Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stoppen - (dichtmaken, insteken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stoppen 1 ww. ‘dichtmaken, insteken’
Onl. stuppon ‘dichtmaken’ in stuppendero oron iro ‘haar oren dichtstoppend’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. stoppen ‘dichthouden’ in Mar so si stopde meer die wonde Met harre hant ‘Maar naarmate zij de wond steviger met haar hand dichthield’ [1265-1270; VMNW], ‘ergens in steken, bergen’ in dit stopt in eenen erden pot met leeme ‘stop dit in een aarden pot met leem’ [15e eeuw; MNW]. Daarnaast is er de vorm stopen, zoals in die gate te stopene ‘de gaten dicht te stoppen’ [1286; VMNW].
Tussen tegengestelde opvattingen omtrent stoppen, enerzijds als erfwoord, anderzijds als oud Latijns leenwoord, is allengs een synthese ontstaan. Deze houdt in dat een Germaans werkwoord met de betekenis ‘stoken, steken’, behorende tot de familie van stoten, invloed heeft ondergaan van vulgair Latijn stuppare ‘(vaatwerk) met een dot van vlas of hennep dichtstoppen’, bij stuppa ‘dot van vlas of hennep’, dat ontleend is aan Grieks stúppē). Uit woordgeografische gegevens valt af te leiden dat deze ontlening heeft plaatsgevonden in het gebied van de Nederrijn; bovendien moet dit na de 7e eeuw zijn gebeurd, te oordelen naar de geattesteerde Oudhoogduitse vormen met -pp- zonder Hoogduitse klankverschuiving. Doordat het Germaanse werkwoord ook ‘insteken’ betekende, kon er gemakkelijk een vermenging optreden. Als term uit de handel en de zeemanstaal heeft het door stuppare beïnvloede woord zich verspreid over met name het gebied aan de zuidelijke Noordzee, waardoor het ook in het Oudengels is overgeleverd.
Mnd. stoppen ‘dichtmaken, wegstoppen’ (waaruit nzw. stoppa ‘vullen, insteken); ohd. stopfōn, stupfen ’steken, prikken‘, stoppōn, stopfōn ’dichtmaken‘ (nhd. stopfen ’dichtmaken, vullen‘ en (dial.) stupfen, ’stoten, prikkelen‘); ofri. stoppia ’dichtmaken‘ (nfri. stopje ’dichtmaken, vullen, insteken); oe. forstoppian ‘dichtstoppen’ (ne. stop ‘(af)sluiten, dichtstoppen’); < pgm. *stuppōn-. Zie ook → stof 2.
Het Germaanse erfwoord is verwant met: Latijn stupēre ‘onbeweeglijk zijn, verstomd staan’; Grieks túptein ‘slaan’; Sanskrit tupáti ‘hij stoot’; Lets stups, stupe ‘bezemstomp’; < pie. *(s)teup-/*(s)teub-, een wortel met labiaaluitbreiding van de grondvorm pie. *(s)teu- ‘stoten, slaan’ (IEW 1034). Pgm. *-pp- is wrsch. ontstaan uit -bhn- (wet van Kluge) in werkwoordsvormen zoals pgm. *stuppōþi < pie. *stubh-neh2ti ‘hij slaat, stoot’.
Zie ook → stoppen 2.
stop 1 zn. ‘afdichting’. Mnl. stoppe ‘dot van vlas of hennep’ in 1 wieke gemaect ... van stoppen, dat men ooc heet werc ‘een lampenpit gemaakt van stopsel, dat men ook werk noemt’ [1351; MNW], ‘afsluiting voor de opening van een fles e.d.’, in J. die der stad vlesschen hadde laten vermaken an die halse ende an die stoppe ‘J. die wijnflessen van de stad had laten veranderen aan de hals en aan de stop’ [1368; MNW] en ‘stopsel’ in ten waer dat op tzelve laken boetschuldich gescreven worde, om de stop ‘tenzij op dat laken ’boeteplichtig‘ wordt geschreven om het stopsel’ [1453-97; MNW].
Lit.: J.P. Ponten (1969), Obturamentum Lagenae. Untersuchungen zum Begriffsfeld eines dialektalen Wortverbandes. Marburg, 113-114, 125-131; De Grauwe (1982), 341-342

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stoppen* [dichtmaken] {oudnederlands stuppon 901-1000, middelnederlands stoppen} oudhoogduits stopfon, verwant met stobbe.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stoppen 1 ww. ‘dichtmaken’, mnl. stoppen, onfrank. stuppon, mnd. stoppen (> on. stoppa, nnoorw. nzw. stoppa, nde. stoppe), ohd. stopfōn (nhd. stopfen) uit een westgerm. *stoppōn evenals oe. forstoppian ‘toestoppen’. Met intensieve -pp- gevormd naast stuipen en stobbe, en dan te verbinden met de idg. wt. *(s)teub: *(s)teup, waartoe behoren o.a. oi. tupáti, túmpati ‘stoot’, lat. stupeō ‘onbewegelijk staan, verbaasd zijn’, lett. stupe, stups ‘stomp van een bezem’. — Zie voor verdere verwanten: stoten. — In het westgerm. gebied is dit woord echter vermengd met een mlat. woord stuppāre ‘met een prop van werg afsluiten’, vgl. lat. stuppa naast stupa ‘werg’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stop I znw., niet bij Kil., Teuth. stopp, mnl. eenmaal stoppe (Deventer 1368), wsch. mv. Een ook du. en fri. afl. van ’t ww. stoppen I, mnl. stoppen “stoppen, dichten, sluiten, stillen, doen ophouden” = onfr. stuppon “dichtstoppen”, ohd. stopfôn “steken” (nhd. stopfen; ohd. bi-stopfôn “dichtstoppen”), mnd. stoppen “stoppen, dichtstoppen, tegenhouden”, ags. de samenst. for-stoppian “dichtstoppen” (eng. to stop “doen ophouden, ophouden” > nnl. stoppen II “stilstaan, ophouden”). Men leidt dit ww. wel af uit mlat. stuppâre “met werk (lat. stuppa) stoppen” (fr. étouper). Deze verklaring is onaannemelijk, aangezien ohd. stopfôn niet “stoppen”, maar “steken” beteekent, uit welke bet. zich “stoppen, verstoppen, dichtstoppen” uitnemend verklaren laat. In de laat-ohd. periode lat. stuppa zelf in verschillende germ. talen overgenomen (laat-ohd. stuppa v. enz.); dit ontleende znw. kan eventueel dan op de bet. van stoppen eenigen invloed gehad hebben. Wgerm. *stoppôn moet direct met ohd. stopfo m., stupf m. “steek, punt” gecombineerd worden; pp kan uit vóórgerm. bn, bhn of pn verklaard worden: met ’t oog op oudnnl. (nog dial.) stoof “tronk”, Kil. stobbe (“Fris.”; nog fri.), saks.-mnl. en -nnl. stubbe “id.”, mnd. stûf bnw. “stomp”, stûve m. “stompje, restje”, stubbe m. “boomstronk”, ags. stybb m. “id.”, on. stûfr m. “stompje”, stubbr, stubbi m. “id., boomstronk” en buiten het Germ. gr. Stúpos “stok, steel”, lett. stups, stupe, stupure “stompje” oi. tûpará- “ongehoornd” (ook hierbij stupá- “kuif”?) is ’t wsch., dat germ. stupp- op idg. stup-n- teruggaat. Al deze woorden zullen dan van de onder doft besproken basis (s)tup- “stooten” komen. Ook ohd. stobarôn, lat. stupêre “verbaasd zijn” kunnen hiervan komen (oorspr. bet.: “geslagen worden, blijven staan als een getroffene”). Voor de bet. “steken” vgl. mnl. stēken, stōken “steken, stooten”, voor de geciteerde woorden voor “stompje, boomstronk” vgl. bij stomp I.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stop I, stoppen I, stoppen II znw. resp. ww. Over germ. pp uit vóórgerm. bn, bhn of pn zie bij bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stoppen 1 o.w. (toestoppen), Mnl. id., Onfra. stuppon + Ohd. stopfôn (Mhd. stopfen, Nhd. id.), Ags. stoppian (Eng. to stop), Zw. stoppa, De. stoppe: behoort bij stobbe; uit de bet. stooten, steken, ontwikkelt zich die van dichtstoppen, dan tegenhouden en doen ophouden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

stuppen ww.: doorstopwerk doen. var. van stoppen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stoppen, vermoedelijk afl. van ’t Lat. stuppa, Mnl. stoppe = werk of uitgeplozen touw. Stoppen wil dus eig. zeggen: met werk dichtmaken. – Stoppen, van treinen, komt van een Nederduitsch werkw., dat stilhouden bet. en op een ouder werkw. teruggaat; Germ. stuppon.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stoppen ‘dichtmaken’ -> Duits stopfen ‘dichtmaken’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens stoppe ‘dichtmaken’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stoppe ‘dichtmaken; repareren met naald en draad’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds stoppa ‘opstoppen, opvullen’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans stopper ‘iets dichtmaken (kledingstuk)’; Russisch štópat' ‘dichtmaken (kousen, kleding); gaten in weefsels dichttrekken met draden’; Oekraïens štópati ‘dichtmaken (kousen, kleding)’ <via Russisch>; Esperanto ŝtopi ‘een gat in een stoffen voorwerp dichten’ <via Frans>; Zuid-Afrikaans-Engels stop ‘hoeveelheid marihuana voor een pijp’ <via Afrikaans>; Ambons-Maleis istòp ‘dichtmaken’; Javaans dialect setop ‘dichtmaken van sokken’; Menadonees istòp ‘dichtmaken’; Negerhollands stop ‘dichtmaken’; Berbice-Nederlands stupu ‘dichtmaken’; Papiaments † stop ‘dichtmaken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stoppen* dichtmaken 0901-1000 [WPs]

stoppen stilstaan 1849 [WNT] <Engels

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

603. Een gat stoppen,

d.w.z. een tekort aanvullen door het verstrekken der benoodigde gelden; eene schuld dekken; synoniem van het laat-mnl. een deur open doen om een venster te stoppen (zie Ndl. Wdb. III, 2464). Vgl. Winsch. 65: Dat gat is niet te stoppen, dat is, die schulden, die daar gemaakt sijn, die kunnen niet worden betaald. In de 18de eeuw komt de uitdr. voor bij Van Effen, Spect. IX, 213; vgl. ook Halma, 149: Een gat stoppen, eene schuld betaalen, boucher un trou, payer une dette. Vandaar ook: een gat maken om een ander te stoppen of het eene gat met het andere stoppen, eene schuld aangaan om een andere te dekken; Teirl. 446: een gat met een gat stoppen, geld leenen om een schuld te dekken; in het Friesch: it iene gat mei 't oare damje; fr. faire un trou pour en boucher un autre; en met geld kan men veel gaten stoppen, met geld is menig tekort te stoppen; bij uitbreiding: met geld kan men vele moeilijkheden te boven komen, zich uit vele ongelegenheden helpen; zie het Ndl. Wdb. IV, 338; De Bo, 341; Antw. Idiot, 445. In het hd. ein Loch stopfen; eng. to stop a gap; fr. boucher un trou, eene schuld betalen.

1537. Iemand den mond snoeren (of stoppen),

d.w.z. iemand het zwijgen opleggen; 17de eeuw iemand muilbanden (zie Ndl. Wdb. IX, 1204); eig. iemands mond vast of dichtbinden, of door er iets in te steken, te stoppen; dit laatste meestal fig. door middel van geld of geschenken. Zie Matth. XXII, 34: Ende de Pharizeen gehoort hebbende, dat hy den Sadduceen den mont gestopt hadde, zyn te samen by een vergadert; Spieghel, 280: Hy behoeft pap met volle potten, die alle man den mont zal stoppen; Poirters, Mask. 26: Doen sagh den ouden Patroon, dat hy te veel brijs moest hebben, die een ieghelijck den mondt wil stoppen (dat herinnnert aan het fri.: dy 't alleman de mûle stopje scil moat in bulte brij ha); Paffenr. 51; Vondel, Adonias, 1157: Men hoeft veel stofs om al wat gaept den mond te stoppen; C. Wildsch. I, 20: Om uw geweten een bal in den mond te stoppen, roept gij het looze vernuft te hulpZie ook Ndl. Wdb. II1, 903 en Borchardt no. 796.. Vgl. Schuermans, 387; Rutten, 148; 149: iemands muil stoppen; in Antw. Idiot. 1905: iemand den mond stoppen, den bek snoeren; Harreb. II, 99: Men kan hem den mond met een paardenhaar openmaken, maar met geen kabeltouw weer sluiten; en bl. 100: Zijn mond gaat met een strootje open, en is met geen' koevoet te stoppen. In de 18de eeuw is de uitdr. vrij gewoon; zie Van Effen, Spect. X, 117; XI, 240; XII, 96; Halma, 358; Villiers, 81. Hiernaast komt in de 16de eeuw voor: sinen mont hecken; bij Anna Bijns, Refr. 299: de tong snoeren; bij Kiliaen: Snoeren den beck, compescere labellum; constringere os; refrenare linguamZie Ndl. Wdb. II, 1557; IX, 1058; Mnl. Wdb. VII, 1430.. Vgl. ook het fr. coudre la bouche à quelqu'un; clore le bec à qqn; eng. to stop a person his mouth; hd. einem den Mund oder das Maul (ver)stopfen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal