Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stro - (gedorst koren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stro zn. ‘gedorst koren’
Onl. strō ‘stro’ (collectivum) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. stro ‘id.’ [1236; VMNW], ook ‘strohalm’ in nam een stro ‘(hij) nam een strohalm’ [1260-80; VMNW].
Afleiding van de wortel van → strooien ‘verspreid neerwerpen’, waarbij men moet denken aan het verspreiden van stro op de vloer van stal of slaapplaats.
Mnd. strō; ohd. strao, strō (nhd. Stroh); ofri. strē (nfri. strie); oe. strēaw (ne. straw); on. strá (nzw. strå); alle ‘stro’, < pgm. *strawa-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stro* [gedorst koren] {oudnederlands stro 901-1000, middelnederlands stro(o)} oudhoogduits stro, oudfries strē, oudengels streaw, oudnoors strā; buiten het germ. latijn stramen [stro]; behoort bij strooien.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stro znw. o., mnl. strô o. ‘stro, strohalm’, onfrank. mnd. ohd. strō (nhd. stroh), ofri. strē, oe. streaw (ne. straw), on. strā o. stro, strohalm’. De germ. grondvorm is *strawa-. — serv. strovo ‘afgeschudde vruchten’, obret. strouis ‘stravi’. — Zie verder: strooien.

Mnl. strou, strouw stamt uit de verbogen naamvallen, terwijl strō uit de nom. strāo is ontstaan. De vorm in dialecten strooi zal wel onder invloed staan van hooi, al kan zeker ook het ww. strooien hebben meegewerkt. Over de vormen mnl. strode, vla. strood zie v. Haeringen Suppl. 164 (hypercorrecte vormen?).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stroo znw. o., mnl. strô o. “stroo, stroohalm”. = onfr., ohd. strô (nhd. stroh), mnd. strô, ofri. strê, ags. strêaw (eng. straw), on. strâ o. “stroo” resp. “stroohalm”, germ. *strawa-. = serv. strȍvo “hoop afgewaaide vruchten”. Of met formans -wo- van de bij strand behandelde basis òf wortelnomen van de hieruit met -u- (-we-, -wo-) verlengde basis, die bij strooien besproken wordt. Voor de bet. vgl. lat. strâ-men “stroo”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stro[o]. Dial. zeer verbreid en reeds mnl. is de vorm strooi, die zal toe te schrijven zijn aan invloed deels — en wel hoofdzakelijk — van hooi, deels van andere vocalisch eindigende znww. die meervoudvormen met i-diphthong hebben als vlo[o], koe. Of deze wisseling tussen vormen met en zonder i, gelijkend op die welke men bij woorden met intervoc. d aantreft, aanleiding kan geweest zijn tot het opkomen van mnl. strôde, vla. strood als hypercorrecte vormen (vgl. kade Suppl.), is twijfelachtig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stroo o., Mnl. stro, Onfra. strô + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. stroh), Ags. stréaw (Eng. straw), Ofri. stré, On. strá (Zw. strå, De. straa) + Lat. stra-men; verder bij strooien en ster 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

stru (zn.) stro; Aajdnederlands stro <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

strooitjie s.nw.
Suigpypie waarmee vloeistof gedrink word.
Afleiding met -tjie van strooi, met strooi as leenvertaling van Eng. straw (1872). Dit is onduidelik waarom -tjie by strooi gevoeg is, maar dit mag daarna verwys dat 'n strooitjie klein en dun is soos 'n strooihalm, of mntl. is dit ter onderskeiding van die massanaam strooi. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm strooitji.
Vgl. D. Strohhalm (15de eeu in die vorm strôhalm), Ndl. rietje (1867).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

strooi I: droë graan-/grashalm(s); Ndl. stro(o) naas strooi (dial.), lg. kan uit mv. gevorm wees, al kom stro(o)y reeds in Mnl. en strooi dial. voor, Hd. stroh, Eng. straw (ook dial. stre(a)y), vgl. Lat. strā(men), “strooi”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stro ‘gedorst koren’ -> Sranantongo strow ‘gedorst koren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stro* gedorst koren 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2202. Stroo.

In enkele spreekwijzen komt dit znw. voor in den zin van: iets zeer gerings; vgl. niet van stroo zijn, niet gering, niet mis zijn (ook in Zuid-Nederland naast van geen haverstrood zijn), fr. n'être pas de paille; hd. nicht von Stroh sein. Reeds in de middeleeuwen was bekend niet een stroo = niets (eng. not a straw; fr. pas un fétu); zie Mnl. Wdb. VII, 2329; thans kennen wij nog ‘geen stroo(breed) voor iemand wijken’ en ‘iemand geen stroo(breed), geen strootje of stroopijl (Zuidndl.) in den weg leggen’, dat bij Campen, 71; Sart. I, 5, 65; Erasmus, CIV; Winschooten, 300; Paffenr. 179; Schuerm. 692 a; Waasch Idiot. 637 a en De Bo, 1117 a vermeld staat; over een stroo(tje) vallen (eng. to stumble at a straw; hd. über einen Strohhalm stolpern), dat we o.a. lezen bij Vondel IX, 849; zich aan een stroo stooten (Spieghel, 281; Brederoo III, 368 en Tuinman II, 194); in Z.-Brab. geen stroo(ken) verleggen, aan niets raken; fri. hy leit nimmen in strie dwers, veroorzaakt niemand last of moeite; hy kin oer gjin strie hinne komme, niets over 't hoofd zien; hy wol gjin striebreed skikke. In Groningen: niets uit het stroo kunnen zetten, weinig lichaamskracht bezitten; eig. weinig kunnen dorschen. In Westphalen: onmachtig zijn om te betalen (Molema, 411; Nkr. IV, 27 Nov. p. 4; VII, 31 Mei p. 4).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ster-5, sterǝ- : strē-, steru- : streu- ‘ausbreiten, ausstreuen’, (vgl. ster- ‘starren, steif sein’), storo- ‘Schicht’, str̥-to- ‘Ausgebreitetes’, sterǝ-men- : str̥-men- ‘Ausbreitung’

A. ai. str̥ṇā́ti, str̥ṇṓti (eig. zur Basis streu-), später auch starati ‘streut (hin), bestreut; wirft hin, wirft nieder’, Partiz. str̥tá-, stīrṇá-, Inf. stártavē und staritavāi, starītavē;sva-stara- m. ‘eigene Streu’, pra-stará- m. ‘Streu, Polster; Fläche, Ebene’ (= russ. prostór ‘Raum, Geräumigkeit’); stárī-man- n. ‘Ausbreitung, Ausstreuung’ (ablaut. mit gr. στρῶμα, lat.strāmen);
av. star- (Präs. starati, stǝrǝnaoti, stǝrǝnāti) ‘sternere’, Partiz. stǝrǝta- und starǝta-; stairiš- n. ‘Streu, Lager, Bett’; urvarō-straya- ‘Niederhauen von Pflanzungen’;
gr. στόρνῡμι (nur Präs. und Impf.; zum Vokalismus vgl. ὀμόργνυμι), στορέννῡμι (Neubildung), στρώννῡμι (nach στρῶσαι) ‘bestreue, strecke hin; breite aus; ebne’, äol. Perf. ἐστόροται; Partiz. στρωτός; στρῶμα n. ‘Streu, Lager, Teppich, Decke’, στρωμνή ds.; στρατός (= ai. str̥tá-) ‘Schar, Volksmenge’ (kret. σταρτός mit Umstellung ‘eine Unterabteilung der Phyle’), dann ‘Heer’ (dazu στρατιά, στρατεία, στρατηγός), äol. στροτός; hochstufig στέρνον ‘Brust’ (‘ausgebreitete Fläche’; vgl. ahd. stirna ‘Stirn’, red.-st. ai. stīrṇa-, cymr. sarn, und o-stufig aksl. strana);
alb. shtrinj ‘breite aus’ (str̥ni̯ō); shtie ‘lege hin, werfe, mache eine Fehlgeburt’ (*sterō); shtrofkë ‘Decke, Höhle, Nest’;
lat. sternō, -ere ‘hinstreuen, hinbreiten; niederstrecken’, Partiz. strātus (*sterǝtós), darnach Perf. strāvī; prosternere (: slav. prostьrą, ai. pra-stará-); strāmen ‘Streu’ (: στρῶμα; ai. stárīman-); dazu mit g-Erweit. strāgēs ‘das Niederstürzen, Hinsinken, Verwüstung’ (‘*Hingestrecktsein’), strāgulus ‘zum Über- oder Unterbreiten dienlich’;
air. sernim ‘breite aus’ (= lat. sternō), cossair ‘Bett’ (*kom-stari- oder stori-), fossair ‘Strohdecke’ (*upo-stori-), sreth ‘strues’ (*str̥tā́), sreith ‘pratum’; von der schweren Basis mir. srath (tu-St.) ‘Strand, Ufer, Talgrund’ (nicht Lw.; lat. Lw. sind aber cymr. ystrad ‘Tal’, bret. strad ‘le fond, l’endroit le plus bas’); cymr. sarn ‘stratum, pavimentum’ (*sterǝno-, urkelt. *starno- : ai. stīrṇá-);
ahd. stirnaStirne’ (*sterni̯ā), ags. steornede ‘dreist’;
lit. strāja ‘mit Stroh ausgelegter Stall’;
aksl. pro-stьrǫ -strěti (russ. sterétь) ‘ausbreiten’, prostranъ (*storno-) ‘breit’, strana ‘Seite, Gegend’, russ. storoná ds.; aksl. aruss. usw. strojь ‘Ordnung’, strojiti ‘parāre’;
vielleicht hierher die z. T. s-losen, auf einem St. *(s)tr-eno-, *(s)trent-, (s)tron-t- beruhenden Formen:
preuß.-lit. trẽnis ‘Gegend, Stelle, Ort’ (vgl. aksl. strana, ursl. *stor-nā); alit. trenta ‘Ort, Gegend, Strich’; air. trēt (Gen. trēoit) ‘Herde’ (*trento-); aisl. strind f. ‘Seite, Kante; Land’; strǫnd ‘Rand, Strand’, ags. strand, spätmhd. strant (-d-), nhd. Strand, aisl. fer-strendr ‘viereckig’.
B. Erweiterungen:
stre-k-: ags. stregdan st. V. ‘streuen, spritzen, verteilen’ (Präsensbildung wie bregdan); dehnstufig aksl. strěkati ‘stechen’, ablaut. stroka “κέντρον, στίγμα”, slav. *strъkati in čech. strkati ‘stoßen’, serb. stȑcati ‘spritzen’.
streu-: lat. struō, -ere (struxi, structum mit analog. Gutt. nach Verben mit v aus g) ‘übereinander breiten, schichten, aufbauen’, struēs, struīx ‘Haufe, Menge’, umbr. struçla ‘*struiculam’;
abret. strouis ‘stravi’, nbret. streuein ‘streuen’;
got. straujan ‘streuen’, norw. strøya, aisl. strā ‘streuen, ausbreiten’, ags. strē(o)wian, strēgan, ahd. streuwen, strouwenstreuen’; aisl. strā n. ‘Stroh’, ags. strēaw, ahd. strō, nhd. Stroh, Postverbale mhd. ströu, nhd. Streu; germ. strava ‘Scheiterhaufen zur Siegesfeier’; ags. strēon n. ‘Reichtum, Gewinn, Wucher’, ahd. gi-striuni n. ‘Gewinn’, ags. strīenan ‘erwerben, erzeugen’; ahd. gi-striunan ‘lucrari’, mhd. striunen ‘schnuppernd umherstreifen’, nhd. bair. streunen ‘nach Vorteilen umhersuchen’, nd. strüne ‘Gassendirne’, eig. ‘die Umherstreifende’;
ob hierher serb. strovo ‘herabgeschüttelte Früchte’, kroat. strovaliti ‘streuen’ und aksl. ostruiti, ostrujati ‘zerstören’ (‘*auseinander streuen’)??

WP. II 638 ff., WH. II 590 f., Trautmann 287 f., 289, Vasmer 3, 20, 29.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal