Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stiep - (gemetselde voet die op de begane grond onder vloerbalken tot ondersteuning wordt aangebracht)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

sjtiep, stup, zn.: steun (onder een kar); stut, schoor. D. dial. stip (Saar, Loth.), stippe (Keulen), Rijnl. steipe ‘steun’, Ofri. stipe ‘steun’. Daarnaast Mnl. stipel, stiper ‘stut, schoor’, Ndl. stiepel, stieper, stijpel ‘steun’, D. Stiepel, Stieper ‘steun; been’. Vgl. E. stipe ‘steel, stam’. Lat. stipes ‘paal’. Verwant met stijf. Stup door klinkerronding voor p.

stiep, stip, zn.: staak, stut, steun, schraag. Br. stijpel ‘paal, stutpaal, stiepel’. De Ndl. vorm stiepel heeft de niet-gediftongeerde i van Mnl. stipel, stiper ‘stut’, D. Steiper ‘stut’, Ndd. Stiepel, Stieper ‘stut, paal’, Ofri. stîpe ‘paal’, Oe. stîpere ‘stut’, Fri. stipe ‘stut’, Rijnl. steipe ‘stut’, Keuls stippe. Vgl. Lat. stipes ‘paal’. Verwant met stijf. Afl. stiepen ‘stutten’. Mnl. stipen, D. steipern ‘ondersteunen’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

sjtiep steun (onder een kar) (Limburg). = ofri. stipe ‘steun’ = eng. stipe ‘stengel’. « lat. stipem 4e nv. ‘paal’ (van een basis die ook in stijf aanwezig is).
WLD II afl. II 50, Roukens 178-179, Amkreutz e.a. 260.

stīpjen paaltje (Veluwe). Verkleinwoord bij fri. stīpe ‘stut’ ~ stieper ↑.
Van Schothorst 206, EW 1015.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stiep ‘gemetselde voet die op de begane grond onder vloerbalken tot ondersteuning wordt aangebracht’ -> Frans dialect étipe, stipe ‘ondersteuning, stut, schoor’; Baskisch estipa ‘stut van een hek, slagboom’ <via Frans>.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal