Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

strooien - (verspreid neerwerpen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

strooien ww. ‘verspreid neerwerpen’
Mnl. stro(o)ien ‘verspreid neerwerpen’ in Vele ... tenghen (lees telghen) van den bomen haelden. Ende stroietse in den wech ‘velen haalden takken van de bomen en strooiden ze op de weg’ [1285; VMNW].
Os. streuwian, strōian (mnd. ströu(w)en); ohd. strouwen, strewen (nhd. streuen); ofri. strēwa ‘afrukken (van een hoofddeksel)’ (nfri. streauwe ‘losgerukt en verstrooid worden door de wind’, maar struie ‘strooien’ is ontleend aan het Nederlands); oe. streowian (ne. strew); ozw. strö(ja) (nzw. strö); got. straujan; alle ‘strooien’, < pgm. *strau-jan-. Zie ook → stro.
Het Germaanse woord is een causatiefvorm bij de wortel pie. *streu- ‘strooien’ (LIV 605) en is verwant met: Latijn struere ‘stapelen, opbouwen’ (zie ook → structuur); Oudkerkslavisch o-struiti ‘vernietigen, afslachten’ (< ‘uit elkaar drijven’); Bretons streuein ‘strooien’. De betekenissen en vormen van pie. *streu- ‘strooien’ en pie. *sterh3- ‘uitspreiden, verspreiden’, zie → straat, tonen enige overeenkomst, maar het is onzeker of beide daadwerkelijk verwant zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

strooien* [verspreid neerwerpen] {stro(o)yen 1287} oudsaksisch stroian, oudhoogduits strewen, strouwen, oudengels streowian, oudnoors strā, gotisch straujan; buiten het germ. latijn sternere [uitspreiden, neerslaan], grieks stornumi [ik spreid], oudindisch stṛṇāti [hij strooit] → stro, structuur.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

strooien ww., mnl. strôien, strouwen (vgl. Noordbrab. strouwen), os. strōian, ohd. streuwen (nhd. streuen), oe. wests. strewian, streowian (ne. strew), nnoorw. strøyja (on. strā nieuw naar praet. strāða < *strawiðō), got. straujan; vgl. nog germ. strava ‘brandstapel’. — lat. struō ‘over elkander uitbreiden, opbouwen’ van idg. *streu, afl. van idg. *ster ‘uitbreiden, uitspreiden’, waarvoor zie: strand.

De afl. strooisel is met nl. kolonisten naar de Brandenburgse Mark en aangrenzende gebieden overgebracht, vgl. streuszel, streiszel ‘stalstro, op de vloer uitgestrooid zand; klompjes van meel, boter en suiker op de streuszelkuchen’ vgl. Teuchert Sprachreste 294-5.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

strooien ww., mnl. strôien (strouwen, nog dial.: N.Brab.; vgl. bij touwen). = ohd. streuwen (nhd. streuen), os. strôian, fri. strije (Gysb. Jap., overigens struije “strooien”; ook ofri. strewa “afrukken” wordt gew. hierbij gebracht; ’t zou dan een naar analogie van praet. en verl. deelw. ontstane vorm zijn), ags. strêgan (niet-ws. poët.; ws. strewian, streowian; eng. to strew), noorw. dial. strøya (on. strâ naar ’t praet.), got. straujan “strooien”. Van de idg. basis sterū̆-, sterā̆xu-, een verlenging van de bij strand besproken basis. Vgl. stro en buiten ’t Germ. lat. struês “stapel, hoop”, struo “ik bouw”. Verder kan de verlengde basis aan obret. strouis, lat. strâvî “ik heb gespreid”, gr. stor-n-ū-mi “ik breid uit”, oi. stṛ-ṇ-ó-ti “hij strooit, gooit neer” ten grondslag liggen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

strooien o.w., Mnl. id., Os. strôian + Ohd. streuwen (Mhd. ströuwen, Nhd. streuen), Ags. streowian (Eng. to strew), Ofri. strije, strewa, On. strá (Zw. stra, De, strø), Go. straujan + Skr. wrt. stṛ, Gr. storénnumi, Lat. sternere, praeter. stravi, Osl. strěti = uitspreiden: Idg. wrt. ster.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

struie (ww.) 1. strooien 2. morsen; Vreugmiddelnederlands strooien <1285>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

strouwen, strawen, ww.: strooien. Mnl. strôien, strouwen, striewen, strieven ‘strooien, verspreiden’. Ohd. strewen, strouwen, Mhd. strewen, strôuwen, ströun, strouwen, streun, D. streuen, Os. strôian, streuwian, Oe. strewian, E. strew, Got. straujan, Lat. struere ‘opeenleggen, opbouwen’. Idg. *streu- ‘uitspreiden’, ook in stro.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

strouwen, strawen, ww.: strooien. Mnl. strôien, strouwen, striewen, strieven ‘strooien, verspreiden’. 1776 strauen ‘stro onder de beesten werpen’, Meierij (Heeroma). Ohd. strewen, strouwen, Mhd. strewen, strôuwen, ströun, strouwen, streun, D. streuen, Os. strôian, streuwian, Oe. strewian, E. strew, Got. straujan, Lat. struere ‘opeenleggen, opbouwen’. Idg. *streu- ‘uitspreiden’, ook in stro.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

strieven, strievelen (iteratief), striebelen (iteratief) strooien (Frans-Vlaanderen, West-Vlaanderen). Noordzeegermaanse varianten van strouwe ↑.
De Bo 966, WVD dl. I. afl. II Wet. App. 293.

strouwe, straawe strooien (Oost-Noord-Brabant, Limburg). = hgd. streuen ‘id.’, eng. strew ‘id.’, got. straujan ‘id.’. ~ lat. struere ‘bouwen’. Van een wortel die ‘uitspreiden’ betekent en ook aanwezig is in stro. Terwijl strooien ontstond uit een lettergreepscheiding au-j (vgl. got. straujan ‘strooien’) ontstond een w-diftong bij lettergreepscheiding a-wi (vgl. got. strawida ‘ik strooide’).
Weijnen 1937, 15, WLD l afl. I. 36.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

strooi II: versprei; Ndl. strooien (Mnl. stroien/strouwen, lg. nog dial.), Hd. streuen, Eng. strew, Got. straujan, mntl. verb. m. strooi I en m. Lat. strues, “stapel”, en struere, “bou”; vgl. Eng. construct en construe.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Strooien, van den Idg. wt. ster of stro = uitbreiden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

strooien ‘verspreid neerwerpen’ -> Duits dialect stroien ‘langzaam lopen’; Creools-Portugees (Malakka) stroi ‘confetti’; Negerhollands strui, strooj ‘verspreid neerwerpen’; Papiaments stroi (ouder: strooi) ‘verspreid neerwerpen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

strooien* verspreid neerwerpen 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2624. Iemand zand in de oogen strooien (of werpen),

d.w.z. iemand bedriegen, misleiden; eig. door zand in iemands oogen te strooien maken dat hij niet goed kan zienVgl. Rein. II, 7053; Klaas Vaak, het zandmannetje; Pier Luik (in Waasch Idiot. 414 a); fr. le marchand de sable; hd. das Sandmannchen; eng. the sandman, dustman.; lat. alicui pulverem ob oculos adspergere (Otto, 290); Grimm VIII, 1757: Ein alter fechterkniff ist es, den gegner dadurch zu blenden, dasz man ihm sand in die augen streut, wirft; diese ausdrücke werden dann bildlich gebraucht für jemanden durch allerhand kunstgriffe täuschen, betrügen. De uitdr. is in de 17de eeuw bekend geweest; ze komt voor bij Hooft, Ned. Hist. 384: Hun wit was den vyandt dit zandt in de ooghen te werpen; vgl. ook Kaele Uitr. Edelman, anno 1698, dl. I, 148: So dunct my dat dese actie al mee voor een hand vol sand kan verstrekken, die 't oude wyf, of Climenes Moeder, hier door in de oogen is geworpen, waar door se al de verdichte bullen en brieven so nauw niet sal besien; ook Huygens VII, 332 zinspeelt er op. Zie verder Tuinman I, 162 en 183; W. Leevend I, 296; VIII, 251; C. Wildsch. I, 176; Br. v. Abr. Blank. I, 169: Vooroordeelen die niet anders doen dan de menschen stof in de oogen smyten; afrik. iemand sand in die oë strooi (gooi); Ndl. Wdb. X, 2257 en Wander III, 1862: einem Sand in die Augen streuen; fr. jeter de la poudre aux yeux; eng. to throw dust into a person's eyes; am. to pull wool over a p's eyes. Ook in Zuid-Nederland algemeen bekend (Antw. Idiot. 2169).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ster-5, sterǝ- : strē-, steru- : streu- ‘ausbreiten, ausstreuen’, (vgl. ster- ‘starren, steif sein’), storo- ‘Schicht’, str̥-to- ‘Ausgebreitetes’, sterǝ-men- : str̥-men- ‘Ausbreitung’

A. ai. str̥ṇā́ti, str̥ṇṓti (eig. zur Basis streu-), später auch starati ‘streut (hin), bestreut; wirft hin, wirft nieder’, Partiz. str̥tá-, stīrṇá-, Inf. stártavē und staritavāi, starītavē;sva-stara- m. ‘eigene Streu’, pra-stará- m. ‘Streu, Polster; Fläche, Ebene’ (= russ. prostór ‘Raum, Geräumigkeit’); stárī-man- n. ‘Ausbreitung, Ausstreuung’ (ablaut. mit gr. στρῶμα, lat.strāmen);
av. star- (Präs. starati, stǝrǝnaoti, stǝrǝnāti) ‘sternere’, Partiz. stǝrǝta- und starǝta-; stairiš- n. ‘Streu, Lager, Bett’; urvarō-straya- ‘Niederhauen von Pflanzungen’;
gr. στόρνῡμι (nur Präs. und Impf.; zum Vokalismus vgl. ὀμόργνυμι), στορέννῡμι (Neubildung), στρώννῡμι (nach στρῶσαι) ‘bestreue, strecke hin; breite aus; ebne’, äol. Perf. ἐστόροται; Partiz. στρωτός; στρῶμα n. ‘Streu, Lager, Teppich, Decke’, στρωμνή ds.; στρατός (= ai. str̥tá-) ‘Schar, Volksmenge’ (kret. σταρτός mit Umstellung ‘eine Unterabteilung der Phyle’), dann ‘Heer’ (dazu στρατιά, στρατεία, στρατηγός), äol. στροτός; hochstufig στέρνον ‘Brust’ (‘ausgebreitete Fläche’; vgl. ahd. stirna ‘Stirn’, red.-st. ai. stīrṇa-, cymr. sarn, und o-stufig aksl. strana);
alb. shtrinj ‘breite aus’ (str̥ni̯ō); shtie ‘lege hin, werfe, mache eine Fehlgeburt’ (*sterō); shtrofkë ‘Decke, Höhle, Nest’;
lat. sternō, -ere ‘hinstreuen, hinbreiten; niederstrecken’, Partiz. strātus (*sterǝtós), darnach Perf. strāvī; prosternere (: slav. prostьrą, ai. pra-stará-); strāmen ‘Streu’ (: στρῶμα; ai. stárīman-); dazu mit g-Erweit. strāgēs ‘das Niederstürzen, Hinsinken, Verwüstung’ (‘*Hingestrecktsein’), strāgulus ‘zum Über- oder Unterbreiten dienlich’;
air. sernim ‘breite aus’ (= lat. sternō), cossair ‘Bett’ (*kom-stari- oder stori-), fossair ‘Strohdecke’ (*upo-stori-), sreth ‘strues’ (*str̥tā́), sreith ‘pratum’; von der schweren Basis mir. srath (tu-St.) ‘Strand, Ufer, Talgrund’ (nicht Lw.; lat. Lw. sind aber cymr. ystrad ‘Tal’, bret. strad ‘le fond, l’endroit le plus bas’); cymr. sarn ‘stratum, pavimentum’ (*sterǝno-, urkelt. *starno- : ai. stīrṇá-);
ahd. stirnaStirne’ (*sterni̯ā), ags. steornede ‘dreist’;
lit. strāja ‘mit Stroh ausgelegter Stall’;
aksl. pro-stьrǫ -strěti (russ. sterétь) ‘ausbreiten’, prostranъ (*storno-) ‘breit’, strana ‘Seite, Gegend’, russ. storoná ds.; aksl. aruss. usw. strojь ‘Ordnung’, strojiti ‘parāre’;
vielleicht hierher die z. T. s-losen, auf einem St. *(s)tr-eno-, *(s)trent-, (s)tron-t- beruhenden Formen:
preuß.-lit. trẽnis ‘Gegend, Stelle, Ort’ (vgl. aksl. strana, ursl. *stor-nā); alit. trenta ‘Ort, Gegend, Strich’; air. trēt (Gen. trēoit) ‘Herde’ (*trento-); aisl. strind f. ‘Seite, Kante; Land’; strǫnd ‘Rand, Strand’, ags. strand, spätmhd. strant (-d-), nhd. Strand, aisl. fer-strendr ‘viereckig’.
B. Erweiterungen:
stre-k-: ags. stregdan st. V. ‘streuen, spritzen, verteilen’ (Präsensbildung wie bregdan); dehnstufig aksl. strěkati ‘stechen’, ablaut. stroka “κέντρον, στίγμα”, slav. *strъkati in čech. strkati ‘stoßen’, serb. stȑcati ‘spritzen’.
streu-: lat. struō, -ere (struxi, structum mit analog. Gutt. nach Verben mit v aus g) ‘übereinander breiten, schichten, aufbauen’, struēs, struīx ‘Haufe, Menge’, umbr. struçla ‘*struiculam’;
abret. strouis ‘stravi’, nbret. streuein ‘streuen’;
got. straujan ‘streuen’, norw. strøya, aisl. strā ‘streuen, ausbreiten’, ags. strē(o)wian, strēgan, ahd. streuwen, strouwenstreuen’; aisl. strā n. ‘Stroh’, ags. strēaw, ahd. strō, nhd. Stroh, Postverbale mhd. ströu, nhd. Streu; germ. strava ‘Scheiterhaufen zur Siegesfeier’; ags. strēon n. ‘Reichtum, Gewinn, Wucher’, ahd. gi-striuni n. ‘Gewinn’, ags. strīenan ‘erwerben, erzeugen’; ahd. gi-striunan ‘lucrari’, mhd. striunen ‘schnuppernd umherstreifen’, nhd. bair. streunen ‘nach Vorteilen umhersuchen’, nd. strüne ‘Gassendirne’, eig. ‘die Umherstreifende’;
ob hierher serb. strovo ‘herabgeschüttelte Früchte’, kroat. strovaliti ‘streuen’ und aksl. ostruiti, ostrujati ‘zerstören’ (‘*auseinander streuen’)??

WP. II 638 ff., WH. II 590 f., Trautmann 287 f., 289, Vasmer 3, 20, 29.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal