuit of gebotst (Fries: bosser).
Lit.: J. Schrijnen (1937), Nederlandsche Volkskunde, eerste deel, Nijmegen, 270

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stuiten1* [tot staan brengen] {1573} nevenvorm van stoten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stuiten ww. Kiliaen ‘stoten tegen iets’ (Holl.) ‘afwenden, belemmeren’, (Holl. Fris.) ‘terugspringen’. — Zie verder: stoten.

De verbinding met nijsl. stūta ‘afstompen’ toont aan, dat het niet alleen westgerm. is. Daarentegen is de vaak voorgestelde verbinding met de groep van mhd. stunz ‘stomp, kort’ af te wijzen; zie daarvoor: stuntelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stuiten ww. Kil. vermeldt het met de bett. “stooten tegen iets”, (“Hol.”) “afwenden, belemmeren”, (“Holl. Fris.”) “terugspringen”. ’t Kan = ijsl. stûta “knotten” zijn: voor de bett. vgl. hd. stutzen “schokken, stuiten, knotten” (reeds mhd. stuz, -tzes m. “stoot, het stuiten”). Verder nog on. stuttr “kort”, stytta “korter maken”. Zie ook stuit.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stuiten, heeft ui2 (vgl. spuiten Suppl.), die moeilijk te verklaren is. (Niet overtuigend W.de Vries Meded. Akad. Dl. 65 Serie A no. 3, 28 vlgg.).
On. stuttr, stytta (slot van het art.) hebben wsch. tt < nt: zie bij † stuntelig Suppl.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

stuiten (stuitte, is gestuit), (ook:) vastlopen, blijven steken (ook fig.). Mochten de besprekingen stuiten, dan () (krant 1969). - Etym.: In AN in deze bet. veroud.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stuiten ‘tot staan brengen, terugkaatsen’ ->? Engels stoit ‘terugspringen, stuiteren; strompelen’; Schots stoit; styte ‘terugspringen, stuiteren; waggelen, strompelen; slenteren’; Duits dialect stuiten, stöyten, stäuten, stöiten, stöitern, steuten, staetkn ‘(terug)kaatsen, met een bal tegen de muur gooien; hoogspringen; onbeholpen lopen, kletsen’; Sranantongo stotu ‘tot staan brengen, stutten, stoten; stuitend, ontoelaatbaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stuiten* tot staan brengen 1573 [Plantijn]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

321. Tegen de borst zijn (of stuiten),

d.w.z. niet met iemands aard, neigingen en wenschen strooken, mishagen, niet aanstaan. Tuinman I, 309: ‘'t Is hem tegen de borst, dat wil zeggen, 't is hem tegen zyn hert, zin en genegentheid’. Vergr. fr. à contre-coeur. De uitdr. dateert uit de 17de eeuw; zie Pers, 374 a; Com. Vet. 58 en het Ndl. Wdb. III, 597. In het eng. it goes against my stomach; fri. et is my tsjin 't boarst.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)teu-1 ‘stoßen, schlagen’ u. dgl., mit kons. Erweiterungen

A. (s)teu-k-: gr. τύκος ‘Hammer, Meißel; Streitaxt’, τυκίζω ‘bearbeite Steine’, τυκάνη ‘Dreschvorrichtung’ (bei Hes. τυτάνη); air. toll ‘hohl’, toll ‘Höhle, Loch’ (*tukslo-), cymr. twll ‘foramen’, adj. ‘perforatus’, bret. toull ‘Loch’; wahrscheinlich ahd. dūken ‘drücken, niederdrücken’, ags. ðȳ(a)n, ðēon ‘drücken, zwingen, stechen’ (s. Genaueres u. tu̯eng̑h- ‘bedrängen’);
lett. tukstêt ‘klopfen’, taucêt ‘im Mörser stampfen’, russ.-ksl. istъknǫti ‘effodere’, aksl. tъkati ‘weben, stechen’, usw.;
aisl. styggr ‘zornig, unfreundlich’, nl. stug, älter stugge ‘steif, unfreundlich, abstoßend’ können ursprüngl. ‘abstossend’ und ‘steif’ sein und im letzteren Falle mit lit. stúkti (s. unten) unter steugh- ‘steif dastehen’ vereinigt werden.
B. (s)teu-g-: ai. tujáti, tuñjáti, tunákti ‘drängt, stößt’, Med. ‘kommt in schnelle Bewegung’;
mir. tūag f. ‘Axt’ und ‘Bogen’, jünger stūag, tūagaim ‘schlage mit der Axt’, tōcht ‘Teil, Stück’; expressives *stoukkā in bret. stuch ‘Pfeilspitze, Feder’, stuc’henn ‘Garbe, Brotschnitte’ (nir. stūaic ‘Anhöhe, Spitze’ usw. ist brit. Lw.); vgl. nhd. ‘Stück’ und ‘Stauche’ (Loth RC. 42, 320 ff.);
vermutlich lit. stùngis ‘Messerstumpf’, stúkti ‘in die Höhe ragen’; und aksl. tъštati sę “σπεύδειν”;
schwed. stuka ‘überwältigen’, norw. stauka ‘stoßen, verletzen, stottern’, mnl. nnd. stūken ‘stoßen, aufschichten, erstaunen’, nhd. verstauchen (aus dem Nd.), ndl. verstuiken ‘verrenken’; afries. stāk ‘steif’ zu norw. stauka;
mnd. stoken ‘stechen, stochern’, engl. dial. stoke ‘das Feuer schüren’, nhd. stoche(r)n; ohne anlaut. s-: aisl. þoka ‘rücken, verändern, gehen’, ags. ðocerian ‘umherlaufen’;
ahd. mhd. stoc, -ckes ‘Stock, Stab, Baumstamm’ (wohl ‘*abgeschlagener Ast oder Stamm’, vgl. abstocken), ags. stocc ‘Stock, Stamm, Stumpf’, aisl. stokkr ‘Baumstamm, Pfahl, Block’, woneben mit der Bed. ‘steif’ nd. stück, mhd. nhd. stocken ‘steif werden’; aisl. stykki, ags. stycce, ahd. stucki, nhd. Stück;
ahd. stūhha f., mhd. stūche m. f. ‘weit offener Ärmel am Frauengewand (eig. Ärmelstumpf), Kopftuch’, nhd. Stauche, mnd. stūke ‘Stumpf, weiter Ärmel’; mit : ags. stocu f. ‘langer Ärmel’;
manche neigen zur Annahme eines Bed.-Kernes ‘steif’ (woraus ‘stoßen’ entwickelt sei), und zum Vergleich mit lit. stúkti ‘in die Höhe stehen’ (alit. stauginė́ti ‘schlendern’, eigentlich ‘steif, stolpernd gehen’); vgl. russ. stugnutь ‘gefrieren (*steif, starr werden?)’, gr. στύγες Pl. ‘Eiskälte’, στύγος n. ‘Abscheu, Haß’, στυγέω ‘hasse, verabscheue, fürchte’, στύξ, Gen. στυγός f. ‘das Verhaßte, Frost’; FlN Στύξ, s. unten S. 1035;
zweifelhaft und nur unter der Annahme von ‘Ablautentgleisung’ möglich ist die Zugehörigkeit von got. stigqan ‘zusammenstossen mit’, ga-stigqan ‘anstossen’, aisl. støkkva st. V. ‘spritzen’, Intr. ‘bersten, springen, fallen, laufen’; ags. stincan ‘stieben, dampfen, aufwirbeln; stinken’, as. ahd. stincan ‘stinken, riechen’; Kaus. aisl. støkkva ‘verjagen, besprengen’, ags. stencan ‘zerstreuen’, mhd. steuken ‘stinken machen’; as. stank, stunk, ags. stenc ‘Geruch, Gestank’, ahd. stanc ‘ds., auch Duft’.
C. (s)teu-d-: ai. tundatē, tudáti ‘stößt, stachelt, sticht’, todá- m. ‘Stachler, Lenker’; arm. t’ndal, t’ndel ‘erschüttert werden’;
aus dem Gr. vermutlich Namen wie Τυδεύς, Τυνδάρεως; fraglich τυννός “μικρός” (‘*zerstoßen’, ai. tunná-? eher Lallwort mit Konsonantendehnung wie τυτθός ‘ganz klein; jung’);
alb. shtynj ‘stoße’ (*studni̯ō);
lat. tundō -ere, tutudī ‘stoßen, schlagen, hämmern’, tudes, -itis ‘Hammer’, tuditāre ‘heftig stoßen’, wohl auch tussis ‘Husten’ (ob dazu umbr. tuder ‘finem’, tuderato ‘finitum’, so daß ‘Grenze’ eig. ‘Endpunkt; woran man anstößt’?); studeō, -ēre ‘sich ernstlich worum bemühen, eifrig betreiben, sich befleißigen’, studium ‘Streben, Eifer’ (‘*wonach zielen’ aus ‘wonach schlagen’);
air. do-tuit ‘fällt’ (das t vom Pl. -tuittet aus *-to-tudi̯ont); abret. ar-stud ‘cuspis’, bret. astuz ‘Ungeziefer’, cymr. cystudd ‘Schmerz’, usw.;
got. stautan (aisl. stauta schw. V.), as. stōtan, ahd. stōzan ‘stoßen’; mhd. nhd. stutzen ‘mit den Hörnern Stoßen, plötzlich stillestehen, zurückprallen’, mhd. stotze ‘Stamm, Klotz’; aisl. steytr, ahd. stōz ‘Stoß’; ahd. stiuz, nhd. Steiß (mit md. ei für eu) eigentlich ‘*abgestutzter Körperteil’ (vgl. nhd. Stoß ‘die Schwanzfedern des Vogels in der Jägersprache’);
aisl. stūtr ‘Horn, Stumpf, Ochs’, mnd. stūt ‘Oberschenkel, Steiß’; schwed. norw. stota ‘stottern, stolpern’, nhd. (nd.) ‘stottern’; auf Grund des Nasalpräsens aisl. stuttr ‘kurz’, ags. styntan ‘stutzen’ u. dgl.
D. (s)teu-p- (vereinzelt -b-, -bh-) ‘stoßen’; auch ‘Stock, Stumpf’.
ai. pra-stumpáti (unbelegt), tṓpati, tupáti, túmpati, tumpáti ‘stößt’, tūpará- ‘ungehörnt’;
gr. τύπτω ‘schlage’, τύπος ‘Schlag, Eindruck’; στυπάζει· βροντᾳ̃, ψοφεῖ· ὠθεῖ Hes., στύπος ‘Stock, Stiel, Stengel’; mit -bh- στυφελίζω ‘schlage, mißhandle’, στυφλός ‘rauh, steinig’; über στυφελός ‘herrisch’ s. Leumann Homer. Wörter 269 f.;
lat. stuprum ‘Schande’, bes. ‘die Entehrung durch Unzucht’ (ursprüngl. ‘die dafür verhängte Prügelstrafe’?); stupeō, -ēre ‘starr stehen; betäubt, betreten sein, stutzen’, stupendus ‘erstaunlich, staunenswert’; mit -b(h)- vielleicht titubāre ‘wankeln, straucheln, mit der Zunge anstoßen, stottern’;
aus *steub(h)-mā, *stoub(h)-mā: cymr. ystum f. ‘Biegung, Wendung, Gestalt’, bret. stumm ds. (ins Ir. entlehnt mir. stuaimm f. ‘Fähigkeit’), auch ‘Flußbiegung’; dastum ‘das Einsammeln’ (Loth RC. 48, 354 ff); vgl. ags. stūpian;
ahd. stobarōn ‘obstupēre’;
aisl. stūfr ‘Stumpf’, mnd. stūf Adj. ‘stumpf’, stūven = aisl. styfa ‘abstumpfen, abhauen’; aisl. stofn ‘Baumstumpf, Grundlage’; ags. stofn ds., aisl. stubbr, stubbi m. ‘Stumpf, Baumstumpf’, ags. stybb n. ‘Baumstumpf’;
mit germ. -p-: aisl. stūpa ‘emporragen’, ags. stūpian, mnl. stupen ‘sich bücken’; ablaut. ags. stēap ‘hoch, ragend’ (engl. steep ‘steil’), mhd. stouf ‘hochragender Felsen’ (Hohestaufen), mhd. stief ‘steil’; aisl. staup n. ‘Loch, Becher’; ags. stēap, ahd. mhd. stouf ‘Becher’; ags. stoppa ‘Kübel, Eimer’; aus ‘abgestutzt = beraubt’ erklärt sich aisl. stjūp- ‘Stief-’ (stjūpr ‘Stiefsohn’), ags. stēop-, ahd. stiof-, stiuf-, nhd. Stief-, ags. ābe-stīepan ‘berauben’, ā-stīeped ‘verwaist’, ahd. ar-, bi-stiufan ‘der Eltern oder der Kinder berauben’;
lett. staũpe ‘Pferdefußtapfen’; stupe, stups ‘Besenstumpf; (abgebrochene) Rute’.

WP. II 615 ff., WH. II 608 ff., Trautmann 331, Vasmer 3, 109, 160.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal