Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

streng - (bundel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

streng 2 zn. ‘bundel draden’
Onl. strink in toponiemen, bijv. in terram ... in Strinc ‘land in Streng’ [1177-87; Künzel] (de betekenis kan ‘smalle strook land’ zijn (ONW), of net als in de andere Oudgermaanse talen ‘zee- of rivierarm’); mnl. strinc, strenc, strenge ‘koord, bundel draden’ in Metten stringen vanden hare ‘met de haarvlechten’ [1300-25; MNW-R], Dese bant es van .IIII. stringen ‘deze band bestaat uit vier koorden’ [1340-60; MNW-R], een swiep, die heeft strengen ‘een zweep, die strengen heeft’ [1458; MNW-P], Dese strenc is van seven draden ‘deze streng bestaat uit zeven draden’ [1470-90; MNW-R].
Mnd. strenc; ofri. streng (nfri. string); oe. streng (ne. string); on. strengr (nzw. sträng); alle ‘koord, bundel draden e.d.’, in de oude taalfasen ook wel ‘zee- of rivierarm’ of ‘smalle strook land’, < pgm. *strangi-. Daarnaast staat de stamvariant *stranga-, waaruit zonder umlaut: onl. strank (in toponiemen, voor de betekenis geldt hetzelfde als hierboven bij onl. strink), mnl. stranc ‘zee- of rivierarm’, nnl. strang ‘id.’; mnd. stranc ‘streng; zee- of rivierarm’; ohd. strang ‘streng’ (nhd. Strang), West-Vlaams strange ‘strand’.
Verwant met: Latijn stringere ‘strak aantrekken, vastbinden’ (zie ook → stringent en → strikt) < pie. *strengh-, *strongh- ‘ineendraaien’ (LIV 604).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

streng1* [bundel draden] {in de vroegere Zeeuwse plaatsnaam Strinc 1177-1187, strenge, stringe, strenc [touw, riem, strook] 1344} middelnederduits strenk [streng, rivierarm], oudengels streng; van dezelfde stam als streng2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

strang 1 znw. o. v. ‘strand; dode rivierarm’, mnl. stranc m., stranke, strange v. ‘strand, rivierarm’ is formeel hetzelfde woord als mnl. stranc ‘streng’, mnd. strange, mhd. strange m. v., stranc m.

(nhd. strang) waarvoor zie: streng. — De bet. ‘strand’ leidt echter tot het vermoeden, dat dit woord naast strand teruggaat op de woordengroep van straal.
A. Weijnen, Taaltuin 7, 1938-9, 345 geeft een taalkaartje van de zeeuwse woorden strant, strange, strao, waarvan de beide laatste voorkomen in streken met een echt zandstrand.

streng 1 znw. v., mnl. strenc m. ‘streng, band, touw’, mnd. strenc m. ‘streng, rivierarm’, oe. streng m. ‘streng, touw’ (ne. string), on. strengr m. ‘streng, rivierarm’. Staat abl. naast strang 1. Verder zijn mnl. strinc m., stringhe v. ‘streng, touw’ als dialect. nevenvormen van streng op te vatten. — miers sreng ‘strik’, srengaim ‘binden’, gr. straggále ‘strik’, stroggúlos ‘gewonden, rond’, lat. strangulō ‘wurgen’, lett. stringt ‘strak worden’ van idg. wt. *strengh. — Zie ook: streng 2.

Volgens IEW 1036 van idg. wt. met bet. ‘straf, nauw’; samendraaien’, een afl. van de onder star behandelde wt. *ster. Men zal echter voor de verklaring moeten bedenken, dat de strik oorspronkelijk uit buigzame twijgen gedraaid werd en dat wij dus moeten uitgaan van het complex van werkzaamheden in het primitieve bosbedrijf; zo werden met strikken de palissaden aaneengebonden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

streng II znw. Na verwant aan streng I. Mnl. strenc (gh) m. “streng, band, touw”, Teuth. stranc “streng” (zoo nog dial.: Maastr. strānk) (= mnl. stranc m. “zee- of rivierarm”), ohd. stranc (nhd. strang) m. “id.”, mnd. strenk, strank m. “id., zee- of rivierarm’’, ags. streng m. (eng. string) “streng, touw”, on. strengr m. “id., streep, rivier- of zeearm”, germ. *straŋʒi-. De mnl. vormen strinc m., stringhe v. “streng, touw” (nog dial.) worden gew. als dial. vormen met i uit e opgevat. ’t Kunnen ook ablautende vormen zijn; ’t zelfde geldt dan van eng. string. Met schwundstufe noorw. dial. strungen “met gespannen buik”. Verwant met ier. srengid “hij trekt, sleept”, nier. sreang “streng”, lat. stringo “ik trek vast, snoer” (zie nog bij strijken), lett. stringt “stijf worden, verdorren”, strangs “moedig, frisch”. Deze kelt., lat., balt. woorden kunnen echter ook idg. g hebben en met gr. strangós “gedraaid”, strangálē “koord, strop” van een idg. basis streŋg- komen, een auslautvariant van streŋgh-. Zoowel stre-ŋ-g- als stre-ŋ-gh- zijn met de bij sterk en strak besproken basis verwant en evenals deze uit idg. *st(h)er- “stijf zijn” verlengd. Ten onrechte heeft men streng I en streng II anders verklaard en ze met oi. raçmí- “streng, teugel, straal”, raçanā́- “riem, teugel” gecombineerd (idg. s-reñḱ-: s-reñḱ-).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

streng II znw. Eng. string kan niet als ablautende vorm worden opgevat, maar is de regelmatige voortzetting van meng. streng; misschien wegens de -ng uit het Scand. (niet uit ags. streng, dat heeft). De mnl. nnl. dial. vormen met i zouden dus, indien ze ablaut hadden, volkomen geïsoleerd zijn; daarom zijn het eer dial. varianten naast de e-vormen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

streng 1 v. (band), Mnl. strenc, strinc, stringhe + Ags. streng (Eng. string) = touw, On. strengr (Zw. sträng, De. streng) = streep, rivierarm; daarnevens Vla., Mnl. strange = zeeoever, Ohd. stranc (Nhd. strang) = rivierarm: met de bet. stijve, ineengewrongen band bij streng 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

straank (zn.) dik touw, streng; Vreugmiddelnederlands strenge <1177-1187>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

strang, s(j)trank, zn.: streng garen, dik touw; ruggengraat, wervelkolom, rug, lichaam; streep. Br. strang ‘ruggengraat; straal, streep, striem’. Keuls röckstrang, Rijnl. strang ‘ruggengraat’. Mnl. strange, stranc, strenge ‘streng, strook, riem’. Vnnl. stranghe, stringhe ‘band, strik’. D. Strang ‘touw’, Mhd., Mnd. stranc; Oe. streng, E. string ‘(ook) snaar’, On. strengr, Zw. sträng ‘snaar, pees, touw’. Vandaar Kustwvl. strange ’strand’. Idg. *strenk-, *streng(h) ‘samendraaien’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

strang 2, zn.: ruggengraat; straal, streep, striem. Mnl. strange, stranc, strenge ‘streng, strook, riem’. Vnnl. stranghe, stringhe ‘band, strik’. D. Strang ‘touw’, Mhd., Mnd. stranc; Oe. streng, E. string ‘(ook) snaar’, On. strengr, Zw. sträng ‘snaar, pees, touw’. Vandaar Kustwvl. strange ’strand’. Idg. *strenk-, *streng(h) ‘samendraaien’. Samenst. rugstrank, rugstreng.

streen, zn.: streng. Mnl. strene ‘streng’, Vnnl. strene garens, stringhe ‘streng garen’ (Kiliaan). Ohd. streno, Mhd. stren(e), D. Strähne ‘streng, haarsliert’. Vandezelfde wortel als in streep, striem, straam, straal. Overdr. betekent het woord ook ‘iemand die er traag en onnozel uitziet; flauw meisje’. Samenst. streenhaar ‘wilde hoofdharen’.

string, zn.: touw, ketting waarmee het paard de wagen trekt, streng. Var. van Ndl. streng. Hetzelfde woord als strang 2.

stringel, zn.: droes, worg. Zie streng.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

strange zn.: strand. Ook in Brugge en aan de Wvl. kust. Mnl. strange, stranc ‘strand, zeearm, rivierarm’, strenge ‘strook’, Vnnl. stranghe ‘zee- of rivierarm, strand’ (Kiliaan). Mnd. strenk ‘streng, rivierarm’. Het woord is geen variant van strand, maar gaat terug op Germ. strangi ‘streng, touw’ > ‘strook, rivierarm, strook land, strook langs de zee’. Vgl. pln. Strinc (Cadzand) en Strangwere (FV). Afl. strangen ‘strandjutten’. Zie ook strarieën. – Bibl.: Devos 1991, 388-404.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

strange (ZV), zn.: strand. Ook in Brugge en aan de Wvl. kust. Mnl. strange, stranc 'strand, zeearm, rivierarm', strenge 'strook', Vnnl. stranghe 'zee- of rivierarm, strand' (Kiliaan). Mnd. strenk 'streng, rivierarm'. Het woord gaat terug op Germ. strangi 'streng, touw' > 'strook, rivierarm, strook land, strook langs de zee'. Vgl. pln. Strinc (Cadzand) en Strangwere (FV).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

strang I, strank, straank beek (Achterhoek). = strank ↑.
WALD 1987, 74.

strank, sjtrank, strang streng garen, dik touw, wervelkolom, streng als paardentuig, ader, streep (Limburg, Haspengouw, Heerewaarden). = mnl. stranc ‘streng’, hgd. strang ‘touw’. Ablautend ~ (rugge)streng. Van een wortel die ook aanwezig is in miers sreng ‘strik’, fra. étrangler ‘wurgen’ (‹ lat. strangulare ‘wurgen’), Lets stringt ‘strak worden’ en ‘samengetrokken’ betekende.
NEW 708-709, Van de Voort 280, Schols/Linssen 442, Jongeneel 60, Van Doorn 212, WLD I afl. II 178-179, Afl. VII 24-25, Tuerlinckx 597.

streen streng garen, haarsliert, riem, koord (Bommelerwaard, Zuid-Nederland). = hgd. strähne ‘streng, haarvlecht’, = zw. dial. strena ‘streep in de huid’. Van een basis die ook in striem, straal, russ. struná ‘snaar’ aanwezig is en ‘streep’ betekent.
Schols/Linssen 443, Goemans 410, NEW 708, IEW 1028, Kluge 754, Van de Water 136, Grootaers/Grauls 53, WBD II afl. VII, 25, Amkreutz e.a. 265.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

strange (B, kust), zn. o.: strand. Mnl. strange, stranc ‘strand, zeearm, rivierarm’, strenge ‘strook’, Vroegnnl. stranghe ‘brachium maris vel fluvii, sinus, maris aestuarium; litus, ora maris’. 1616 een stranghe, Brugge (VMKVA 1907, 298). Mnd. strenk streng, rivierarm’. Het woord gaat terug op Germ. strangi ‘streng, touw’ > ‘strook, rivierarm, strook land, strook langs de zee’. Vgl. pln. Strinc (Kadzand) en Strangwere (FV).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Streng (van garen, wol), van den Idg. wt. strenk of streng = draaien; vandaar is, „streng”: ineengedraaid garen; hiervan ook ’t bijv.nw. streng (gestreng) = strak staande, niets toegevend. – Strengelen is frequ. van strengen = ineendraaien of vlechten. Verwant is strik; vgl. ’t Hgd. stricken = breien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

streng ‘koord, bundel draden’ -> Russisch strénga, strénda, strend' ‘samenstellend deel van een touw’; Javaans † lestrèng, setrèng ‘onderdeel van een paardentuig; trekzeel’; Madoerees estreng, sottreng, sottre, sottreh ‘onderdeel van een paardentuig’; Makassaars siterêng ‘streng waarmee een trekpaard voor een wagen wordt gespannen’; Menadonees strèng ‘koord, bundel draden’; Papiaments strèn ‘rank’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

streng* koord, bundel draden 1177-1187 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1251. Iemand kort houden,

d.w.z. iemand in zijne vrijheid van bewegingen belemmeren, hem krap, nauw, scherp, straf houden; eene uitdrukking ontleend aan het inhouden der teugels van een paard (vgl. Zuidafr. iemand met springteuels ry (Boshoff, 335); op Goeree en Overflakkee: kort in de strengen staanN. Taalgids XII, 145. of het aan een korte lijn loopen van een jachthond die kort aangebonden isVgl. Chomel I, 322: Als men by een Bosch of struikgewas nadert, alwaar men vermoedt, dat zig de Wolven onthouden, moet men den Spoorhond kort houden; bl. 323: Ook moet de Jager zyne Brakken kort houden, zoodra hy een Hert, dat hem behaagt, heeft opgedaan, Zie no. 10.. In de middeleeuwen was reeds zeer gewoon enen cort houden (Grimm V, 2828 en Mnl. Wdb. III, 1944), waarnaast ook cort sijn; bij Kiliaen: Kort ende nauw iemanden houden, cohibere, refrenare, arcte contenteque habere; vgl. ook Hooft, Ged. I, 130 en Schijnh. bl. 112 (Panthéon); Halma, 283; Sewel, 413. In Zuid-Nederland kent men iemand kort houden, hem in toom houden, streng bewaken (Antw. Idiot. 1839); iemand kort bij band houden (Joos, 110); zich kort houden, d.i. uit behoedzaamheid zich onthouden van uit te gaan, of van met de handen ergens aan te raken, of van iets te zeggen of te antwoorden (De Bo, 560; Schuermans, 281; Rutten, 121; Hoeufft, 325); in Twente: eenen an 't töwken hoalden; vgl. fr. tenir qqn de court; hd. einen kurz halten; eng. to keep one short.

1406. Eéne (of dezelfde) lijn trekken,

d.w.z. het samen ééns zijn; vgl. Hooft, Ned. Hist. 221, die lyntrekkery bezigt in den zin van partijschapVgl. het 16de-eeuwsche en ook latere zijn strenge trekken, partij kiezen, voor zijn gevoelen uitkomen; iemands streng trekken, zijne partij kiezen (Pers, 636 b); Harreb. II, 313. Vgl. Vondel, Harpoen, 122.. De uitdr. kan ontleend zijn aan het bedrijf van den schipper en wil dan eig. zeggen: samen hetzelfde schip voorttrekken, hetzelfde doel beoogen; zie Winschooten, 140; De Brune, Emblemata, 40 en Sewel, 469: In 't lyntje loopen, to draw a boat with a line. Sedert de middeleeuwen is de uitdr. bekend; zij komt o.a. voor in de N. Doct. 271: Dese twee trecken al éne line; ook vindt men haar bij Campen, 102: sy trekken al eene lijnde, dat aldaar wordt opgegeven als synoniem van: sy pissen (of cacken) al tsaemen in eenen pot; sy steken thoeft al in eenen koevel; sy huylen al mit malcanderen; zie ook Coornhert, Liedekens, XXV, str. 1: Want Venus en de Wijn hier trecken eenen lyn; Servilius, 47*: Si trecken al een zeel (mnl. één seel trecken); Tijdschrift XXI, 89: Een lyni trekken; Sart. IV, 51: Pariter remum ducere, eene lijn trecken; III, 4, 55: Sy trocken een lijn maer elck op een eyndt (vgl. Tuinman I, 180); Hooft, Ned. Hist. 116; Vondel, Adam in Ball. 637: Zy trecken eene lijn: wat d'een begeert wil d'ander; Anna Bijns, N. Refr. 23; Refr. 32; Van Lummel, 109; Asselijn, Jan Kl. vs. 127: Een linie trekken; Sewel, 469; Jong. 273; enz. Andere synonieme uitdrukkingen waren: met iemand een jock trecken (Anna Bijns, Refr. 323); met iemand aan eenen staeck springen (Marnix, Byenc. 6 v); over eenen stock water draegen (Marnix, Byenc. 4 v); samen in een gat blazen (Harreb. I, 205); vgl. Borchardt, 234: se blosen än i loch en in jemandes Horn blasen; onder één hoedje spelen; handjeplak spelen (in De Arbeid, 28 Febr. 1914, p. 4 k. 1; 22 Aug. 1914, p. 2 k. 2; 29 Aug. 1914, p. 2 k. 1); enz.; in Zuid-Nederland zijn verder bekend: aan één koord trekken (Tuerlinckx, 339); op éen fluit spelen (Tuerlinckx, 190 en Rutten, 68 a); aan ééne streng trekken (Schuerm. 690; Waasch Idiot. 635 a; hd. an einem Strange ziehen); ééne zeel of ééne koord trekken (Schuerm. 740 en vgl. Antw. Idiot. 1472; Joos, 80; 106); aan hetzelfde zeel trekken, eendrachtig handelen; éen zeel spannen, samenspannen (Waasch Idiot. 756). In het Friesch: hja lûke mei in-oar (oan) ien line; eng. to pull together.

2197. De derde streng houdt (of maakt) den kabel,

d.w.z. alle goede dingen bestaan in drieën, gelijk een kabel gevormd wordt door drie ineengedraaide touwen; de derde man brengt de praat aanIn geheel anderen zin bij Potgieter; zie Taal en Lett. XI, 415.. In de 17de eeuw is de uitdr. zeer gewoon; zie o.a. Sart. II, 9, 82: de derde strengh maeckt de kabel; Cats I, 458; Smetius, 153: de derde strengh sal de cabel moeten maken; alle goede dingen moeten drie wesen; Hooft, Brieven (ed. Van Nop), bl. 38: Wat kond jck anders als de toortsen in den oven leggen, gebeden wordende van de geene die gebieden magh ende dat wt driederley naem, als Tesselschae, als Roemers dochter en als UE. suster? Een kabel van sulcke drie strengen bindt te vast om sich 't soeck te maecken; Ged. II, 407: De derde pijler vest; Tuinman I, 7, alwaar gewezen wordt op Pred. IV, 12: Een drie-voudich snoer en wort niet haest gebrokenJournal, 127: funiculus triplex non facile rumpitur., welke woorden een andere betee- kenis hebben; zie Taal en Lett. XIII, 114 vlgg.; Harreb. I, 372 b; Jord. 101: De derde streng houdt t'r de koabel.... wel nou, ik bin fraâgezel, fraulik en gesjochte; Le Roux II, 164: corde triplée est de durée; hd. eine dreifältige Schnur reisst nicht leicht entzwei; ein dreifacher Strick wird nicht bald zerrissen (Wander IV, 309, 910); mnl. een drievoudich seelkijn brect met pinen; enen coerde van drien getweernt brect men met pinen, vertalingen van den bijbeltekst.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

strenk-, streng- ‘straff, beengt’ u. dgl. ; ‘Strang, zusammendrehen, zusammenziehen’, (wie bei ster-g-, stre-g-, s. unter ster- ‘starren’)

Gr. στραγγός ‘gedreht’; durch eine schmale Öffnung tröpfelnd’ (στραγγουρία ‘Striktur’), στράγξ, -γγός f. ‘aussickernder, ausgedrückter Tropfen’, στραγγεύεσθαι ‘sich zusammendrehen, hindurchpressen, zögern’, στραγγάλη f. ‘Strang, Strick, Schlinge’, στραγγαλεύω, -ίζω, -όω (woraus lat. strangulō) ‘erdroßle’, στρογγύλος (aus *στραγγύλος) ‘gedreht = rund’;
mir. srengim ‘ziehe, schleppe’, sreng ‘Strick’, srincne ‘Nabelschnur’ (strengīni̯ā);
lett. stringt ‘stramm werden; verdorren’ (‘*sich zusammenziehen’), strangs ‘mutig, frisch’ (Lituanismus);
im Germanischen von der Wurzelform auf k oder gh: aisl. strengr ‘Schnur, Strang, Streifen, schmaler Strom’ (*strangi-), ags. streng m. ‘Schnur, Strang’, ahd. stranc (-g-), nhd. Strang; Denominativ aisl. strengja ‘festbinden, schließen’;
mit anderer Bedeutung aisl. strangr ‘heftig, stark, streng, hart’, ags. as. strang ds., strenge ‘streng’, mnd. strenge, ahd. strengi ‘scharf, stark, tapfer, streng’, und ags. strengan ‘befestigen’, mhd. strengen ‘strecken, drängen’, nhd. anstrengen;
norw. strungen ‘steif oder beklemmt im Magen’; aisl. strangi m. ‘Baumstamm’;
von der Wurzelform auf idg. Media: aschwed. strunker ‘aufgerichtet, gerade’, norw. dän. strunk ‘ds., stolz’, norw. strunken = strungen (s. oben), mhd. strunk ‘Strunk’, mnd. strunk ‘Stengel’, mhd. strunken, strunkeln ‘straucheln’, (könnten auch nasalierte Formen von st(e)reu-g- sein);
lett. streñkals ‘ein Stück verhärteten Auswurfs’ (etwa ‘steif, starr’).

WP. II 650 f., WH. II 605.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal