Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stift - (staafje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stift zn. ‘staafje; schrijfinstrument’
Mnl. stifte ‘puntig voorwerp; schrijfgereedschap’ [1477; Teuth.]; vnnl. stift ‘puntig gereedschap voor graveren e.d.’ in stift van diamant [ca. 1615; WNT roemer II]; nnl. ‘schrijfinstrument’ in met het schrijfstift in de hand [1809; iWNT schrijven II], Hervat ik thands de stift [1814; iWNT], teekenstift [1876; iWNT tekenstift], ‘vulling van een schrijfinstrument of andere min of meer langwerpige houder’ in stift “de korte staafjes potlood, die in potloodhouders worden gestoken” [1920; iWNT], 1 solide ball-point met extra lange stift [1957; Leeuwarder Courant], lange stift met verschillende ogen-schaduwen [1960; Leeuwarder Courant].
Ontleend aan Duits Stift ‘schrijfinstrument, (zilver)stift’ [begin 16e eeuw; Kluge], ontwikkeld uit Oudhoogduits stift ‘dun, puntig voorwerp van hout of metaal’, een afleiding van de wortel van → stijf.
Het schrijven met zilver- en loodwitstiften gebeurde al in de klassieke oudheid.
lippenstift zn. ‘cosmetica-artikel’. Nnl. lippenstift ‘staafje kleurstof om de lippen te kleuren’ in dan trekt men met lippenstift de mondhoeken door [1911; Leeuwarder Courant]. Leenvertaling van Engels lipstick ‘staafje om de lippen mee te kleuren’ [1880; BDE].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stift [staafje] {stifte [puntig voorwerp] 1477} < hoogduits Stift, dat verwant is met stijf.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stift 1 znw. v. ‘dun staafje’, sedert de 19de eeuw < nhd. stift evenals mnd. stift (nde. nzw. stift) m.; daarnaast ohd. steft m. ‘cardo’, mhd. steft ‘stift, doorn, stekel’. — Zie verder: stijf.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stift I znw. (de), niet bij Kil., wel Teuth. stifte. Evenals mnd. stift (> de., zw. stift) uit mhd. (nhd.) stift m., waarnaast mhd. stëft m. “stift, doorn, stekel”, ohd. stëft m. “cardo”. Bij stijf, wsch. met de oorspr. bet. “stijf, recht voorwerp”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stift 1 v. (stilet), uit het Hgd.: Ohd. steft (Mhd. steft, stift, Nhd. stift), van denz. wortel als stijf.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

stift (Duits Stift)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stift ‘staafje’ -> Deens stift ‘punaise, staafje’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stift ‘klein spits voorwerp’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds stift ‘staafje, naald’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect stife; tif ‘deel van de haan van een geweer; as van het stuur of roer’; Papiaments steft ‘potloodstift of viltstift; metalen of houten pin’; Surinaams-Javaans setif, setip ‘viltstift’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stift staafje 1477 [Teuth.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal