Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stuik - (schooven)

Etymologische (standaard)werken

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stuik znw. m. ‘stamper; groep van acht of tien schoven’; ‘stoot, duw’, Kiliaen stuyck ‘duw, stoot; gevlochten mand’, mnd. stūke v. ‘hoop vlas of turf; boomstronk’, vgl. nog mnd. stūke (> on. stūka), ohd. stūhha (nhd. stauche) en abl. oe. stocu ‘wijde bouw; aanbouwsel aan huis’. — Zie verder: stuiken.

Van de bet. ‘stoten’ uitgaande is een begrip ‘stomp’ (vgl. oiers tocht ‘stuk, brok’) verklaarbaar; daaruit hebben zich blijkbaar die van ‘boomstronk’, ‘opgetaste hoop’ ‘wijde mouw’ en ‘huisuitbouw’ zelfstandig ontwikkeld.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stuik (acht of tien schooven), nog niet bij Kil. (deze geeft wel stuyck “duw, stoot” en “gevlochten mand” op). = mnd. stûke v. “hoop vlas of turf (6 stuks)” en “boomstronk”. Bij stuiken: voor de bet. vgl. hd. stoss m. “stapel” bij stossen. ’t Zelfde woord is wellicht ohd. stûhha (nhd. stauche), mnd. stûke, on. stûka v. “wijde mouw”, ’t laatste ook “uitbouw”: oorspr. “het vooruitgeduwde, vooruitstootende”?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stuik. Als ags. wordt stûc ‘hoop, stapel’ opgegeven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stuik 2 m. (schooven), + Ndd. stuke, Hgd. stauche: van stuiken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjtoek, sjtoech, zn.: polsmof, polswarmer; broekspijp. Ohd. stûhha, Mhd. stûche > D. Stauche ‘polsmof, wijde mouw’, Mnd. stuke. On. stúka. De betekenis is vermoedelijk verschoven uit die van ‘stomp’, zie stuik.

stuik, zn.: groep van korenschoven die op de akker tegen elkaar geplaatst zijn. Ook Vlaams en Brabants. Wvl., Mnl. stuuc ‘stoot, duw’, Vnnl. stuyck ‘schok’ (Kiliaan). Mnd. stûke ‘hoop vlas, turf’, Ohd. stûhha, D. Stauche, Fri. stûke ‘aantal schoven’, Oe. stocu ‘aanbouwsel’, E. dial. stook, stouk, D. Stock(werk). Van stuiken ‘stoten’, vgl. D. Stoß ‘stoot, stapel’. Mnl. stuken ‘stoten, duwen; op hoopjes plaatsen’, Vnnl. stuken yeuwers teghen ‘heurter contre’ (Lambrecht), stuycken ‘schudden, schokken, stoten’ (Kiliaan). Fri. stûkje, Mnd. stûken ‘stoten, stuiten, opstapelen’, Ndd. stûken > D. stauchen ‘rechtzetten, oprichten, stoten’, verstauchen, N. stauka ‘stoten’. Idg. *(s)teug-, velare uitbreiding van Idg. *(s)teu- ‘stoten, slaan’. Verwant met stok.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

stuik, zn.: groep van korenschoven die op de akker tegen elkaar geplaatst zijn; loopmand. Ook Vlaams. Wvl., Mnl. stuuc ‘stoot, duw’, Vnnl. stuyck ‘schok’ (Kiliaan). Mnd. stûke ‘hoop, vlas, turf’, Ohd. stûhha, D. Stauche, Fri. stûke ‘aantal schoven’, Oe. stocu ‘aanbouwsel’, E. dial. stook, stouk, D. Stock(werk). Zie stuiken. Vgl. D. Stoß ‘stoot, stapel’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

stuke zn. m.: groep van korenschoven die op de akker tegen elkaar geplaatst zijn; hoop gewassen linnen. Wvl. stuuk, Ovl. stuik, Mnl. stuuc ‘stoot, duw’, Vnnl. stuyck ‘schok’ (Kiliaan). Mnd. stûke ‘hoop, vlas, turf’, Ohd. stûhha, D. Stauche, Fri. stûke ‘aantal schoven’, Oe. stocu ‘aanbouwsel’, E. dial. stook, stouk, D. Stock(werk). Zie stuken. Vgl. D. Stoß ‘stoot, stapel’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

stuik (B, G, H, L, W, ZO), stuuk, stuke (ZV), zn. m.: groep van korenschoven die op de akker tegen elkaar geplaatst zijn; hoop gewassen linnen. Wvl., Mnl. stuuc 'stoot, duw', Vnnl. stuyck 'schok' (Kiliaan). Mnd. stûke 'hoop, vlas, turf', Ohd. stûhha, D. Stauche, Fri. stûke 'aantal schoven', Oe. stocu 'aanbouwsel', E. dial. stook, stouk, D. Stock(werk). Zie stuiken. Vgl. D. Stoß 'stoot, stapel'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

sjtoek, sjtoech polsmof, polswarmer (Zuid-Limburg). = hgd. stauche ‘wijde mouw’, ‘mofje’, = ono. stûka ‘wijde mouw’ = mndd. stûke ‘boomstronk’. = stuik ↑ ‘tegen elkaar gezette hoop’. ~ stuiken. Betekenisontwikkeling: ‘stomp’ › ‘mouw, mof’.
Amkreutz e.a. 262, Jongeneel 60, NEW 714.

stoek, stuik turfstapeltje, geheel van tegen elkaar gezette schoven (Zeeland, Brabant, Vlaanderen, Noordoost-Nederland). = fri. stuke ‘id.’. ~ stuiken ‘stoten, met een stoot neerwerpen’ (de speciale betekenis in verstuiken stemt met de vaak negatieve betekenis van ver- overeen).
WNT XVI 279-281, Ter Laan 880.

stuik geheel van enkele schoven (Brabant, Belgisch-Limburg, Zeeland, Vlaanderen). = fri. stûke ‘id.’. Afl. van stuiken ↑ ‘stoten’. Benoemingsmotief: het tegen elkaar aankomen v. d. schoven. Vgl. hgd. stosz ‘stapel’.
WNT XVI 279, TNZN VII 7, NEW 714.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

stuuk, zn. m.: stoot, financiële bijdrage; groep van 15 korenschoven die op de akker tegen elkaar gezet zijn. Mnl. stuuc ‘stoot, duw’, Vroegnnl. stuyck ‘concussus’ (Kiliaan). Mnd. stuke ‘hoop vlas, turf’, Ohd. stûhha, D. Stauche, Fri. stûke ‘aantal schoven’, Oe. stocu ‘aanbouwsel’, E. Dial. stook, stouk, D. Stock(werk). Zie stuken ‘stoten’. Vgl. D. Stoß ‘stoot, stapel’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal