Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stommeling - (domme persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stom bn. ‘zonder spraak, dom’
Onl. stum ‘zonder spraak’ in de toenaam van Walterus Stumme [12e eeuw; ONW], in [thu salt nu] also lange stumme wesen ‘je zult nu zolang niet kunnen spreken’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. stom in hoe si alle ... Vore ene maecht stonden so stom ‘hoe zij allen zo met hun mond vol tanden voor een jonkvrouw stonden’ [1393-1402; MNW-R], ook wel stomp in stomp off blent off douff ‘stom of blind of doof’ [1450-1500; MNW-R]; vnnl. stom ook ‘zonder geluid’ in De zee lach stil en stom [1616; iWNT]; nnl. ‘dom’ in ik vind het heel stom [1787; iWNT].
De betekenis ‘dom’ is overdrachtelijk, maar wellicht beïnvloed door → dom 2 en → stomp 2, dat ook ‘afgestompt’ (van zinnen) betekent. Ook dom, waarmee stom een veelgebruikt woordpaar vormde, zal hierbij een rol hebben gespeeld. De ontlening aan stomp verklaart de krachtiger gevoelswaarde die stom ten opzichte van dom heeft.
Os. stum (mnd. stum); ohd. stum(m) (nhd. stumm); ofri. stum (nfri. stom); alle ‘zonder spraak’; < pgm. *stumma-. Dit is een ablautvariant van de vorm *stam(m)a-, waarvoor zie → stamelen.
Volgens een andere verklaring (Lühr 1988) zouden de vormen ohd. stumpal/stūpal, mhd. stump en mnl. stomp, alle ‘stompzinnig’, wijzen op herkomst van stom uit pgm. *stumba- ‘stomp’ van de wortel pie. *stembh-, waarvoor → stampen. Ohd. stumpal/stūpal is echter een nevenvorm van stumbal ‘afgeknot, afgestompt’ met ‘stompzinnig’ als bijbetekenis, en levert dus geen bewijs voor een herkomst van stom uit *stumba-. Evenmin doen dat mhd. (meer bepaald Middelduits) stump en mnl. stomp, die verschijningsvormen zijn van → stomp 2 ‘niet scherp’ in de bijbetekenis van ‘bot, grof’. Tegen deze verklaring pleit bovendien het feit dat de betekenis ‘dom’ noch in het Hoogduits noch in het Nederduits voorkomt en dat nnl. stom deze pas eind 18e eeuw heeft gekregen. Meer algemeen beschouwd valt als uitgangsbetekenis van stom aan te nemen ‘in het spreken gestuit’, net als bij het grondwoord van stamelen. Hier gaat het echter niet slechts om het telkens gestuit worden van de tong, waardoor het spreken stotend verloopt, maar om het volledig belemmerd zijn van het spreken door een lichamelijk of geestelijk gebrek. Stom heeft dom in de oude betekenis ‘niet bij machte te spreken’ in de vastelands-West-Germaanse talen verdrongen, mogelijk als verhullende term.
stommeling ‘zeer dom iemand’. Nnl. stommeling [1809; iWNT]. Afleiding van stom met het achtervoegsel → -ling.
Lit.: R. Lühr (1988), Expressivität und Lautgesetz im Germanischen, 102-103; Heidermanns 1993, 564

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

stommeling: dom persoon; botterik.

De Nieuwe Kerk is u zeker niet onbekend. – Nee, zegt ze, de stommeling! (Herman Heijermans, Op hoop van zegen, 1900)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal