Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stoel - (zitmeubel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stoel zn. ‘zitmeubel’
Onl. stuol ‘stoel’ in inde in stuole sufte ne saz ‘en niet zat in de stoel van het verderf’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. stoel ‘troon’ [1236; VMNW], ‘datgene waarin iets rust of hangt of geplaatst is’ in anden stoel, daer de banclocke in hanghet ‘aan de stoel waarin de stormklok hangt’ [1339; MNW], ‘preekstoel’ in Wanneer siet men vrouwen op den stoel gaen ‘Wanneer ziet men vrouwen de preekstoel bestijgen’ [16e eeuw; MNW].
Os. stōl (mnd. stōl); ohd. stuol (nhd. Stuhl); ofri. stōl (nfri. stoel); oe. stōl (ne. stool); on. stóll (nzw. stol); got. stols; alle ‘stoel’, < pgm. *stōla-.
Verwant met: Grieks stḗlē ‘zuiltje’; Litouws pastõlas ‘stelling’; Oudkerkslavisch (met nultrap) stolŭ ‘stoel, troon’ (Russisch stol ‘tafel’); Welsh cystal (<*kom-sta-lo) ‘even goed’; < pie. *steh2-lo-, *stoh2-lo-, *sth2-lo- (IEW 1007). Afleiding van de wortel van → staan met het pie. *-lo-achtervoegsel, dat gebruikt werd voor werktuigen en hulpmiddelen, letterlijk ‘staander, gestel’. Een soortgelijke afleiding is → zetel bij zitten.
De uitgangsbetekenis van stoel is wel ‘stelling, staander om iets op te zetten’, zoals nog in Nederlands ‘klokkenstoel’ en ‘dakstoel’.
Lit.: Van der Sijs 2006: 163-164

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stoel* [zitplaats] {1201-1250} oudsaksisch, oudfries, oudengels stōl (engels stool), oudhoogduits stuol, oudnoors stōll, gotisch stōls; buiten het germ. grieks stèlè [zuil], oudkerkslavisch stolŭ [troon, zetel] (russisch stol [tafel]).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stoel znw. m., mnl. stoel, os. stōl, ohd. stuol (nhd. stuhl), ofri. oe. stōl (ne. stool), on, stōll, got. stōls. — lit. pastõlai ‘onderstel voor bijenkorven’, waarnaast abl. osl. stolŭ ‘troon, zetel’, kymr. cystal (< *kom-sta-lo) ‘even goed’ (IEW 1007) is een l-afl. van de wt. *stā, waarvoor zie: staan. — Uit het verkl. w. stoeltje in de bet. ‘gemak, plee’ > russ. štulc, mv. štúlcy (sedert begin 18de eeuw, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2, 1959, 93).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stoel znw., mnl. stoel m. = ohd. stuol (nhd. stuhl), os., ofri., ags. stôl (eng. stool), on. stôll, got. stols m. “stoel”. Niet te scheiden van lit. pastólas “stellage” en ’t daarmee ablautende obg. stolŭ “zetel, stoel”, russ. stol, lit. stãlas “tafel”. Misschien evenals gr. stḗlē “zuil” met formans -lo- (-lâ-) van de basis st(h)â- “staan” (zie staan); minder wsch. is de afl. van de bij steel besproken basis st(h)el-. Misschien mogen we de geciteerde woorden met lat. lâtus (*stlâto-s) “breed, wijd”, obg. stelją, stĭlati “ik spreid uit, breid uit”. alb. štjeł “ik wind op” combineeren; maar de eerstgenoemde afl. is waarschijnlijker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stoel m., Mnl. id., Os. stôl + Ohd. stuol (Mhd. id., Nhd. stuhl), Ags. stól (Eng. stool), Ofri. stól, On. stóll (Zw. en De. stol), Go. stols + Skr. sthāṇuṣ = paal, Gr. stḗlē = zuil, Osl. stolŭ = stoel, Lit. stalas = tafel: van den wortel van staan, gelijk stal.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

stool (zn.) stoel; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) stool, Aajdnederlands stuol <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

stoel (de, -en), (ook:) bananeplant waarvan de eerste hoofdstam afgestorven is en die nu zijspruiten gevormd heeft. De bananen-cultivatie* op de plantage* bezorgde iets minder werk, maar toch ook genoeg. De stoelen moesten gedisseld worden, d.w.z. laag bij den grond de stammen gelijk afgesneden (Bartelink 29). - Etym.: AN s. = o.m. wortelstelsel met stengelvoet van een plant, i.h.b. van een land- of tuinbouwgewas (Van Dale). Voor de SN bet. zijn dus karakteristiek de zijspruiten en de beperking tot bananen. Oudste vindpl. Kuhn 1828: 6. Wel wordt verschil gemaakt tussen bakovestoel (zie bakove*; zie Bartelink 29) en bananestoel (zie banaan*; zie Kuhn 1828: 6).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Stoel snw., Segsw.: Iemand ’n (mooi, lelike) stoel sit, ’n poets bak, ’n streep trek – Boekenoogen 1361: Iemand een stoeltje zetten, hem een poets bakken. Evenzoo bij Winschooten, Seeman 293, in den zin van iemand den voet dwars zitten.” Vir sinonieme uitdrukkinge sien Stoett no. 2663.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

stoel (gemakkelijke --) (vert. van Engels easy chair)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Stoel. De Heilige of Pauselijke Stoel heet de troon van den Paus, in overdrachtelijke beteekenis ook: de Pauselijke regeering.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stoel, afl. op l van den Idg. wt. stha = staan; het woord w.d.z.: het meubel, waarop men stad = plaats neemt; evenals zetel van zitten (Idg. sed). Zie Stad.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

stoel (stoel der waarheid). - Deze omschrijving voor preekstoel, kansel, is in het Nederlandsch niet gebruikelijk, en als overbodige navolging van fr. chaire de vérité af te keuren. || Dat een gebiedend woord uit den stoel der waarheid klinke, dit woord zal duizenden naar roer en spade doen snellen voor - geloof en God! TEIRL.-STIJNS, Arm. Vl. 2, 43. Is het waar, wat de priester in den stoel der waarheid verklaarde, dat gij enz., 2, 321.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stoel ‘zitplaats’ -> Duits Stuhl ‘kansel, preekstoel’; Noord-Sotho setulo ‘zitplaats’ <via Afrikaans>; Tswana setulô ‘zitplaats’ <via Afrikaans>; Xhosa situlo ‘zitplaats’ <via Afrikaans>; Zoeloe sihlalo ‘zitplaats’ <via Afrikaans>; Zuid-Sotho setulo ‘zitplaats’ <via Afrikaans>; Negerhollands stoel, stul, stuel ‘zitplaats’; Papiaments stul (ouder: stoeltsje, stoeltji) ‘zitplaats’; Sranantongo sturu (ouder: stoeloe) ‘zitplaats, zetel’; Aucaans soetoeoe ‘zitplaats’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

stoel. Het Nederlandse woord stoel is verwant met het Engelse stool, het Duitse Stuhl en het Russische stol 'tafel'. Waarschijnlijk zijn al deze woorden afleidingen van het werkwoord staan. De Russische betekenis 'tafel' is opvallend; in andere Slavische talen betekent het woord meestal net als in de Germaanse talen 'zitmeubel' (behalve in het Kroatisch en Servisch, waar stol net als in het Russisch 'tafel' betekent).

Terwijl de vorm - maar niet de betekenis - van het Russische woord stol dus overeenkomt met ons stoel, kent het Russisch ook een woord stul 'stoel'. Wel vijftien mensen die hebben gereageerd op mijn oproep naar Nederlandse uitleenwoorden, noemden dit Russische woord stul 'stoel' als Nederlands leenwoord. Een van de inzenders zegt:

Stoel is een klassiek voorbeeld van Nederlands in het Russisch. Tot Peter de Grote in de achttiende eeuw naar Nederland kwam, kenden ze in Rusland alleen krukken met drie poten. en het woord stoel voor een kruk met vier poten is rechtstreeks overgenomen.

De taalkundigen zijn daar minder zeker van. Dat komt onder andere doordat het woord in het Russisch al in 1573 is genoemd door Ivan de Verschrikkelijke, die in een brief schreef over een stul drevjanyj 'een houten stoel'. Dat is dus een eeuw vóór Peter de Grote (1672-1725). De etymologen hebben allerlei oorsprongen gegeven van het Russische stul, waarbij men meestal wel veronderstelt dat een Germaanse taal eraan ten grondslag heeft gelegen. Volgens sommigen gaat het woord terug op het Oudnoorse stóll, volgens anderen op het Duitse Stuhl. Zelfs is er wel een echte Russische oorsprong voorgesteld: men wijst er dan op dat het woord stol in het Oudrussisch zowel 'tafel' als 'stoel' betekende, en men veronderstelt dat er contaminatie heeft plaatsgevonden tussen dit woord en dialectwoorden zoals tulo 'romp' en tulit' 'beschermen, beschutten'. Hierdoor zou er een splitsing zijn ontstaan tussen enerzijds stol 'tafel' en anderzijds stul 'stoel'.

Persoonlijk vermoed ik echter dat het Nederlandse woord stoel verantwoordelijk is geweest voor de definitieve splitsing tussen enerzijds stol met de betekenis 'tafel' en anderzijds stul met de betekenis 'stoel'. Door de intensieve contacten met Nederlandse scheepslieden en ambachtslui hoorden de Russen telkens dat het zitmeubel werd aangeduid met stul, en daarmee kreeg dit woord een plaatsje in de Russische woordenschat. Om verwarring te vermijden werd stol alleen nog gebruikt voor 'tafel'. Zeker is ook dat stul niet is ontleend aan het Duits, zoals wel is gesuggereerd, want de Duitse uitspraak is /sjtoel/, zodat het Russische woord dan štul zou moeten luiden. De klank š is in het Russisch namelijk zeer gebruikelijk en geeft in andere gevallen de Duitse medeklinkercombinatie st- weer: het Duitse Staat bijvoorbeeld is in het Russisch ontleend als štat en het Duitse Stoff luidt in het Russisch štof.

Daarmee is het Russische stul niet een Nederlands leenwoord, maar de vorm en betekenis van het woord zijn in het Russisch vast komen te liggen dankzij Nederlandse invloed. Twee talen waarin stoel wél is geleend, zijn het Sranantongo (sturu) en het Papiaments (stul).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stoel* zitplaats 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

161. Iets niet onder stoelen of banken steken,

d.w.z. iets niet voor zich houden, er geen geheim van maken. Vgl. in het Mnl. overdrachtelijk: iet onder den stoel steken, iets verbergen; in de 16de eeuwLeuv. Bijdr. IV, 338.: Ick en steecks onder geen scraghe; in de 17de eeuw bij Winschooten, 15; Gew. Weeuw. I, 37; De Brune, 389:

 Een man, die 't onder stoel of banck

 Niet steken zal, om yemants danck.Vgl. verder C. Wildsch. 237: Uw vlugt met den ondeugenden schelm heeft hem den dood gedaan; ja dat steek ik niet onder stoelen of banken; Tuinman I, 350; Halma, 40: Hij steekt het onder stoel nog bank, hij zwijgt het voor niemand; hij zegt het al de waereld; Schuermans, 682 a; De Bo, 1103; Rutten, 218 a; Waasch Idiot. 91 b: Zijn gedacht achter stoelen noch banken steken; Joos, 63: Zijn geloof achter stoelen noch tafels steken; Teirl. II, 8: 'k En steek het achter geen hagen en kanten, ik zeg, ik doe het in 't openbaar; fri. hy stekt it net ûnder stoellen en banken.

2178. Tusschen twee stoelen in de asch vallen (of zitten),

d.w.z. tusschen twee gevallen niet weten te kiezen en dus niets uitrichten of de gelegenheid verzuimen; in verlegenheid zitten; eene nog dialectisch bekende uitdrukking, die sedert de middeleeuwen voorkomt. Vgl. mlat. labitur enitens sellis haerere duabus; sedibus in mediis homo saepe resedit in imis; Sev. Vroeden, 3357: Daer viel si van twee stoelen op derde, dat haer dede int herte wee (vgl. fr. demeurer ou se trouver entre deux selles le cul par terreOn se trouve souvent reduit à cette situation pour avoir porté ses prétentions trop haut, ou encore pour avoir voulu maladroitement poursuivre plusieurs buts à la fois.); Despars, 2, 331: Zittende by dien middele tusschen twee stoelen in d'asschene (in groote verlegenheidMnl. Wdb. VII, 2161.); Coornhert, Paradoxa, 420 r: Door welcke verkeerde leeringhe ghy 't volck den tegenwoordighen rust (die eenen voorsmaeck des eeuwighen levens is) metten toekomende berovende, fijn tusschen twee stoelen inder Asschen settet; Campen, 133: Hy sit tusschen twee stoelen in d'assche; Colijn v. Rijssele, Sp. der M., 111 v: Sy set u tusschen twee stoelen in dasschen; Idinau, bl. 11; Cats I, 421; Tuinman II, 119: Wat baaten twee stoelen, als men tusschen die beide in de asch zit? Halma, 35; H.S. 77: Nu zit men tusschen twee stoelen in de asch; Adagia, 61: Tusschen twee stoelen in d' asschen sitten, inter sacrum saxumque stare; Harreb. I, 21; Ndl. Wdb. II, 715.; Het Volk, 22 Oct. 1913 p. 1 k. 1: Steunen op ons - of steunen op een deel der rechterzijde - wil zij tusschen die twee stoelen in gaan zitten, dan valt zij (de Regeering) op den grond; H. Post, 3 Aug. 1918 p. 905 k. 4: De Duitschers vinden hem niet Duitsch genoeg, de anderen vinden hem te Duitsch. Zoo zit hij vrijwel tusschen twee stoelen op den grond; Afrik as jij op twee stoelen tegelijk wil sit, kom jij op die grond te lande; fri. twisken twa stoellen yn 'e yeske sitten, in verlegenheid; mhd. zwischen zwein stühlen sitzen; under zwên stûlen nider sitzen; hd. sich zwischen zwei Stühle setzen, von zwei Dingen, die man zugleich erhalten möchte, keins bekommen; eng. to fall between two stools, to fail from vacillation between two courses; Wander IV, 939-940.

2179. Voor stoelen en banken preeken (praten, spelen),

d.i. voor een bijna leege kerk of zaal preeken of spelen; spreken zonder aangehoord te worden. Vgl. Westerbaen III. 701: Voor leege stoelen en houte banken preeken; Van Effen IV, 106; XI, 214: Voor stoelen en banken preeken; Harreb. I, 31 a; Het Volk, 5 Juni 1914 p. 1 k. 3: Landdagen dat waren voor menigen vrijzinnigen spreker die voor stoelen en banken sprak, dagen dat-ie 't land had; Antw. Idiot. 841 en Waasch Idiot. 449: veur de muren spreken; fr. jouer devant les banquettes; hd. vor leeren Bänken spielen; eng. to play to empty benches.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

stā- : stǝ- ‘stehen, stellen’, redupliziert si-stā-, erweitert stāi- : stī̆-, stāu- : stū̆- und st-eu-, stā-dho- ‘Stand’, stā-lo- ‘Gestell’, stā-men- ‘Standort, Statur’, stā-no- ds., stā-ro- ‘groß’, stǝ-ro- ds., stā-ter- ‘Lenker’, stā-ti-, stā-to-, stā-tu- ‘das Stehen’, stǝ-to- ds., stǝ-ti̯o-, stǝ-ti- ‘stehend’, stā-tlo-, stǝ-tlo- ‘Stand’, -sti-, -sto- ‘stehend’, stāu-ro- : stǝu-ro- : stū̆-ro- ‘fest, stark, feststehend, Ständer’, st-eu-ro- ‘Stier’, stā-u̯o- ‘das Stehen, Stellung’

A. Ai. tiṣṭhati, av. hištaiti, ap. 3. Sg. Impf. a-ištata ‘stehn’ (: lat. sistō, ir. -sissiur; athem. noch gr. ἵστημι, während spät ahd. sestōn ‘disponere’ aus dem roman. ital. assestāre ‘in Ordnung bringen’ entlehnt ist), Aor. ai. á-sthā-m (= gr. ἔστην), Perf. tasthā́u, tasthimá, tasthivas-; gr. ἵστημι (dor. ἵστᾱμι) ‘stelle’, Aor. ἔστην, Perf. ἕστηκα, ἕσταμεν, ἑσταώς (ἐπί-σταμαι ‘verstehe’ wohl Neubildung nach Aor. ἐπι-σταίμην, ἐπι-στάμενος); ἱστός ‘Mastbaum, der senkrechte Weberbaum, Gewebe’;
av. ap. stāya- ‘stellen; Med. sich stellen’;
lat. sistō ‘stelle’, umbr. sestu ‘sistō’, volsk. sistiatiens ‘statuērunt’;
air. tair-(ś)issiur ‘stehe, bleibe stehen’, ar-sissedar ‘insistitur, innititur’, fo-sissedar ‘tritt ein für’ (sessam ‘das Stehen’, sessed ds. usw.);
lat. stō (stāre, stetī) = umbr. stahu ‘stehe’, *stā-i̯ō; altlat. wohl auch trans. ‘stellen’; osk. staít (*stai̯ei̯eti) ‘stat’ Pl. stahínt, eestínt (*ēstai̯ei̯ent) ‘extant’; air. ad-tāu, -tō ‘ich befinde mich, bin’ (*stā-i̯ō), 3. Sg. (ad)-tā = cymr. taw ‘daß es ist’ aus *stā-t, unpersönl. Passiv tāthar ‘man ist (böse)’aus *stā-to-ro (?), mcymr. Impersonale ny-m-dawr ‘es kümmert mich nicht’, corn. ny-m-deur (*tā-ro-) ‘ich will nicht’; air. ness- (*ni-stā-) ‘niedertreten’ in com-ness- ds., ‘verurteilen’, dī-ness ‘verachten’, to-ness- ‘betreten’, ar-ossa ‘erwartet’ (*are-uks-stā-); assae ‘leicht zu tun’ aus *ad-stā-i̯o- ‘adponendus’;
as. ahd. stān, stēn ‘stehen’; Reimwortbildungen zu gēn, gān ‘gehen’ (S. 419); mit t-Erweiterung: Prät. got. stōþ, aisl. stōð, as. stōd, ahd. stuot (meist stuont nach dem Präs.) ‘ich stand’, wozu mit präsentischer Nasalierung got. as. standan, aisl. standa, ags. stondan, ahd. stantan ‘stehen’; dazu ahd. stanta ‘Kübel, Kufe’ und mit neuem Ablaut aisl. stund ‘Zeit(punkt), Weile, Stunde, Länge’, ags. stund f. ‘bestimmte Zeit, Stunde, Mal’, as. stunda ‘Zeit(punkt)’, ahd. stunta ds., spätmhd. auch ‘Stunde’;
lit. stóju (*stāi̯ō), stóti ‘treten’, aksl. *stajǫ, stati ‘sich stellen’, stojǫ stojati (*stǝi̯ēti) ‘stehen’; toch. В ste ‘ist’, 3. Pl. stare.
B. idg. n-Präs. *stǝ-nā- in av. fra-stanvanti ‘sie kommen voran’, arm. stanam ‘erstehe, erwerbe’, gr. kret. στανύω ‘stelle’ (Neubildung gr. ἱστάνω); lat. prae-stināre ‘den Preis vorher feststellen, kaufen’, dēstināre ‘festmachen, festsetzen, fest beschließen’ (dēstina ‘Stütze’), obstināre ‘auf etwas bestehen’; alb. shtonj ‘vermehre’ (‘*stelle, staple auf’); aksl. stanǫ (Inf. stati) ‘werde mich stellen, treten’; apr. postānimai ‘wir werden’, postāt ‘werden’, stānintei ‘stehend’; toch. В stäm- ‘stehen’; vgl. auch die Nomina mit n-Formantien.
C. Wurzel-Nomina als 2. Kompositionsglieder:
ai. ni-ṣṭhā́- ‘hervorstehend, -ragend’, pari-ṣṭhā́- ‘(*herumstehend =) hemmend’, f. ‘Hindernis’, pr̥thivi-ṣṭhā- (und -ṣṭhá-) ‘auf dem Boden stehend, fest auftretend’, rathē-ṣṭhā́- ‘auf dem Wagen stehend, kämpfend’ = av. raθaē-štā- ‘Krieger’; gr. θέμις, -στος ‘Recht, Gesetz’ (ursprüngl. Göttername ‘die fest und unverbrüchlich Stehende’, *θεμί-στᾱ), gr. μετανάστης ‘wer seinen ursprünglichen Wohnsitz durch Aufstehen, Wegzug verändert hat’; air. hiress ‘Glaube’ (Präf.*[p]eri + stā).
D. -st-o-: ai. z. B. prati-ṣṭhá- ‘feststehend’ (-ṣṭhā f. ‘Stillestehen, Beharren’), duḥ-stha- = gr. δύσ[σ]τος “δύστηνος”, bala-stha- ‘in voller Kraft stehend’ u. dgl.; Subst. pra-stha- m. ‘Bergebene’ (‘hervorstehend’) = air. ross ‘Vorgebirge, Wald’, mbret. ross ‘Hügel’, cymr. rhos ‘Moor’, aksl. Adj. ‘gerade, schlicht, einfach’; ai. pr̥-ṣṭhá- n. ‘Rücken’ usw. (S. 813); gr. παστός ‘Bettvorhang’ (vgl. mit d-Suffix gr. παραστάς, παστάς usw. ebenda); ai. gōṣṭhá- m. n. ‘Kuhstall’, bhayá-stha- m. n. ‘gefahrvolle Lage’, ahd. ewi-st m. ‘Schafstall, Schafhürde’, aisl. nau-st n. ‘Schuppen für Schiffe, Schiffshaus’; alb. breshtë, bresht f. ‘Tannenwald’ (: brē ‘Tanne’) u. dgl.; altillyr. Tergeste, Λαδεστα, -στον usw.; ai. tri-ṣṭhá- ‘auf drei Unterlagen stehend’, osk. trstus ‘testes’ (tristaamentud ‘testamento’), lat. (zum. i-St. geworden) testis (*tri-sto-) ‘wer als dritter, als Zeuge bei zwei Streitenden steht’, air. tress- ‘dritter’; lat. caelestis ‘incaelo stationem habens’ (ursprüngl. o-St., vgl. ἅπαξ λεγ. Veneris caelestae), agrestis ‘ländlich’; lit. atstùs ‘fern’ (: atstóti ‘sich entfernen’; vom Adverb atstù = Instr. auf -ṓ ausgegangen), lett. nuô-st Adv. ‘weg, hinweg, fort’; lat. praestō ‘gegenwärtig, da, zur Hand, zu Diensten’; praestōlarī ‘bereitstehen’ wohl aus *praestōdārī;
als idg. *st[ǝ]ti-s mit in der Komposition geschwundenem ǝ sind hingegen aufzufassen:
ai. pr̥-ṣṭi- f. ‘Rücken’ usw. (S. 813 Mitte) und prati-ṣṭhi- ‘Widerstand’; gr. ἔξαστις ‘aus dem Gewebe vorstehender Faden’ (*ἔξ-αν-στις), κατ’ ἄντηστιν ‘gegenüber’ (*αντην-στι-); lit. dim-stis ‘Hofraum, Hof, Gut’.
E. Nomina mit Dental-Suffixen:
1. lat. super-stes, anti-stes (*stǝ-t-);
2. Partiz. ai. sthitá- ‘stehend’ (av. stāti- ‘stehend’ mit geneuerter Hochstufe), gr. στατός ‘gestellt, stehend’, lat. (osk.-volsk.) status ‘gestellt’; air. fossad ‘fest’, cymr. gwastad ‘planus, constans, aequus’ (*upo-statos); aisl. staðr ‘zum Stehen geneigt, stätig’ (bes. von Pferden) Ableitung mhd. stetec ds.; ahd. stata f. ‘bequemer Ort oder Zeitpunkt, Hilfe’, nhd. zustatten; ahd. gistatōn ‘gute Gelegenheit geben, gestatten’, aisl. steðja ‘stellen, bestätigen, gestatten’, mnd. steden ds., ags. stæþþan ‘zum Stehen bringen’; lit. stataũ, -ýti ‘stellen’;
3. alb. mështet, pshtet ‘stütze, lehne an’, fstetem ‘bleibe’ (zum Verbaladj. *stǝ-to-);
4. ai. sthíti- f. ‘das Stehen, Stand, Bestand’, av. stāti- ‘Stehen, Aufstellung’; gr. στάσις, -εως ‘Stellung, Stand; Aufstand’ (στατικός, στάσιμος);
lat. statim ‘während des Stehens, stehend’; klass. ‘auf der Stelle’, statiō = osk. statíf ‘Standort’, got. staþs m. (i-St.), aisl. staðr m., ahd. stat f. ‘Ort, Stelle, Stätte, Stadt’, ags. stede, styde f. ‘das Stehen, Stehenbleiben, Stätte’ (vgl. auch anord. en-St. steði m., Gen. steðja ‘Amboß’ aus *staþjan-, eigentlich ‘Ständer’); hochstufig av. stāiti- ‘Stehen, Stand, Aufstellung’, aksl. postatь ‘Bestimmung’, Inf. lit. stóti, lett. stāt, apr. stāt, aksl. stati ‘sich stellen, treten’;
lat. status, -ūs ‘das Stehen, Stellung, Stand’, statuō, -ere ‘hin-, aufstellen’, umbr. statita ‘statūta’; bret. steut, cymr. ystawd ‘Garben’ (*stā-tā), bret. steudenn ‘Zapfen, Nagel’ (*stā-t-), Loth RC. 43, 154 f.; lit. statùs ‘stehend, steil’, got. staþa Dat., as. stath m., ahd.stad, stado m. ‘Landungsort, Ufer, Gestade’; aisl. stǫð f. ‘Landungsort, Stellung’, stǫðva ‘zum Stehen bringen’ (*staþwō(n), vgl. lat. statu-s, -ere); staði ‘Heustapel in der Scheune’ (= mnd. stade ‘Ort, wo die Ernte aufgehäuft wird’).
5. mit dh-Suffix: cymr. an-sawdd ‘das Festmachen’, air. sādud (*stādh-ī-tu-) ds.; aisl. stōð n. ‘Standort, Herde von Stuten mit einem oder mehreren Hengsten’, ags. stōd n. ‘Pferdeherde’, mnd. stōt (-d-) f. ‘Einzäunung für Pferde, Herde von Zuchtpferden’, ahd. stuot f. ‘Herde von Zuchtpferden’, auch ‘Stute’, nhd. Stute; aisl. (z. B. hug-) stø̄ðr ‘feststehend, fest’ (eher idg. t wegen got. ungastoþai ‘ohne festen Stand’; t oder dh mit analog. Ablaut ē: ahd. stāti ‘fest, dauerhaft, stet’, mnd. stēde ‘fest, beständig’); Kaus. got. ana-, du-stōdjan ‘anfangen’, aisl. stø̄ða ‘zum Stehen bringen’; mit germ. *stōþia- lautet ab lit. stãčias ‘stehend’; lit. statìnė ‘große Holzwanne’;
6. ai. sthātar- ‘Lenker’, sthātr̥ n. ‘das Stehende’, lat. stātor; gr. στατήρ, -ῆρος ‘ein Gewicht und eine Münze’; *st[ǝ]-ter mit Schwund des ǝ im Kompositum, vielleicht in ai. savya(ē)-ṣṭhar- ‘der links stehende Wagenkämpfer’, av. raθaē-štar- ‘Krieger, Kriegsheld’ (wie raθaē-štā-, s. oben; vielleicht aber Umbildung von -ṣṭhā nach den Nomina agentis auf -tar);
7. lat. obstāculum ‘Hindernis’ n.; cymr. cystadl ‘gleichwertig’, distadl ‘wertlos’ (*stǝ-tlo-); aisl. stǫðull m. ‘Melkplatz, Senne’ = ags. staþol ‘Grundlage, Stellung, Platz’, as. stathal ‘Stellung’, mnd. stadel ‘Scheune’, ahd. stadal ‘Stand, Kornscheuer’, nhd. (süddt.) Stadel, älter dän. stedel ‘Grund, Hofstätte’; lit. stãklės Pl. ‘Webstuhl’; lit. stãklė ‘Pfahl’, lett. staklis ‘ds. Zacke, Zinne, Gabel’, apr. stakle ‘Stütze’ (mit kl aus tl).
8. mit Formans -dhlo-: lat. stabulum ‘Standort, Aufenthalt; Lager wilder Tiere, Stall’ (prōstibulum ‘Ding zum öffentlich Ausstehen, Dirne’, naustibulum ‘Schiffstandort, Gefäß in Schiffsform’), stabilis ‘feststehend, standhaft’, umbr. staflarem ‘stabulārem’, osk. staflatas-set ‘statutae sunt’, pälign. pri-stafalacirix ‘*praestibulātrix, antistita’;
vereinzeltere Dentalableitungen: -dh- in gr. σταθμός, meist Pl. σταθμά ‘Stand, Standort, Gewicht’, σταθερός ‘stehend, unbeweglich, fest’; -d- in στάδιος ‘stehend, unbeweglich, steif, zugewogen’, στάδην ‘stehend’, ἀπο-σταδόν ‘fern abstehend’.
9. mit l-Formantien:
cymr. cystal ‘ebensogut’ (*kom-sta-lo-); got. stōls ‘Thron’, ahd. stuol, ags. stōl, anord. stōll ‘Stuhl’, lit. pastõlai ‘Gestell für Bienenkörbe’, tiefstufig aksl. stolъ ‘Thron, Sitz’, in den neuern slav. Spr. ‘Stuhl’ oder ‘Tisch’.
10. mit m-Formantien:
ai. sthā́man- n. ‘Standort, Kraft’; gr. στήμων m., στήμεναι ‘stehen’, lat. stāmen n. ‘Aufzug am aufrecht stehenden Webstuhl, usw.’, umbr. Dat. stahmei ‘statiōni’; stahmito ‘statūtum’; air. sessam ‘das Stehen’ (*si-stā-mu-), foessam ‘Schutz’ (*upo-si-sta-mu-) = mcymr. gwaessaw ‘Garantie’; got. stōma ‘ὑπόστασις, Grundlage, Stoff’; lit. stomuõ, -eñs ‘Statur’; russ. stamík ‘Stützbalken’;
gr. στάμνος ‘Krug’, σταμῖν-ες Pl. ‘Ständer, Seitenbalken’; cymr. cysefin ‘erster’ (*kentu-stamīno-); mir. samaigim ‘stelle’, cymr. sefyll, corn. sevell ‘stehen’, bret. sévell (*stamili̯o-) ‘errichten, bauen’ (daneben mit kelt. t air. tamun ‘Baumstamm’; ahd. stam, stammes ‘Stamm’ usw. scheint Verquikkung eines verwandten *stamna- mit einem staƀna-, s. *steb- ‘Pfosten’); toch. A ṣtām, В stām ‘Baum’; aber ahd. ungistuomi ‘ungestüm’ zu stem- ‘hemmen’, s. dort.
11. mit n-Formantien (vgl. die Präsensbildungen mit n):
ai. sthā́na- n., av. ap. stāna- n. ‘Standort, Ort, Platz’, npers. sitān, gr. δύσ-[σ]τηνος, dor. δύστᾱνος ‘(in schlechtem Zustande) unglücklich’, ἄστηνος ds., lit. stónas ‘Stand’, aksl. stanъ ‘Stand, Lager’, alb. shtuarë ‘stehend’, shtorazë ‘aufrecht’ (*stā-no-di̯o-, vgl. zum d-Suffix gr. ἀποσταδόν usw.), shtâzë, shtėzë ‘Vieh’ (*stan-zë).
12. mit r-Formans: ai. sthirá- ‘fest, unbeweglich’; lit. stóras ‘dick, umfangreich’ (eigentlich ‘stämmig’), aksl. starъ ‘alt’ (‘*stämmig’ im Gegensatz zur zarteren Jugend), anord. stōrr ‘groß’, as. stōri ‘groß, berühmt’, ags. stōr ‘gewaltig’;
13. mit dem von *stā-i̯ō weitergebildet: ai. jala-sthāya- m. ‘Wasserbehälter’, sthāyin- ‘stille stehend, verweilend, stetig’ u. dgl., sthēmán- m. ‘Festigkeit, Ruhe, Dauer’ (*sthayiman-).
F. st(h)āu-: st(h)ū-: lit. stóviu, -ė́ti ‘stehen’ (Memel stáunu), stovà ‘Stelle’, stõvis ‘Zustand’, stovùs ‘stehend (vom Wasser)’, lett. stãvu, stãvêt ‘stehen’, stãvus ‘stehend, aufrecht’; stãvs ‘steil’, stāvs ‘Gestalt’, stāvi, stāve ‘Webstuhl’; aksl. staviti ‘stellen’, stavъ ‘Stand, Gefüge’; ags. stōw, afries. stō f. ‘Stelle’, aisl. eld-stō ‘Feuerstätte’; got. stōjan ‘richten’ (vielleicht *stōwjan : aksl. staviti), staua f. ‘Gericht’ (*stōwō), staua m. ‘Richter’, ags. stōwian ‘zurückhalten’, engl. stow ‘stauen’, ahd. mhd. stouwen (*stawjan) ‘(au)klagen; (scheltend) gebieten; Refl. sich stauen’, nhd. stauen; mit ū: ahd. stūatago ‘Gerichtstag’, stūan ‘anklagen, schelten, hemmen’, mnd. stūwen (= stouwen, stōwen) ‘stauen’, usw.;
mit Abtönung stōu-: gr. *στωϝ-ός ‘Säule’ in att. στοιά, στοά (*στωϝι̯ᾱ), äol. στωΐα ‘Säulenhalle’, στωΐδιον Demin., στωικός ‘zur Schule der Stoa gehörig’, στώμιξ· δοκὶς ξυλίνη Hes.;
schwachstufig: ai. sthūṇā ‘Säule’ (mind. aus n), av. stū̆na, stunā ‘Säule’; gr. στύ̄ω ‘steife, richte empor’, Med. ‘bin steil aufgerichtet’, στῦμα n. ‘erectio penis’, στύμος· στέλεχος, κορμός; στῦλος m. ‘Säule, Griffel’, στύραξ ‘das untere Ende der Lanze’; aisl. stūmi ‘ein Riese’; mhd. stūnende ‘widersetzlich’, nhd. staunen als ‘starr blicken’; keine Belege für diese Ablautstufe sind hingegen die u-St. ai. su-ṣṭhú Adv. ‘gut, schön’, anu-ṣṭhú, anu-ṣṭhuyā́ ‘sogleich’;
mit t-Formans dazu: aisl. stoð (Pl. stoðir, støðr, steðr) f. ‘Stütze, Pfosten, Unterstützung’, ags. stuðu, studu f. ‘Stütze, Pfosten’, mhd. stud f. ds., aisl. stuðill m.ds., mhd. studel ‘Pfosten, Turpfosten’;
aisl. styðja ‘stützen’, ahd. studen ‘festmachen, statuere’, aisl. stoða ‘unterstützen, helfen’; mit intens. Konsonantendehnung: mnd. stutten ‘(unter-)stützen’, ahd. (unter)stutzen, nhd. (unter)stützen; auch ahd. stūdaStaude’; lett. stute, stuta ‘Reis, Rute’;
reduktionsstufig stǝu-: gr. σταυρός ‘Pfahl’ = aisl. staurr ‘Pfahl’ (ablaut. norw. dial.styr, styrja ‘lange Stange, steife Person’); lat. in: instaurāre ‘instand setzen’ (ursprünglich von Stangen, Ständern beim Bau), restaurāre ‘wiederinstandsetzen’.
G. st-eu-, st-eu̯ǝ- ‘massiv, fest, dick, breit’ (germ. stiura s. u.) als ‘standsicher, feststehend’ in ai. sthāvará- ‘dick, feststehend, beständig’ (letztere Bed. und die Vokallänge vielleicht durch Anlehnung an sthā- ‘stehen’), sthávira- ‘breit, dick, derb, dicht, alt’, (oder nach dem Komp. Sup. erfolgter Ersatz für:) ai. sthūrá-, sthūlá- ‘dick’ = av. stūra- ‘umfangreich, stark, derb’ (Kompositionsform stūi-, stvi-, d. i. *stuvi-), Kompar. Superl. ai. sthávīyas-, av. staoyā̊ ‘der Umfangreichere, Stärkere, Größere’, ai. sthá-viṣṭha-, av. stāvišta- ‘der Stärkste, Derbste, Gröbste’, ai. stháviman- n. ‘Breite’, av. stavah- n. ‘Dicke, Starke’; arm. stvar ‘dick’ (*stuu̯ar-);
aschw. stūr ‘groß’ (neben stōr, s. oben), stȳras ‘großtun’, mnd. stūr ‘groß, stark, schwer; störrisch, grob, unfreundlich’ (vgl. ai. ni-ṣṭhura- ‘rauh, hart, grob’, ni-ṣṭhūrin- ‘grob, roh’), aisl. stūra ‘Düsterheit’, Vb. ‘betrübt sein’ (nschw. stūra ‘starr hinsehen’ in der Bed. nach der Sippe von nhd. stieren umgeändert), hochstufig ahd. stiuri ‘stark, stattlich, stolz’;
mit anderer Bedeutung: ahd. stiura, mhd. stiure ‘Stütze, Steuerruder, Unterstützung, Steuer’, nhd. Steuer f. und (aus dem Nd.) n., ags. stēor f. ‘Steuerruder’, aisl. stȳri n. ‘Steuerruder’, mnd. stür(e) n. ‘Steuerruder’, f. n. ‘Regierung; Hilfe, Gegenwehr’, f. ‘Unterstützung’, got. us-stiurei ‘Zügellosigkeit’, mnd. unstǖre ds., got. stiurjan ‘feststellen, behaupten’, nhd.zur Steuer der Wahrheit, aisl. stȳra ‘ein Schiff steuern; regieren’, ags. stīeran ds., ahd. stiurren ‘stützen, steuern, lenken’; wohl ursprüngl. ‘Pfahl, Steuerruder (sekundär: damit stützen, lenken)’, mit aisl. staurr, gr. σταυρός (s. oben) unter *stēu-ro- : *stǝu̯-ro- vereinbar, das von *st(h)āu- nicht ganz getrennt werden könnte;
zu ai. sthūrá- usw. stellt sich wohl idg. steu-ro- ‘Stier (und anderes Großvieh)’:
av. staora- ‘Großvieh’, mpers. stōr ‘Zugtier, Roß’, got. stiur m. ‘Stierkalb, Stier’ (nach W. Schulze Kl. Schr. 483 = ai. sthávira-); ahd. stior, ags. stēor, aisl. stiōrr (neben þjōrr) ‘Stier’.

WP. II 603 ff., WH. I 343 f., 705 f., Trautmann 280 ff., Vasmer 3, 2 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal