Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stouw - (dial.)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

stouw, zn.: kudde. Van ww. stouwen ‘voortdrijven van vee’ ook zn. stouwer ‘veedrijver’. Voor de ou-klank, vgl. duwen/douwen.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

stouw zn.: troep, kudde. Van Mnl. stouwen, stuwen ‘jagen, voortduwen, aandrijven’, Vnnl. stouwen ‘voortdrijven’ (Kiliaan). Mnd. sto(u)wen ‘opgestuwd worden’. Afl. stouwer ‘drijver van vee’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

stouw (H), zn. m.: kudde. Van ww. stouwen 'voortdrijven van vee' ook zn. stouwer 'veedrijver'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

stouw, staaw troep (Brabant, Zeeland, Land van Hulst). ~ stouwen ↑.
Ghijsen 946, Weijnen 1937, 182, Cornelissen/Vervliet 1198.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal