Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stoten - (een stoot geven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stoten ww. ‘een stoot geven’
Onl. stōtan ‘duwen, een stoot geven’ als glosse stoeten [951-1000; ONW] en in Her wart gestozen uan einer hôn muren ‘hij werd van een hoge muur geduwd’ [1151-1200; ONW]; mnl. stoten [1240; Bern.].
Os. stōtan (mnd. stoten); ohd. stōzan (nhd. stossen); got. stautan; alle ‘stoten’; < pgm. *stautan-. Hierbij hoort het afgeleide nomen actionis *stauti-, waaruit: mnl. stoot (zie onder); mnd. stōt; ohd. stōz (nhd. Stoß); ofri. stēt (nfri. stjit); on. steytr (nzw. stöt). Enkele Germaanse talen hebben in plaats van het sterke werkwoord *stautan- een zwak werkwoord met gelijke betekenis: ofri. stēta (nfri. stjitte) en on. steyta (nzw. stöta); pgm. *stautijan-.
Verwant met: Latijn tundere ‘stoten’, studēre ‘ijverig beoefenen’; Sanskrit tudáti ‘hij stoot’; Oudiers do-tuit ‘hij valt’; Armeens tndal ‘geschokt worden’; Albanees shtyj ‘stoten’; < pie. *(s)toud-, *(s)tud- (LIV 601). Andere afleidingen van *(s)tou-d- in het Nederlands zijn → stotteren, → stuiten en → stuit.
Het werkwoord is van oorsprong sterk: mnl. stoten, stiet(en), ghestoten. Tegenwoordig wordt in het Nederlands meest een zwakke verleden tijd stootte(n) gebruikt.
stoot zn. ‘duw; knappe vrouw’. Mnl. stoet ‘stoot, duw’ [1240; Bern.], gewoonlijk stoot ‘aanval’ in De romeine daden eenen stod ‘De Romeinen deden een aanval’ [1285; VMNW], en ‘botsing, conflict’ in Van alle stoot, twist, onminne ‘van elke botsing, twist en onmin’ [1355; MNW]; nnl. stoot ook ‘sexy meisje’ [1970; Broersma], een overdrachtelijke betekenis die wrsch. is ingegeven door de schok die de aanblik daarvan kan teweegbrengen. Afleiding van stoten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stoten* [een duw geven, schokken] {1201-1250} oudsaksisch stotan, oudhoogduits stozan, oudnoors stauta, gotisch stautan, verwant met stuiten1, vgl. ook stotteren; buiten het germ. latijn studēre [streven naar] en (zonder s), tundere [stoten], oudindisch tudati [hij stoot].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stoten ww., mnl. stôten, os. stōtan, ohej. stōʒan (nhd. stossen), got. stautan (redupl. ww.) naast on. stauta (zwak). Daarnaast een zwak *stautjan in ofri. stēta, on. steyta. — lat. studeō ‘ik doe moeite’ en zonder begin-s lat. tundo, oi. tudati, tundatē ‘stoten’, gr. PN Tundáreōs, Tudeús, oiers do-tuit ‘valt’ (IEW 1033-4). — Idg. wt *(s)teud. — Zie ook: stotteren, stuit, stuiten en stutten.

De idg. wt. *(s)teud is een afl. van *(s)teu, waarvan verder nog gevormd zijn:
*steuk zie: stug
*steug zie: stok, stoken, stuk en stuiken
*steup zie: stobbe
*steub zie: stoop, stoppen en stief-
*steun zie: steunen 1.
De germ. woorden hebben soms geen of zeer sporadische verwanten in andere idg. talen; het wekt de indruk, dat hier op een germaans gebied een rijke spontane ontwikkeling heeft plaatsgehad. Dat wijst op een vruchtbaar begripsveld als uitgangspunt en dit is klaarblijkelijk de reeks van activiteiten, die onmiddellijk of middellijk samenhangen met een primitief bosbedrijf (zie J. Trier, Westf. Forsch. 4, 1941, 127-9). De kruising met woorden, die van een grondvorm met de klinkers ei en de themavocaal e/o uitgaan is een bewijs te meer voor het affectieve karakter van deze voor de primitieve mens zo belangrijke werkzaamheden. — Zie voor deze uitgebreide woordgroep: staak. — Rekent men nu verder met een mobiele s, dan behoren in het germ. hiertoe ook nog woorden die met een dentaal beginnen, zie daarvoor: doft, waar echter op de onzekerheid van deze verbinding gewezen wordt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stooten o.w., Mnl. stoten, Os. stôtan + Ohd. stôʒan (Mhd. stôʒen, Nhd. stoszen), Ofri. stéta, On. stauta (Zw. stöta, De. stode), Go. stautan + Skr. wrt. tud, Lat. tundere, Alb. štün’ = stooten; voorts stuiten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

stoete (ww.) stoten; Aajdnederlands stotan <951-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

stoten (stootte, heeft gestoten), 1. duwen. Opgeschoten jongens en meisjes trokken op aandringen der ouders erheen [naar het Gouvemementsplein], jonge moeders, niet gestoord door enig verkeer, stoten rustig het babywagentje* voort en gaan nu en dan even uitrusten () (Waller 85). Achter het huis van Nanie staat een schuur. Daar trekt zij Ram naar toe. Zij stoot hem er in (A. de Vries 1957 (5): 11). - 2. schuiven. - Etym.: AN s. = schokkende of krachtige duw(en) geven. - Zie ook: (i.v.m. 1) openstoten*, stootkar*, poelen*; (i.v.m. 2) schuiven*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stooten, van den Germ. wt. staut, Idg. tud = stooten; vgl. Lat. tundo = ik stoot; tudes: hamer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stoten ‘een duw geven, schokken’ -> Ambons-Maleis stot ‘stoten van een geweer’; Kupang-Maleis stoot ‘stoten van een geweer’; Menadonees stoot ‘stoten van een geweer’; Ternataans-Maleis stoot ‘stoten van een geweer’; Negerhollands stoot ‘een duw geven, schokken’; Papiaments stot (ouder: stoot) ‘een duw geven, schokken’; Sranantongo stotu ‘een duw geven, schokken’; Saramakkaans totò ‘een duw geven, afduwen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stoten* een duw geven, schokken 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

560. Een ezel stoot zich niet tweemaal aan denzelfden steen,

d.w.z. iemand, die eens iets nadeeligs heeft ondervonden of eene fout heeft begaan, zorgt wel, dat dit geen tweede maal geschiedt. Te recht merkt Tuinman I, 370 op: Dat hebben wij van de Latynen. Asinus ad lapidem non bis offendit eundem. Zy zijn dan dwaazer dan ezels, die zich niet wachten voor dat geene, waar by zy zich eens qualyk bevonden hebben. Vgl. ook Cicero de Orat. 3, 41, 166: Neque me patiar iterum ad unum scopulum ut olim classem Achivam offendere; in het Grieksch: δις προς τον αυτον αισχρον προσκρουειν λιθον. Zie Otto, 186 en vgl. Vondel's Leeuwendalers, vs. 767:

Een ezel stoot maer eens zich aen den zelven steen.
De mensch wel zevenmael, en denckt niet om zijn been.

Harrebomée I, 188 a; III, 180 b; Wander I, 862: ein Esel stösst sich nicht zweimal an denselben Stein.

1719. (Op)dokken,

d.w.z. betalen, geld geven; vgl. ook afdokken, dat eveneens betalen, afschuiven beteekent (Ndl. Wdb. I, 909; Jord. 260), waarnaast eertijds ook uitdokken en overdokken voorkwam. Het wkw. dokken vermeldt Kiliaen met de beteekenis dare, cito dare, promere (voor den dag halen) naast opdocken, dare, promere; de eigenlijke beteekenis is die van slaan, kloppen, duwen, stooten (in dezen zin in Zuid-Nederland nog zeer gewoon), syn. van het Zuidndl. botten, doppen en het eng. to stump (up), to stump the pewter, dat ook in den zin van betalen voorkomt, zoodat geld dokken eigenlijk zal beteekenen geld van zich afstooten (vgl. Kil. cito dare), afschuiven, geven. In de 17de eeuw is (op)dokken reeds vrij gewoon; zie o.a. Kluchtspel III, 19; Winschooten, 45; Sewel, 595; Halma, 456; Harreb. III, 52 a; Ndl. Wdb. XI, 451; III, 2752; Villiers, 92. In Zuid-Nederland is (af)dokken in den zin van betalen nog bekend (Waasch Idiot. 180 a; Teirl. 335; Antw. Idiot. 127; 335) naast doppen, botten (Waasch Idiot. 140 a; Teirl. 360) en opbotteren (Waasch Idiot. 816), die alle drie eveneens eig. slaan, duwen, stooten beteekenen. Zie Tijdschr. XXXVI, 61 vlgg.

2566. Tegen de wieg stooten,

d.w.z. drinken (alcohol), aan de flesch likken. Vgl. Sjof. 28: Het was bekend dat-ie lekker an de wieg stootte; S. en S.: Zoo'n meesterknecht is ook de kwaaiste niet, als je 'm zoo nou en dan 's mee an de wieg laat stoote; De Telegraaf, 18 Juni 1914 p. 5 k. 2: Ja soms ‘stooten’ zij zoo dikwijls ‘aan de wieg’, dat zij ‘voor Pampus liggen’ eer de dag, de Zondag, goed en wel begonnen is; Draaijer, 48: Stoot is an de wiege, toe, drink eens; Regenboogkleuren, 114: De ‘olde’ trakteerde vanwege de verloving van Koningin Wilhelmina en wij ‘stootten aan de wieg’; fri. oan 't naentsje (wiegje) of de nane stjitte, uit het glaasje proeven. Syn. is aan den draad trekken; zie Harreb. III, CXVIII: Aan den draad trekken, een minnaar van een borrel zijn; Sjof. 9: De meester die sterk aan den draad trok, was 's avonds nog al eens gepoetst; syn. van aan de kurk trekken (Busk. Huet). Ook in den algemeenen zin van ‘bij iemand om hulp aankloppen’ wordt ‘tegen de wieg stooten’ gebruikt.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)teu-1 ‘stoßen, schlagen’ u. dgl., mit kons. Erweiterungen

A. (s)teu-k-: gr. τύκος ‘Hammer, Meißel; Streitaxt’, τυκίζω ‘bearbeite Steine’, τυκάνη ‘Dreschvorrichtung’ (bei Hes. τυτάνη); air. toll ‘hohl’, toll ‘Höhle, Loch’ (*tukslo-), cymr. twll ‘foramen’, adj. ‘perforatus’, bret. toull ‘Loch’; wahrscheinlich ahd. dūken ‘drücken, niederdrücken’, ags. ðȳ(a)n, ðēon ‘drücken, zwingen, stechen’ (s. Genaueres u. tu̯eng̑h- ‘bedrängen’);
lett. tukstêt ‘klopfen’, taucêt ‘im Mörser stampfen’, russ.-ksl. istъknǫti ‘effodere’, aksl. tъkati ‘weben, stechen’, usw.;
aisl. styggr ‘zornig, unfreundlich’, nl. stug, älter stugge ‘steif, unfreundlich, abstoßend’ können ursprüngl. ‘abstossend’ und ‘steif’ sein und im letzteren Falle mit lit. stúkti (s. unten) unter steugh- ‘steif dastehen’ vereinigt werden.
B. (s)teu-g-: ai. tujáti, tuñjáti, tunákti ‘drängt, stößt’, Med. ‘kommt in schnelle Bewegung’;
mir. tūag f. ‘Axt’ und ‘Bogen’, jünger stūag, tūagaim ‘schlage mit der Axt’, tōcht ‘Teil, Stück’; expressives *stoukkā in bret. stuch ‘Pfeilspitze, Feder’, stuc’henn ‘Garbe, Brotschnitte’ (nir. stūaic ‘Anhöhe, Spitze’ usw. ist brit. Lw.); vgl. nhd. ‘Stück’ und ‘Stauche’ (Loth RC. 42, 320 ff.);
vermutlich lit. stùngis ‘Messerstumpf’, stúkti ‘in die Höhe ragen’; und aksl. tъštati sę “σπεύδειν”;
schwed. stuka ‘überwältigen’, norw. stauka ‘stoßen, verletzen, stottern’, mnl. nnd. stūken ‘stoßen, aufschichten, erstaunen’, nhd. verstauchen (aus dem Nd.), ndl. verstuiken ‘verrenken’; afries. stāk ‘steif’ zu norw. stauka;
mnd. stoken ‘stechen, stochern’, engl. dial. stoke ‘das Feuer schüren’, nhd. stoche(r)n; ohne anlaut. s-: aisl. þoka ‘rücken, verändern, gehen’, ags. ðocerian ‘umherlaufen’;
ahd. mhd. stoc, -ckes ‘Stock, Stab, Baumstamm’ (wohl ‘*abgeschlagener Ast oder Stamm’, vgl. abstocken), ags. stocc ‘Stock, Stamm, Stumpf’, aisl. stokkr ‘Baumstamm, Pfahl, Block’, woneben mit der Bed. ‘steif’ nd. stück, mhd. nhd. stocken ‘steif werden’; aisl. stykki, ags. stycce, ahd. stucki, nhd. Stück;
ahd. stūhha f., mhd. stūche m. f. ‘weit offener Ärmel am Frauengewand (eig. Ärmelstumpf), Kopftuch’, nhd. Stauche, mnd. stūke ‘Stumpf, weiter Ärmel’; mit : ags. stocu f. ‘langer Ärmel’;
manche neigen zur Annahme eines Bed.-Kernes ‘steif’ (woraus ‘stoßen’ entwickelt sei), und zum Vergleich mit lit. stúkti ‘in die Höhe stehen’ (alit. stauginė́ti ‘schlendern’, eigentlich ‘steif, stolpernd gehen’); vgl. russ. stugnutь ‘gefrieren (*steif, starr werden?)’, gr. στύγες Pl. ‘Eiskälte’, στύγος n. ‘Abscheu, Haß’, στυγέω ‘hasse, verabscheue, fürchte’, στύξ, Gen. στυγός f. ‘das Verhaßte, Frost’; FlN Στύξ, s. unten S. 1035;
zweifelhaft und nur unter der Annahme von ‘Ablautentgleisung’ möglich ist die Zugehörigkeit von got. stigqan ‘zusammenstossen mit’, ga-stigqan ‘anstossen’, aisl. støkkva st. V. ‘spritzen’, Intr. ‘bersten, springen, fallen, laufen’; ags. stincan ‘stieben, dampfen, aufwirbeln; stinken’, as. ahd. stincan ‘stinken, riechen’; Kaus. aisl. støkkva ‘verjagen, besprengen’, ags. stencan ‘zerstreuen’, mhd. steuken ‘stinken machen’; as. stank, stunk, ags. stenc ‘Geruch, Gestank’, ahd. stanc ‘ds., auch Duft’.
C. (s)teu-d-: ai. tundatē, tudáti ‘stößt, stachelt, sticht’, todá- m. ‘Stachler, Lenker’; arm. t’ndal, t’ndel ‘erschüttert werden’;
aus dem Gr. vermutlich Namen wie Τυδεύς, Τυνδάρεως; fraglich τυννός “μικρός” (‘*zerstoßen’, ai. tunná-? eher Lallwort mit Konsonantendehnung wie τυτθός ‘ganz klein; jung’);
alb. shtynj ‘stoße’ (*studni̯ō);
lat. tundō -ere, tutudī ‘stoßen, schlagen, hämmern’, tudes, -itis ‘Hammer’, tuditāre ‘heftig stoßen’, wohl auch tussis ‘Husten’ (ob dazu umbr. tuder ‘finem’, tuderato ‘finitum’, so daß ‘Grenze’ eig. ‘Endpunkt; woran man anstößt’?); studeō, -ēre ‘sich ernstlich worum bemühen, eifrig betreiben, sich befleißigen’, studium ‘Streben, Eifer’ (‘*wonach zielen’ aus ‘wonach schlagen’);
air. do-tuit ‘fällt’ (das t vom Pl. -tuittet aus *-to-tudi̯ont); abret. ar-stud ‘cuspis’, bret. astuz ‘Ungeziefer’, cymr. cystudd ‘Schmerz’, usw.;
got. stautan (aisl. stauta schw. V.), as. stōtan, ahd. stōzan ‘stoßen’; mhd. nhd. stutzen ‘mit den Hörnern Stoßen, plötzlich stillestehen, zurückprallen’, mhd. stotze ‘Stamm, Klotz’; aisl. steytr, ahd. stōz ‘Stoß’; ahd. stiuz, nhd. Steiß (mit md. ei für eu) eigentlich ‘*abgestutzter Körperteil’ (vgl. nhd. Stoß ‘die Schwanzfedern des Vogels in der Jägersprache’);
aisl. stūtr ‘Horn, Stumpf, Ochs’, mnd. stūt ‘Oberschenkel, Steiß’; schwed. norw. stota ‘stottern, stolpern’, nhd. (nd.) ‘stottern’; auf Grund des Nasalpräsens aisl. stuttr ‘kurz’, ags. styntan ‘stutzen’ u. dgl.
D. (s)teu-p- (vereinzelt -b-, -bh-) ‘stoßen’; auch ‘Stock, Stumpf’.
ai. pra-stumpáti (unbelegt), tṓpati, tupáti, túmpati, tumpáti ‘stößt’, tūpará- ‘ungehörnt’;
gr. τύπτω ‘schlage’, τύπος ‘Schlag, Eindruck’; στυπάζει· βροντᾳ̃, ψοφεῖ· ὠθεῖ Hes., στύπος ‘Stock, Stiel, Stengel’; mit -bh- στυφελίζω ‘schlage, mißhandle’, στυφλός ‘rauh, steinig’; über στυφελός ‘herrisch’ s. Leumann Homer. Wörter 269 f.;
lat. stuprum ‘Schande’, bes. ‘die Entehrung durch Unzucht’ (ursprüngl. ‘die dafür verhängte Prügelstrafe’?); stupeō, -ēre ‘starr stehen; betäubt, betreten sein, stutzen’, stupendus ‘erstaunlich, staunenswert’; mit -b(h)- vielleicht titubāre ‘wankeln, straucheln, mit der Zunge anstoßen, stottern’;
aus *steub(h)-mā, *stoub(h)-mā: cymr. ystum f. ‘Biegung, Wendung, Gestalt’, bret. stumm ds. (ins Ir. entlehnt mir. stuaimm f. ‘Fähigkeit’), auch ‘Flußbiegung’; dastum ‘das Einsammeln’ (Loth RC. 48, 354 ff); vgl. ags. stūpian;
ahd. stobarōn ‘obstupēre’;
aisl. stūfr ‘Stumpf’, mnd. stūf Adj. ‘stumpf’, stūven = aisl. styfa ‘abstumpfen, abhauen’; aisl. stofn ‘Baumstumpf, Grundlage’; ags. stofn ds., aisl. stubbr, stubbi m. ‘Stumpf, Baumstumpf’, ags. stybb n. ‘Baumstumpf’;
mit germ. -p-: aisl. stūpa ‘emporragen’, ags. stūpian, mnl. stupen ‘sich bücken’; ablaut. ags. stēap ‘hoch, ragend’ (engl. steep ‘steil’), mhd. stouf ‘hochragender Felsen’ (Hohestaufen), mhd. stief ‘steil’; aisl. staup n. ‘Loch, Becher’; ags. stēap, ahd. mhd. stouf ‘Becher’; ags. stoppa ‘Kübel, Eimer’; aus ‘abgestutzt = beraubt’ erklärt sich aisl. stjūp- ‘Stief-’ (stjūpr ‘Stiefsohn’), ags. stēop-, ahd. stiof-, stiuf-, nhd. Stief-, ags. ābe-stīepan ‘berauben’, ā-stīeped ‘verwaist’, ahd. ar-, bi-stiufan ‘der Eltern oder der Kinder berauben’;
lett. staũpe ‘Pferdefußtapfen’; stupe, stups ‘Besenstumpf; (abgebrochene) Rute’.

WP. II 615 ff., WH. II 608 ff., Trautmann 331, Vasmer 3, 109, 160.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal