Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stronk - (boomstomp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stronk zn. ‘boomstomp’
Onl. in de plaatsnaam Struncwīkerbruc ‘Stronkwijkerbroek’ [1163; ONW]; mnl. stronc ‘stomp van lichaamsdeel’ in Als hi hem één hooft of sloech, soo wiesser vier weder wt den stronc ‘als hij hem één hoofd afsloeg, dan groeiden er weer vier uit de stomp’ [1460; MNW], strunck ‘dikke, harde stengel van een koolplant’ [1477; Teuth.]; vnnl. stronck ‘boomstronk’ [1573; Thes.], ‘boomstomp, boomstam’ [1588; Kil.].
Mnd. strunk ‘koolstronk’; mhd. strunc ‘koolstronk’ (nhd. Strunk ‘boomstomp; koolstronk’); nfri. stronk(el) ‘koolstronk’; on. strokkr ‘karnton’ (gemaakt uit een stuk uitgeholde boomstam, nno. strunk, strokk ‘tonnetje’); < pgm *strunka-. Dit is een genasaliseerde vorm bij dezelfde wortel als in → struik.
Verwant met Litouws strùngas ‘afgeknot’ < pie. *streug-, misschien een uitbreiding van de wortel *(s)ter(h1)- ‘stijf zijn of worden’ (IEW 1026).
De uitgangsbetekenis van stronk is die van ‘stijf eind’, evenals bij wortelverwante en gelijkbetekenende woorden als → struik, strobbe en stromp. Voor de betekenisontwikkeling zijn twee betekenisaspecten van bijzonder belang. Allereerst dat van het stijf opgericht zijn, ten tweede dat van het stomp, kort of afgeknot (stompgemaakt) zijn, het laatste wrsch. samenhangend met de connotatie ‘stevig’ van ‘stijf’. Vaak zijn deze aspecten te onderkennen bij woorden in de Indo-Europese talen ter aanduiding van een stam, stengel of tak, maar ook bij andere aanduidingen, bijv. van een penis, zwangere buik of knuppel. Stronk en het ervan afgeleide stronkelen ‘struikelen’ (vero. in de standaardtaal) kennen wisselvormen met -mp-, Nederlands stromp en → strompelen.
Lit.: De Jager 1875, 724-726; Lühr 1988, 162-163

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stronk* [boomstomp] {stronc, strunc [boomstronk, verminkt lichaamsdeel] 1350} middelnederduits, middelhoogduits strunc; genasaleerde vorm naast struik.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stronk znw. m., mnl. stronc m. ‘stam, geknot lichaamsdeel’, mnd. strunk m. ‘stengel, een soort kous’, mhd. strunc (nhd. strunk) ‘stronk, stompje’, met nasaal-infix van een germ. wt. *strūk, waarvoor zie: struik. — Verg. verder Kiliaen stronckelen, mnd. mhd. strunkelen ‘strompelen, struikelen’, die semantisch, maar ook wat de herkomst betreft, dicht bij strompelen staan.

Er is geen reden met Frings Germ. Rom. 1932, 135 dit woord te beschouwen als een kruising van stront en tronk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stronk znw. Als tronk (zie ald. Suppl.) een oude ontl. uit lat. truncus is, kan dit bij het opkomen van stronk hebben meegewerkt; kruising van stomp I en tronk? (De wisseling tussen -mp- en -nk- zou op deze wijze geredelijk verklaard zijn). Of — niet wsch. — van tronk met mhd. strunze ‘stompje’ enz. (zie stront). Vgl. Frings Germ. Rom. 135, die deze en andere in bet. tamelijk ver afliggende woorden bij stront brengt, wsch. ten onrechte.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stronk m., Mnl. stronc + Ndd. strunk: nasaleering van struik.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stronk* boomstomp 1350 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

strenk-, streng- ‘straff, beengt’ u. dgl. ; ‘Strang, zusammendrehen, zusammenziehen’, (wie bei ster-g-, stre-g-, s. unter ster- ‘starren’)

Gr. στραγγός ‘gedreht’; durch eine schmale Öffnung tröpfelnd’ (στραγγουρία ‘Striktur’), στράγξ, -γγός f. ‘aussickernder, ausgedrückter Tropfen’, στραγγεύεσθαι ‘sich zusammendrehen, hindurchpressen, zögern’, στραγγάλη f. ‘Strang, Strick, Schlinge’, στραγγαλεύω, -ίζω, -όω (woraus lat. strangulō) ‘erdroßle’, στρογγύλος (aus *στραγγύλος) ‘gedreht = rund’;
mir. srengim ‘ziehe, schleppe’, sreng ‘Strick’, srincne ‘Nabelschnur’ (strengīni̯ā);
lett. stringt ‘stramm werden; verdorren’ (‘*sich zusammenziehen’), strangs ‘mutig, frisch’ (Lituanismus);
im Germanischen von der Wurzelform auf k oder gh: aisl. strengr ‘Schnur, Strang, Streifen, schmaler Strom’ (*strangi-), ags. streng m. ‘Schnur, Strang’, ahd. stranc (-g-), nhd. Strang; Denominativ aisl. strengja ‘festbinden, schließen’;
mit anderer Bedeutung aisl. strangr ‘heftig, stark, streng, hart’, ags. as. strang ds., strenge ‘streng’, mnd. strenge, ahd. strengi ‘scharf, stark, tapfer, streng’, und ags. strengan ‘befestigen’, mhd. strengen ‘strecken, drängen’, nhd. anstrengen;
norw. strungen ‘steif oder beklemmt im Magen’; aisl. strangi m. ‘Baumstamm’;
von der Wurzelform auf idg. Media: aschwed. strunker ‘aufgerichtet, gerade’, norw. dän. strunk ‘ds., stolz’, norw. strunken = strungen (s. oben), mhd. strunk ‘Strunk’, mnd. strunk ‘Stengel’, mhd. strunken, strunkeln ‘straucheln’, (könnten auch nasalierte Formen von st(e)reu-g- sein);
lett. streñkals ‘ein Stück verhärteten Auswurfs’ (etwa ‘steif, starr’).

WP. II 650 f., WH. II 605.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal