Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

strijken - (langs of over iets gaan; glad maken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

strijken ww. ‘langs of over iets gaan; glad maken’
Mnl. striken ‘strijken, over iets gaan’ in (over een medicijn) stric anedín worehowet ‘smeer het op je voorhoofd’ [1250; VMNW], ‘over snaren gaan’ in instrumente van musiken. Dar men vp scone mochte striken [1285; VMNW], ‘zich in een richting begeven’ in Doe streec hi in eene wostine ‘toen ging hij een woestijn in’ [1285; VMNW], ‘strelen’ in streket op thoeft ‘streelde het over het hoofd’ [1290; VMNW], ‘glad maken’ in calkieren ... ruwen ... striken ‘vollen, opruwen, gladmaken (van laken)’ [1294; VMNW]; vnnl. ‘binnenhalen, wegkapen’ in die gaet strijcken met de winst [1632; WNT], ‘laten zakken, neerlaten’ in De aankoomende oorloghscheepen streeken zeil [1642; WNT], ‘(geld) bij elkaar halen’ in hoe veel winst de reeders zullen stryken [1671; iWNT]; nnl. strijken ‘met een strijkijzer gladmaken’ in gestreeken en geplooit [1708; WNT].
Mnd. strīken ‘over iets gaan, gladmaken, smeren’; ohd. strīhhan ‘id.’ (nhd. streichen ‘strijken; doorstrepen; smeren; schilderen’, in het nhd. samengevallen met ohd. streihhōn, zie onder); ofri. strīka ‘id.’ (nfri. strike); oe. strīcan ‘id.’ (ne. strike ‘slaan; doorstrepen; een richting inslaan’); < pgm. *strīkan- uit ouder *streikan-. Daarnaast met een u i.p.v. een i in de stam: pgm. *streukan-; on. strjúka (nzw. stryka) en de zwakke ww. on. strȳkva, strȳkja ‘over iets gaan, gladmaken, smeren, strelen; slaan; ervandoor gaan’.
Verwant met: Latijn stringere ‘licht aanraken, strijken’ (samengevallen met stringere ‘straktrekken’, zie → stringent), strigilis ‘roskam’, striga ‘strook, reep’; Grieks strínx ‘streep’; Oudpruisisch strigli ‘distel’; Oudkerkslavisch strišti ‘scheren’; bij de wortel pie. *streig- ‘strijken’ (LIV 603).
Bij de Germaanse wortel *streuk- in on. strjúka hoort ablautend → stroken ‘overeenkomen met’. De oorspr. betekenis van die wortel was ‘zich uitstrekken langs iets’, waaruit in de Germaanse talen bij de twee ablautende werkwoorden allerlei betekenissen zijn ontstaan als ‘over iets gaan, glad maken; smeren, wrijven; slaan, uithalen; halen, zich in een richting begeven’, enz. De in het Nederlands verouderde betekenis ‘zich in een bepaalde richting begeven’ komt nog voor in de afleiding neerstrijken ‘gaan zitten, zich vestigen’, enz. bijv. in (over een buurt in een grote stad in Amerika) de kinderen van de mensen, die daar neerstreken [1954; WNT Supp. assimileeren]. De betekenis ‘geld bij elkaar halen’ bestaat nog in de afleiding opstrijken ‘naar zich toehalen, pakken’ in de gewonnen guinjes op te strijken [1860; WNT], Hij heeft al de moeite gedaan, maar zijn zwager strijkt de winst op [1903; WNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

strijken* [met de hand gaan langs, glad maken] {striken 1250} middelnederduits striken, oudhoogduits strihhan, oudfries strika, oudengels strican, oudnoors strykja; buiten het germ. latijn stringere [strijken langs, scheren langs], oudkerkslavisch strišti [scheren].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

strijken ww., mnl. strîken ‘strijken, glad strijken, strelen, vleien, meten, gaan, heengaan, komen, vallen’, mnd. strīken, ohd. strīhhan (nhd. streichen) ‘strijken, wrijven, gaan’, ofri. strīka ‘strijken’, oe. strīcan ‘strijken, wrijven, zich voortbewegen’ (ne. strike), on. strȳkva, strȳkja (sterk alleen deelw. strykvinn; anders zwak) ‘strijken’. — lat. striga ‘streep; tentenrij; vore’, stria (< *strigi̯ā), ‘voor, vouw’, strigilis ‘roskam’, opr. strigli ‘distel’, osl. strigą ‘scheren, snijden’ en met nasaal-infix lat. stringō ‘afstrijken, aanraken, het zwaard trekken’ (IEW 1028-9) van een idg. wt. *streig, die evenals *streib (zie: streep), afgeleid is van *strei en deze weer van *ster ‘strijken, streep’. — Hoe dubieus echter de scheiding in IEW tussen verschillende wortels *ster is, blijkt hier weer, dat de balto-slavische woorden naar de bet. eerder behoren bij het onder star behandelde *ster; dus een algemene woordgroep voor de handelingen in het primitieve bosbedrijf.

Naast strijken staat stroken dus met wisseling van de klinkers idg. ei en eu; zie daarvoor J. de Vries PBB 80, 1958, 16. — Uit mnl. strîken zijn de volgende fra. woorden afgeleid: striquer ‘de laatste hand aan het laken leggen’, ofra. estrichier (sedert de 12de eeuw) ‘het strijken van de zeilen’ en estriquier, estrikier ‘meten’, eig. ‘het afstrijken van een gemeten hoeveelheid met een stok’ (Valkhoff 233).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

strijken ww., mnl. strîken “strijken, glad strijken, streelen, vleien, (laken, linnen) meten, gaan, heengaan, komen, vallen”. = ohd. strîhhan “strijken, wrijven, gaan” (nhd. streichen), mnd. strîken “id.” (met zeer ruime gebruikssfeer), ofri. strîka “strijken”, ags. strîcan “strijken, wrijven, zich voortbewegen” (eng. to strike), on. strŷkva “strijken, gaan” (waarnaast strŷkja “id.”. Is dit de oudere vorm, dan bij strook). Van de uit strī̆- (zie striem) verlengde idg. basis strîg- “een strijkende beweging maken”, waarvan ook lat. stringo “ik maak een strijkende beweging, trek het zwaard, stroop af, pluk af, raak aan” (samengevallen met een in oorsprong hiervan verschillend ww.: vgl. bij streng I, streng II, maar ook bij strik), striga “streep, strook, zwad”, strigilis “roskam”, gr. strinx, stringós “streep, lijn”, obg. strigą, strišti “scheren”, opr. strigli “distel”. Zie nog streek. Voor een synonieme basis strū̆g- zie strook.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

strijken o.w., Mnl. striken + Ohd. strîhhan (Mhd. strîchen, Nhd. streichen), Ags. stríkan (Eng. to strike), Ofri. stríka, Go. subst. striks (= streek 2.) + Gr. strínx = streep, Lat. striga = streep, Osl. strišti = scheren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S. Joubert en N. van der Sijs (2020), ‘Antilliaans-Nederlandse woorden en hun herkomst’, in: Trefwoord, november 2020

strijken (De Valk 2016) ontkroezen: de haren strijken; vernederlandsing van het Papiamentse strika kabei, waarin strika teruggaat op Nederlands strijken (Van der Sijs 2010), en kabei ‘haar’ betekent (teruggaand op Spaans cabello, Portugees cabelo).

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

strieke (ww.) strijken; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) strieken, Vreugmiddelnederlands striken <1250>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

strijken (streek, heeft gestreken), (ook:) strekken met behulp van een hete, metalen kam (gekroesd of krullend haar). Ik weet dat ze haar kroese* haren gestreken heeft als ze eens met de auto op school komt om Orlando zijn vergeten boterham te brengen (Ferrier 1968: 65). - Etym.: S ’triki’ heeft alle bet. van SN s. - Syn. pressen* (1). Zie ook: straighten*, ijzerkam*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Strijken van den Idg. wt. strig = aanraken; ook streelen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

strijken ‘met hand of voorwerp gaan langs, glad maken; laten zakken of vallen’ -> Fins tryykätä ‘de vlag neerhalen’; Frans étriquer ‘versmallen, vernauwen, innemen, inkorten’; Frans trique ‘knuppel, oorspr.: stok waarmee een maat werd afgestreken’; Frans striquer ‘stof een laatste bewerking geven; bloemen en versierselen met de naald op kant zetten’; Indonesisch seterika, setrika, teriska ‘glad maken met strijkijzer’; Ambons-Maleis strik ‘glad maken; strijkijzer’; Balinees maseterik ‘glad maken’; Boeginees seterîka ‘glad maken (met strijkijzer)’; Iban terika ‘glad maken met strijkijzer’ <via Indonesisch/Maleis>; Jakartaans-Maleis seterikè ‘met de hand gaan langs, glad maken’; Javaans setrik ‘glad maken’; Kupang-Maleis strik ‘glad maken; strijkijzer’; Madoerees sattrika, sattrikah, saddrika, saddrikah ‘glad maken’; Menadonees strik ‘glad maken; strijkijzer’; Minangkabaus tarika, tareka ‘het glad maken van kleding’; Savu tĕrika ‘het strijken van linnengoed’; Soendanees istrika ‘glad maken’; Ternataans-Maleis strik ‘glad maken; strijkijzer’; Creools-Portugees (Ceylon) istrica ‘glad maken van kelding’; Creools-Portugees (Malakka) striki, strika(h), dtriká, striqui ‘glad maken van kleren’; Tamil dialect istirikkai ‘glad maken’; Negerhollands striek ‘glad maken’; Berbice-Nederlands striki ‘met de hand gaan langs, glad maken’; Papiaments strika (ouder: strieka) ‘glad maken van wasgoed’; Papiaments streik ‘met strijkstok bespelen’; Sranantongo triki ‘met de hand langsgaan, glad maken’; Saramakkaans tiíki ‘glad maken (met strijkijzer)’; Sarnami triki kare ‘glad maken van kleding’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

strijken* met de hand gaan langs, glad maken 1250 [CG II1 Gen.rec.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2421. De vlag strijken,

d.i. onderdoen voor iemand; ook: doodgaanNavorscher, XXII, 635; vgl. Smetius, 191: het vaentje strijcken, mori.; eig. de vlag laten zakkenVgl. Kiliaen: strijcken, remittere, relaxare, deponere; Hooft, Ned. Hist. 723: den moedt strycken; Schuermans, 692; De Bo, 1115: strijken, iets dat recht staat nederlaten, platleggen. ten bewijze van overgave; syn. van het zeil strijken; vgl. Com. Vet. Woordenl.: Stryken de vlag, de vlag innemen: 't gene geschiet, alsmen op zee voorby eenen Admirael vaert ten blyke van eerbiedenis: als mede wanneer men slaegs zijnde, en zigh te zwak bevindende, 't schip aen den vyant overgeeft. Ook was in de 17de eeuw gewoon de vlag inhalen (zie Pers, 153 a); - afleggen (Pamfl. Muller, 508 (anno 1603), 5 r; 509 (anno 1603), 4 r); later ook iemand of iets de vlag afstrijken, iemand of iets in eenig opzicht het meesterschap afwinnen, te boven gaan, overtreffen (Ndl. Wdb. I, 1606); zie verder Vondel, IX, bl. 622: Zy raedtze op 't hoogh gebodt de vlagh en 't zeil te strijken. Men kan het noodlot van Jupijn niet wederstaen; Adam in Ballingschap, 1040; Virg. I, 33; Maria Stuart, 734; Gebroeders (ed. 1650), bl. 59; Salomon, 397; Van Lummel, 419; Overbeke, 95; Kale U. Edelm. II, 205; Van Effen, Spect. X, 58; Boere-krakeel, 102; C. Wildsch. III, 181; Sewel, 621; Halma, 732: De vlag strijken, céder, mettre pavillon bas. Daarnaast in denzelfden zin (het) strijken bij Vondel, Lucifer, vs. 1904; vs. 1501 (den standert strycken); Huygens, Hofwijck, vs. 1690; Spaan, 140: We voerde de vlagge zoodanig, dat het al voor ons moest stryken; Tuinman I, 145; Harrebomée II, 387 a; Van Eijk I, 133; Van Lennep, 246; vgl. verder het Latijn vela contrahere; fr. baisser -, mettre le pavillon bas devant qqn, reconnaître son infériorité; hd. die Flagge, die Segel streichen; eng. to lower or strike one's flag; to strike one's colours; oostfri. de flagge strîken; Schuermans, 692: de vlag strijken, voor iemand wijken.

2468. Vonnis vellen (of strijken),

hetzelfde als het mnl. dat oordeel wisen (vinden, geven; hd. das Urteil fällen); zie Ndl. Wdb. XI, 84; Grimm III, 1286 en Kiliaen: Velden oft vellen het oordeel, sententiam dicere, naast vonnesse strikenOok strijken beteekent sedert de Middeleeuwen doen vallen, neerhalen; zie no. 2421; vgl in Zuid-Nederland zijn voois strijken, zijne stem uitbrengen, stemmen (Volkskunde XIII, 166) en onze uitdr. zijne keus op iets laten vallen; hd. seine Wahl fällen; fr jeter son dévolu sur qqch., dat eveneens sedert de 16de eeuw wordt aangetroffenJacobs, Verouderde Woorden, 204.; 17de eeuw: het vonnis vellen (of striken), het vonnis uitspreken; eig. het vonnis doen vallen op het hoofd van den beklaagde (?).

2622. Daar is geen zalf aan te strijken

zegt men van iemand, die naar geen raad wil luisteren, die zich niet beteren wilVgl. het ‘Lied van Halewijn’ bij Flor. v. Duyse I, 3 en het synonieme daar is geen kruid voor gewassen, ‘tegen de doodt en is geen schilt’ (Brederoo II, 164), daar is niets aan te doen; Tijdschrift, XXII, 195; Mergh, 59: Voor de dood is geen kruyd gewossen; Pers, 346 b: Men wist geen kruyd tegen den dood; 900 b: Maer also voor den dood geen kruyt is te vinden; Ndl. Wdb. VIII, 385; Volksk. XXVI, 192; fri. for de âlderdom binne gjin krûden woechsen; mnl. jeghen de doot en es gheen scilt; voor die doot en es gheen cure; hd. für den Tod ist kein Kraut gewachsen; fr. contre la mort il n'y a pas de remède.; eig. gezegd van eene wonde of eene kneuzing, die door geen zalf te genezen is. Voor de 17de eeuw zie V. Moerk. 486:

 De fielt het my lang genoegh gebrutst, hy moet nou voort
 Met dese Schepen; daer is doch geen salf aen hem te smeeren.

Tengnagel, de Spaensche Heidin, 1671, bl. 70: Zoo dat'er (volgens 't oude, en waere spreekwoord) geen zalf aen dat volk te stryken is; Bed. Huish. 14: Hier is geen zalf aan te stryken, 't is een bedurven Huishouwen; De Brune, Emblemata, 264: Is zy (de juffrouw) oock merckelick leelick, en daer geen zalve van schoone woorden aen te strijcken is, daer wert al raet toe gevonden. Voor de 18de eeuw zie Halma, 800: Daar is geen zalf aan hem te strijken, 't is verloorene moeite iets aan hem te doen; Sewel, 977; Harreb. II, 491; afrik. aan hom is nie meer salf te smeer nie. Voor Zuid-Nederland zie Joos, 78; Antw. Idiot. 1469 en vgl. voor het Limburgsch Welters, 86: er is geen zalf aan te strijken, er is geen vet aan te scheppen; ook in het fri. der is gjin sâlve oan to striken. In het nd. dar is kên Salbe mehr an to strîken (Eckart, 444); hd. daran ist Hopfen und Malz verloren.

2635. Het zeil strijken voor iemand,

d.w.z. voor iemand onderdoen; eig. het zeil laten zakken; lat. vela contrahere. Op groote schepen liet men ten teeken van eerbied het zeil een weinig zakken; vandaar dat de uitdr. de bet. kreeg van: iemand als meerdere erkennen, voor hem onderdoen, zwichten; Winschooten, 249. Zie Kil.: Strijcken het seyl, deducere vela, legere vela; Gew. Weuw. II, 22; De Brune, Bank. II, 234: De spreeck-konst moet voor de zwijghkonst wijcken, en 't zeyltjen laeghe strijcken; Pers, 171 a; 791 a; Paffenr. 197; Starter, 397; 401; Vondel, Gebroeders (ed. 1650), bl. 48: Noch waer 't voorzichtigheit te wijcken, en leeren 't zeil by tijts, voor zulk een onweêr strijcken; Van Effen, Spect. XII, 82: Een smakelijke broeder, die (na echter, met een verdienstelijke zedigheid het zeil gestreeken te hebben, voor Aarnoud van Overbeek) ons vertelde, dat hy onlangs met drie andere Tafelridders een aanzienlyke Kabeljauw tot de graten toe had helpen vernielen; Halma, 805: 't Zeil strijken, met het zeil groeten; eene reef inbinden, caler la voile, filer doux; Sewel, 767: Voor iemand stryken, to yield (or give way) to one. Syn. was 't zeil inhalen (Pers, 8 rVolgens Van Eijk I, 164 zegt men van iemand, die van zich zelven valt hij heeft het zeiltje gestreken; vgl. Halma, 805: 't Zeil strijken, zieltoogen, op sterven leggen.. Vgl. no. 2421; hd. vor einem die Segel streichen.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ster-4 ‘Streifen, Strich, Strähne, Strahl’; ‘über etwas hinwegstreifen, -streichen’, auch sterǝ- : strē-, strei-, streu-; mit g, b, dh (oder t) erweitert; identisch mit ster- ‘ausbreiten’, strē-lā ‘Pfeil’, stroigo- ‘Strich’

Ahd. strāl(a) ‘Pfeil, Blitzstrahl’, nhd. Strahl, as. strāla f. ‘Pfeil’, mnd. strāle ‘Pfeil, Strahl, Stachel’, ags. strǣl f. ‘Pfeil, Lanze’, norw. straal ‘kleiner Fischschwarm’, ostfries. strāl ‘Streifen’, as. strāl m., mhd. stræl (*strēlia-) ‘Kamm’ (von den Zähnen = Strahlen), wovon ahd. strālen, nhd. strählen ‘kämmen’; norw. strīl, strīla ‘Streifen, Ader, Strahl’, schwed. stril ‘kleiner Wasserstrahl’, strila ‘rieseln’, aksl. strěla ‘Pfeil’;
mhd. strām ‘Lichtstreifen, Strahl, Strom’, nhd. dial. strām ‘Streifen’; zu strei-: ahd. strīmo, nhd. dial. streimen, mnd. strīme ‘Streifen, Strieme, Strahl’; zu *streu- vielleicht: mhd. mnl. strieme, mnd. strēme ‘Streifen, Strahl’ (wenn aus ahd. *striomo), nhd. Striemen;
ahd. strëno, mhd. strën(e)Strähne, Haarflechte’; zu *streu-: lit. struniti ‘bauen’, aksl. struna ‘Strang, Saite’; von der Basis *ster-: klr. postorónok, poln. postronek, čech. postranek ‘Strang, Strick, Saite’.
lett. (saules) stars ‘Sonnenstrahl’, stars ‘Ast’, stara ‘Strick, Streifen’;
streig-: gr. ξέστριξ (knid.) ‘sechsseitig’, falls aus ξέσ-στριξ; lat. striga ‘Strich, Schwade; Zeltreihe; Längsfurche’, strigōsus ‘schmächtig, mager’, stria (wohl *strigi̯ā) ‘Furche, Falte’; stringō, -ere in der Bed. ‘abstreifen, streichen, berühren, das Schwert ziehen’, strigilis ‘Schabeisen’ (daraus nhd. Striegel);
ahd. strīhhan ‘streichen’, ags. strīcan ‘streichen, reiben, sich bewegen, gehen’; got. striks ‘Strich’, ahd. strik ‘Strich, Streifen, Strecke Wegs, Strich Landes’, ags. strica ‘Streifen’; aisl. strik ‘gestreiftes Zeug’, norw. strik ‘Strich, Windstrich, Streich’; mnd. strēk ‘Streich, Possen’, mhd. streich ‘Streich, Schlag’ (*straika-), ags. strācian ‘streichen’, engl. stroke ‘Schlag’;
apr. strigli ‘Distel’; aksl. strigǫ, strišti ‘scheren’; russ.-ksl. strěgъ ‘κουρά’ (*stroigo- = mhd. Streich); mit schwed. streke (*strikan-) ‘Stromstrich’ vgl. urslav. strьž-: russ. stréženь, strež, strežá ‘Stromstrich’;
nach Trautmann 290, Vasmer 3, 12 f. hierher als ‘Mitte, Herz’, apr. strigeno ‘Gehirn’, urslav. *strьžьnь, bzw. *strьženь ‘Mitte, Mark’, russ.-ksl. strьženь ‘Mark’ usw.
streib-: air. srīab ‘Streifen’ (*streibā); mnd. strīpe ‘Streifen’, mhd. strīfe, nhd. Streifen, norw. strīpa ds., schwed. stripa ‘herabhängender Haarbüschel’; mnd. mnl. strīpen ‘(ab)streifen’, mhd. streifen (*straipjan) ‘streichen, gleiten, umherstreifen, (ab)ziehen, schinden’, nd. strēpen ‘abstreifen’ u. dgl.
streug-: gr. στρεύγομαι ‘werde entkräftet, schmachte hin’ (air. trōg ‘elend’? s. u. ter-, treugh- ‘reiben’); aisl. strjūka ‘streichen, wischen, glätten; sich rasch bewegen’, strȳkja, strȳkva ds., stryk ‘Strich’, strykr ‘starker Wind’, ahd. strûchon ‘ruere, impingere’, mhd.strûchen ‘straucheln’, nl. strooken ‘streicheln, übereinstimmen mit’, ostfries. strōk ‘Streif, Streifen’, mnd. straken ‘streifen, streicheln’ (a aus o), ags. stroccian ‘streichen’, norw.strokk ‘Hobel’; lett. strūgains ‘gestreift’, lit. striũgas ‘Messer’ (poln. Lw.); aksl. stružǫ, strъgati ‘schaben, scheren’, strugъ ‘Werkzeug zum Schaben’, russ. strug ‘Hobel’ usw.
streub-: ahd. stroufen, mhd. ströufen (*straupjan) ‘abstreifen, berauben, plündern, umherstreifen’ = mnd. strӧ̄pen ds., ags. be-strīepan ds., mhd. striefen (*streupan) ‘streifen’; mhd. strupfen ‘streifen, abrupfen’.
streudh- oder streut-: ags. strūdian und strūdan ‘plündern’, strȳdan ‘berauben’, mnd. stroden, ahd. strutten ds.

WP. II 636 ff., WH. II 603, 604 f., Trautmann 288 f.; Vasmer 3, 27, 30 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal