Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stobbe - (wortelstronk)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stobbe* [wortelstronk] {stubbe 1534, stobbe 1573} middelnederduits stubbe, oudengels stubb, oudnoors stubbr; buiten het germ. grieks stuein [oprichten, stijf maken], stulos [pilaar], stupos [stok], oudindisch stupa- [kuif]; het woord is gevormd naast stoof2; naast stobbe staat strobbe als stompelen naast strompelen, stommel naast strumpelstruikelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stobbe znw. v. ‘worteltronk’, mnd. me. stubbe, on. stubbi naast stubbr, vgl. oe. stubb, stybb gevormd met affectief -bb- naast stoof 2.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stobbe v., + Ndd. stubbe, Ags. stybb (Eng. stub), On. stubbi (Zw. stubbe, De. stub), verder Mndd. stûf = stomp, On. stúfr = stompje + Skr. tūparas = horenloos. Gr. stúpos = stok, Lett. stups = afgebroken eind.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

stab, zn.: boomstronk, stobbe. Heterofoon van stobbe (zie i.v.).

stobbe, stoeb, zn.: boomstronk, persoon met gedrongen gestalte. Mnl. stobbe, stubbe ‘boomstronk’, Vnnl. stobbe, strobbe, stronck ‘truncus’ (Kiliaan). Oe. stubb, stybb, E. stub ‘stronk’, Fri. stobbe ‘boomstronk’, On. stubbi ‘boomstomp’, Mnd. stubbe, Ndd. Stubben ‘boomstronk’. Verwant met Ndl. stoof ‘ondereind van boom of struik’, On. stûfr ‘boomstomp’, Mnd. stûf ‘stomp’. Verder verwant met Gr. stupos ‘stok, schacht’, Lets. stups ‘afgebroken eind’, Lat. stupêre ‘stilstaan’. Idg. *(s)teup- ‘stoten, stok, stomp’, labiale uitbreiding van *(s)teu ‘stoten, slaan’. Vandaar de familienaam Stobbe, Stub(be), D. Stubbe, bijnaam voor iemand met gedrongen gestalte.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

stobbe, stoeb dik onderstuk v.e. boom, kleine dikke persoon, rozet v.e. paardebloem, ronde turfhoop (Noord-Limburg, Veluwe, Noordoost-Nederland). = eng. stub ‘stronk’, hgd. stubben ‘boomstronk’, fri. stobbe ‘boomstronk’; vgl. ono. stubbi ‘boomstomp’. ~ stoof ‘ondereind van boom of struik’, ~ mndd. stûf ‘stomp’. ~ ono. stūfr ‘boomstomp’. ~ gr. stúpos ‘stok’, ~ Lets stups ‘afgebroken eind’, oind. stūpa ‘boomtop’. De b(b) is een intensiefformatie.
Van de Voort 277, NEW 704, Crompvoets 273, IEW 1033-1034, Van Schothorst 206.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal