Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

streng - (bars)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

streng 1 bn. ‘onverbiddelijk, nauwgezet’
Mnl. streng ‘ontoegeeflijk, onverbiddelijk’ in dordeel Gods sal wesen stringe ‘Gods oordeel zal streng zijn’ [1432; MNW-R], ‘krachtig, flink, voortvarend’ in eene ... strenge, koen ende voirvarende man [1470; MNW], ‘onvriendelijk, hard’ in wreet, stug, bitter, ... streng [1477; Teuth.], ‘fel, erg’ in in strengher noot ‘in ernstige nood’ [1450-1500; MNW]; vnnl. streng ‘volgens vaste beginselen, onverbiddelijk’ in strenge oordeel en strenge wetten [beide 1573; Thes.], ‘fel, bitter’ in een strenge en scherpe koude [1573; Thes.], ‘strak gespannen’ in van de strenge banden vry [1655; iWNT]; nnl. ‘strikt, nauwgezet’ in een strenge scheiding van vorm en inhoud [1838; iWNT], ‘zonder tierlantijnen’ in (over een afbeelding) strenge vormen [1884; iWNT]. Daarnaast staat ouder mnl. stranc ‘strak, onwrikbaar; sterk, hevig’ [1265-70; VMNW].
Verwant met → streng 2 ‘bundel draden’: de oorspr. betekenis is ‘strak aangetrokken’.
Os. strang, mnd. strenge; ohd. strango, strengi (nhd. streng); nfri. strang; oe. strang (ne. strong); on. strangr (nno. strang); ozw. strænger (nzw. sträng); alle ‘sterk, hard, hevig e.d.’, < pgm. *stranga-, *strangija-.
gestreng bn. ‘onverbiddelijk, nauwgezet, strikt’. Vnnl. van den Eedelen ende gestrengen Heer Ernst van Mandersloo [1584; WNT verzien IV]; nnl. Gestrenge vorst ‘strenge vorst’ [1772; iWNT], leeft ... in eene gestrenge afzondering [1785; iWNT], Een gestreng, doch rechtvaardig rechter [1788; iWNT], hoe gestreng en nauwgezet mijn vader was [1840; iWNT], (over een gebouw) dezelfde gestrenge stijl [1882; iWNT]. Afleiding van streng met het voorvoegsel → ge- (sub g). Het nu vrijwel geheel verouderde gestreng wordt over het algemeen in hogere schrijftaal gebruikt. Het betekent hetzelfde als streng.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

streng2* [bars] {streng(e), strenc [krachtig, hard, streng] 1437} ook middelnederlands strange, stranc {1265-1270}, vgl. middelnederduits strenge, oudhoogduits strengi, fries strang, oudengels strong, strang, oudnoors strangr; buiten het germ. latijn stringere [strak aantrekken], grieks stragx [uitgeperste druppel], middeliers strengim [ik trek], lets stringt [stijf worden].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

streng 2 bnw., mnl. strenghe (jonger strenc) ‘streng, onverbiddelijk, kloek, erg, hevig’, mnd. strenge, ohd. strengi (nhd. streng) < germ. *strangia-, waarnaast *stranga- in mnl. stranc ‘stijf, eng, hevig, groot, streng’, fri. strang, oe. ne. strong, on. strangr. — lett. strangs ‘moedig, monter’ (IEW 1036).

Evenals streng 1 uiteindelijk uit de idg. wt. *ster voor het bosbedrijf. De herkomst daaruit toont nog duidelijk on. strangi m. ‘stam met afgehakte takken’, nnoorw. strange ‘stam, stok’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

streng I bnw., mnl. strenghe (jonger strenc) “streng, onverbiddelijk, kloek, erg, hevig”, waarnaast stranc(gh) “stijf, eng, sterk, hevig, groot, streng” (nog dial.). = ohd. strengi (nhd. streng), mnd. strenge, os., fri. strang, ags. (eng.) strong, on. strangr in dgl. bett., germ. *straŋʒa-, *straŋʒia-, ouder wellicht *straŋʒu-. De oorspr. bet. was “strak gespannen, stijf”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

streng 2 bijv.(gestreng), Mnl. strenghe, Os. strengi + Ohd. id. (Mhd. strenge, Nhd. streng), Ags. strong (Eng. id.), Fri. strang, On. strangr (Zw. sträng, De. streng) + Gr. strangós = gewrongen, Lat. stringere = ineendringen, Oier. srengid = trekken, Lett. stringt = stijf worden, en verder sterk. De Germ. w. gaan op Idg. wrt. streŋgh terug.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

streng ‘niet toegeeflijk’ -> Indonesisch seteréng, stréng, setréng ‘niet toegeeflijk’; Balinees seteréng ‘niet toegeeflijk’; Jakartaans-Maleis seterèng ‘niet toegeeflijk’; Javaans strèng ‘niet toegeeflijk’; Menadonees strèng ‘niet toegeeflijk’; Papiaments strèn ‘niet toegeeflijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

streng* niet toegeeflijk 1437 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal