Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stief- - (voorv.)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stief- voorv. ‘zonder bloedverwantschap’
Mnl. stief- in stifmuder ‘stiefmoeder’ [1240; Bern.], stiefkindren ‘stiefkinderen’ [1302; MNW], naast stiep- in stippekint [1282; MNW], stiepsone [1343-44] en stijpmoeder [1360; MNW].
De klankwettige vorm van dit voorvoegsel is stiep-, dat in het Middelnederlands nog slechts bij uitzondering voorkomt. In combinatie met het woord voor ‘vader’ werd de -p- in het Nederlands geassimileerd tot -f-. De aldus ontstane vorm stief- heeft zich al vroeg verspreid over de andere samenstellingen. In het Middelnederduits, het Oudengels en de Scandinavische talen kwam dit verschijnsel ook voor.
Mnd. stef- (waaruit nzw. styv-); ohd. stiof- (nhd. stief-); ofri. stiāp- (nfri. styp-); oe. stēop- (ne. step-); on. stjúp- (nzw. styv-); alle ‘stief-’; < pgm. *steupa-. Hiervan afgeleide werkwoorden zijn overgeleverd in het ohd. irstiufen, bestiufen ‘van kinderen of ouders beroven’ en oe. ā-stypan ‘id.’.
Op grond hiervan wordt als onderliggende betekenis van stief- aangenomen ‘beroofd, iets missend’. Het gelijkbetekenende Latijnse prīvus is een soortgelijk geval: het is verbonden met prīvignus ‘stiefzoon’ (vergelijk het leenwoord depriveren ‘beroven’). De betekenis ‘beroofd van’, die men kan gelijkstellen met ‘afgeknot’, heeft in verbinding met de vorm *steupa- aanleiding gegeven het woord als onderdeel te beschouwen van de woordfamilie van → stoten. Naar de vorm bezien gaat het dan om een labiale worteluitbreiding van deze familie, zoals ook stobbe ‘boomstronk’ er een is en Westfaals stupp (bn.) ‘stomp’. Wat de betekenis betreft, zou men te maken hebben met een soortgelijk begrip als bij → stomp 1, → stuit en → stuk 1, namelijk een afgehouwen, afgeknotte rest van een groter geheel, oorspronkelijk een boom, maar dan overgedragen op een ander begrip, hier zijnde verwantschapsverhoudingen.
Uitgaande van deze verklaring zijn verwant: Latijn stupēre ‘onbeweeglijk zijn, verstomd staan’; Grieks stúpos ‘stok, stengel’; Sanskrit tûpará ‘ongehoornd’; Lets stups, stupe ‘bezemstomp’; < pie. *(s)teu-p- een wortel met labiaaluitbreiding van de grondvorm pie. *(s)teu- ‘stoten, slaan’ (IEW 1034).
Stief- wordt gebruikt voor de verwantschapsbetrekkingen die ontstaan bij het opnieuw huwen van een weduwe of weduwnaar. Een kind uit het eerste huwelijk is “beroofd” van een ouder, en dus feitelijk al stiefkind, en werd daardoor stiefzoon of stiefdochter van een nieuwe ouder, die tegelijkertijd ouder werd van een stiefkind en daardoor stiefvader of stiefmoeder. Dit gebruik werd allengs uitgebreid tot stiefbroer en stiefzuster en, bijv. in het Engels, stepnephew en stepniece. Tevens vond uitbreiding plaats tot gelijksoortige verwantschapsbetrekkingen, ontstaan door een andere wijze van huwelijksbeëindiging dan overlijden.
Lit.: Heidermanns 1993, 554; F. Holthausen (1942), ‘Etymologisches und grammatisches’, in: Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur 66, 265-275, hier 274

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stief-* [voorvoegsel in stiefmoeder e.d.] {in bv. stif muder, stif vader, stifson 1201-1250} oudhoogduits stiof-, oudfries stiāp-, oudengels steop-, oudnoors stjūp- [stief(zoon, -moeder enz.)]; vgl. oudengels astiepan, bestiepan [beroven], oudhoogduits arstiufen, bistiufen [beroven van ouders of kinderen]; vgl. ook voor de betekenisontwikkeling latijn privignus [stiefzoon] en privare [beroven].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stief- in stiefvader enz., mnl. stief-, mnd. stēf-, ohd. stiuf- (nhd. stief-) naast mnd. stēp-, ofri. stiāp-, oe. stēop- (ne. step-), on. stjūp- en stjūpr ‘stiefzoon’. — Men kan vergelijken ohd. ar-, bistiufan ‘van kinders of ouders beroven’, oe. a-, bestīepan ‘beroven’, en verder met een germ. *steupa-, waartoe ook stomp behoort (Holthausen PBB 66, 1942, 274). — Zie verder: stoten.

De vorm stief- is bevreemdend. In het hd. is die klankwettig ontstaan, maar men kan zich moeilijk denken, dat zulke woorden uit het hd. zouden zijn overgenomen. Anderzijds is de verklaring bij FW 665, dat deze vorm zou zijn uitgegaan van een assimilatievorm stieffader < stiopfader niet geheel bevredigend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stief-, mnl. stief-, = ohd. stiuf- (nhd. stief-), mnd. stêf-, ofri. stiâp-, ags. stêop- (eng. step-), on. stjûp- “stief-”, in samenst. met vader, moeder, zoon e.dgl. Als znw. on. stjûpr m. “stiefzoon”. Oorspr. bet. “beroofd, iets missend”; vgl. voor de bet. lat. prîvus “id.”: prîvignus “stiefzoon”. De f van ’t ndl., ndd. woord behoeft niet op ontl. uit ’t Hd. te wijzen; hij kan ook door assimilatie verklaard worden: *stiop-fader > *stiof-fader (vgl. mnl. stiemoeder, fri. stiemoer), dan kan de f-vorm verder in de andere samenstt. met *stiop- zijn overgenomen. Van germ. *steupa- ’t ww. ohd. stiufen, ar-, bi-stiufen, ags. â-stîepan “orbare”. Oorsprong onzeker. Vgl. bij stoop.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stief- , in samenst. met verwantschapsnamen, Mnl. stief- + Ohd. stiuf- (Mhd. stief-, Nhd. id.), Ags. stéop- (Eng. step-), Ofri. stiáp-, On. stjúp- (Zw. styf-, De. stiv-); hierbij Ohd. stiufen, Ags. ástýpan = berooven; cf. Lat. privignus = stiefzoon, van privus = beroofd. De Ndl. vorm moest stiep zijn; maar in sommige dial. (o.a. Fri. en Vla.) is er steeds assim. van de p met de volgende kons., dus: stief-fader, stiem-moeder, enz.; de Ndl. vormen zijn dan analogievormen van dit stief-fader.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

steechkindj, -moder, -vader, zn.: stiefkind, -moeder, -vader. Door f/ch-wisseling uit stief-.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

stief II: betreffende aangetroude familieskap; hardvogtig, suinig; Ndl. stief- (soms ook stiep-, in verbg. m. -dogter, -kind, -ma, -pa, -seun en -ouers), Hd. stief-, Eng. step-; ouer vorme blb. m. slot-p, wat misk. deur ass. tot f ontw. het in vorme soos stiefvader, waar v, soos in Afr., stl. uitgespr. is en anal. verder deurgewerk het; ouer bet. wsk. “beroof” (vgl. Lat. privignus/privus, “stiefseun”, d.w.s. “van vader beroofde seun”), wu. het. “suinig, hardvogtig” mntl. ontw. het.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Stiefvader, -moeder, -kind enz. Het eerste gedeelte van deze woorden schijnt wel terug te gaan op een vorm stiep, ohd. stiuf; van dit ohd. woord kwam een ww. stiufen en bistiufen = van ouders of kinderen berooven. De p zal in ƒ overgegaan zijn door de volgende v, en daarna voor de andere naar analogie, te eer daar de p in het mnl. voor de m van moeder zelfs wel verdween (eig. geassimileerd) werd : stiemoeder. Een overeenkomstige samenstelling vindt men in ’t lat. privignus = stiefkind, van privus = beroofd en de stam g(e)n, die ook voorkomt in genus = geslacht en natus (uit gnatus), en welke stam ook voorkomt, natuurlijk met verschuiving der gutturaal, in ons kunne en kind.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stief- ‘iemand die de plaats van een familielid inneemt’ -> Deens sted- ‘iemand die de plaats van een familielid inneemt’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors ste- (ouder: stif-) ‘iemand die de plaats van een familielid inneemt’ (uit Nederlands of Nederduits).

stiefmoeder ‘tweede moeder’ -> Deens stedmor ‘tweede moeder’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stemor ‘tweede moeder’ (uit Nederlands of Nederduits).

stiefvader ‘tweede vader’ -> Deens stedfar ‘tweede vader’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors stefar, stiffar ‘tweede vader’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stiefmoeder* tweede moeder 1240 [Bern.]

stiefvader* tweede vader 1240 [Bern.]

stiefzoon* zoon uit eerder huwelijk 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

(s)teu-1 ‘stoßen, schlagen’ u. dgl., mit kons. Erweiterungen

A. (s)teu-k-: gr. τύκος ‘Hammer, Meißel; Streitaxt’, τυκίζω ‘bearbeite Steine’, τυκάνη ‘Dreschvorrichtung’ (bei Hes. τυτάνη); air. toll ‘hohl’, toll ‘Höhle, Loch’ (*tukslo-), cymr. twll ‘foramen’, adj. ‘perforatus’, bret. toull ‘Loch’; wahrscheinlich ahd. dūken ‘drücken, niederdrücken’, ags. ðȳ(a)n, ðēon ‘drücken, zwingen, stechen’ (s. Genaueres u. tu̯eng̑h- ‘bedrängen’);
lett. tukstêt ‘klopfen’, taucêt ‘im Mörser stampfen’, russ.-ksl. istъknǫti ‘effodere’, aksl. tъkati ‘weben, stechen’, usw.;
aisl. styggr ‘zornig, unfreundlich’, nl. stug, älter stugge ‘steif, unfreundlich, abstoßend’ können ursprüngl. ‘abstossend’ und ‘steif’ sein und im letzteren Falle mit lit. stúkti (s. unten) unter steugh- ‘steif dastehen’ vereinigt werden.
B. (s)teu-g-: ai. tujáti, tuñjáti, tunákti ‘drängt, stößt’, Med. ‘kommt in schnelle Bewegung’;
mir. tūag f. ‘Axt’ und ‘Bogen’, jünger stūag, tūagaim ‘schlage mit der Axt’, tōcht ‘Teil, Stück’; expressives *stoukkā in bret. stuch ‘Pfeilspitze, Feder’, stuc’henn ‘Garbe, Brotschnitte’ (nir. stūaic ‘Anhöhe, Spitze’ usw. ist brit. Lw.); vgl. nhd. ‘Stück’ und ‘Stauche’ (Loth RC. 42, 320 ff.);
vermutlich lit. stùngis ‘Messerstumpf’, stúkti ‘in die Höhe ragen’; und aksl. tъštati sę “σπεύδειν”;
schwed. stuka ‘überwältigen’, norw. stauka ‘stoßen, verletzen, stottern’, mnl. nnd. stūken ‘stoßen, aufschichten, erstaunen’, nhd. verstauchen (aus dem Nd.), ndl. verstuiken ‘verrenken’; afries. stāk ‘steif’ zu norw. stauka;
mnd. stoken ‘stechen, stochern’, engl. dial. stoke ‘das Feuer schüren’, nhd. stoche(r)n; ohne anlaut. s-: aisl. þoka ‘rücken, verändern, gehen’, ags. ðocerian ‘umherlaufen’;
ahd. mhd. stoc, -ckes ‘Stock, Stab, Baumstamm’ (wohl ‘*abgeschlagener Ast oder Stamm’, vgl. abstocken), ags. stocc ‘Stock, Stamm, Stumpf’, aisl. stokkr ‘Baumstamm, Pfahl, Block’, woneben mit der Bed. ‘steif’ nd. stück, mhd. nhd. stocken ‘steif werden’; aisl. stykki, ags. stycce, ahd. stucki, nhd. Stück;
ahd. stūhha f., mhd. stūche m. f. ‘weit offener Ärmel am Frauengewand (eig. Ärmelstumpf), Kopftuch’, nhd. Stauche, mnd. stūke ‘Stumpf, weiter Ärmel’; mit : ags. stocu f. ‘langer Ärmel’;
manche neigen zur Annahme eines Bed.-Kernes ‘steif’ (woraus ‘stoßen’ entwickelt sei), und zum Vergleich mit lit. stúkti ‘in die Höhe stehen’ (alit. stauginė́ti ‘schlendern’, eigentlich ‘steif, stolpernd gehen’); vgl. russ. stugnutь ‘gefrieren (*steif, starr werden?)’, gr. στύγες Pl. ‘Eiskälte’, στύγος n. ‘Abscheu, Haß’, στυγέω ‘hasse, verabscheue, fürchte’, στύξ, Gen. στυγός f. ‘das Verhaßte, Frost’; FlN Στύξ, s. unten S. 1035;
zweifelhaft und nur unter der Annahme von ‘Ablautentgleisung’ möglich ist die Zugehörigkeit von got. stigqan ‘zusammenstossen mit’, ga-stigqan ‘anstossen’, aisl. støkkva st. V. ‘spritzen’, Intr. ‘bersten, springen, fallen, laufen’; ags. stincan ‘stieben, dampfen, aufwirbeln; stinken’, as. ahd. stincan ‘stinken, riechen’; Kaus. aisl. støkkva ‘verjagen, besprengen’, ags. stencan ‘zerstreuen’, mhd. steuken ‘stinken machen’; as. stank, stunk, ags. stenc ‘Geruch, Gestank’, ahd. stanc ‘ds., auch Duft’.
C. (s)teu-d-: ai. tundatē, tudáti ‘stößt, stachelt, sticht’, todá- m. ‘Stachler, Lenker’; arm. t’ndal, t’ndel ‘erschüttert werden’;
aus dem Gr. vermutlich Namen wie Τυδεύς, Τυνδάρεως; fraglich τυννός “μικρός” (‘*zerstoßen’, ai. tunná-? eher Lallwort mit Konsonantendehnung wie τυτθός ‘ganz klein; jung’);
alb. shtynj ‘stoße’ (*studni̯ō);
lat. tundō -ere, tutudī ‘stoßen, schlagen, hämmern’, tudes, -itis ‘Hammer’, tuditāre ‘heftig stoßen’, wohl auch tussis ‘Husten’ (ob dazu umbr. tuder ‘finem’, tuderato ‘finitum’, so daß ‘Grenze’ eig. ‘Endpunkt; woran man anstößt’?); studeō, -ēre ‘sich ernstlich worum bemühen, eifrig betreiben, sich befleißigen’, studium ‘Streben, Eifer’ (‘*wonach zielen’ aus ‘wonach schlagen’);
air. do-tuit ‘fällt’ (das t vom Pl. -tuittet aus *-to-tudi̯ont); abret. ar-stud ‘cuspis’, bret. astuz ‘Ungeziefer’, cymr. cystudd ‘Schmerz’, usw.;
got. stautan (aisl. stauta schw. V.), as. stōtan, ahd. stōzan ‘stoßen’; mhd. nhd. stutzen ‘mit den Hörnern Stoßen, plötzlich stillestehen, zurückprallen’, mhd. stotze ‘Stamm, Klotz’; aisl. steytr, ahd. stōz ‘Stoß’; ahd. stiuz, nhd. Steiß (mit md. ei für eu) eigentlich ‘*abgestutzter Körperteil’ (vgl. nhd. Stoß ‘die Schwanzfedern des Vogels in der Jägersprache’);
aisl. stūtr ‘Horn, Stumpf, Ochs’, mnd. stūt ‘Oberschenkel, Steiß’; schwed. norw. stota ‘stottern, stolpern’, nhd. (nd.) ‘stottern’; auf Grund des Nasalpräsens aisl. stuttr ‘kurz’, ags. styntan ‘stutzen’ u. dgl.
D. (s)teu-p- (vereinzelt -b-, -bh-) ‘stoßen’; auch ‘Stock, Stumpf’.
ai. pra-stumpáti (unbelegt), tṓpati, tupáti, túmpati, tumpáti ‘stößt’, tūpará- ‘ungehörnt’;
gr. τύπτω ‘schlage’, τύπος ‘Schlag, Eindruck’; στυπάζει· βροντᾳ̃, ψοφεῖ· ὠθεῖ Hes., στύπος ‘Stock, Stiel, Stengel’; mit -bh- στυφελίζω ‘schlage, mißhandle’, στυφλός ‘rauh, steinig’; über στυφελός ‘herrisch’ s. Leumann Homer. Wörter 269 f.;
lat. stuprum ‘Schande’, bes. ‘die Entehrung durch Unzucht’ (ursprüngl. ‘die dafür verhängte Prügelstrafe’?); stupeō, -ēre ‘starr stehen; betäubt, betreten sein, stutzen’, stupendus ‘erstaunlich, staunenswert’; mit -b(h)- vielleicht titubāre ‘wankeln, straucheln, mit der Zunge anstoßen, stottern’;
aus *steub(h)-mā, *stoub(h)-mā: cymr. ystum f. ‘Biegung, Wendung, Gestalt’, bret. stumm ds. (ins Ir. entlehnt mir. stuaimm f. ‘Fähigkeit’), auch ‘Flußbiegung’; dastum ‘das Einsammeln’ (Loth RC. 48, 354 ff); vgl. ags. stūpian;
ahd. stobarōn ‘obstupēre’;
aisl. stūfr ‘Stumpf’, mnd. stūf Adj. ‘stumpf’, stūven = aisl. styfa ‘abstumpfen, abhauen’; aisl. stofn ‘Baumstumpf, Grundlage’; ags. stofn ds., aisl. stubbr, stubbi m. ‘Stumpf, Baumstumpf’, ags. stybb n. ‘Baumstumpf’;
mit germ. -p-: aisl. stūpa ‘emporragen’, ags. stūpian, mnl. stupen ‘sich bücken’; ablaut. ags. stēap ‘hoch, ragend’ (engl. steep ‘steil’), mhd. stouf ‘hochragender Felsen’ (Hohestaufen), mhd. stief ‘steil’; aisl. staup n. ‘Loch, Becher’; ags. stēap, ahd. mhd. stouf ‘Becher’; ags. stoppa ‘Kübel, Eimer’; aus ‘abgestutzt = beraubt’ erklärt sich aisl. stjūp- ‘Stief-’ (stjūpr ‘Stiefsohn’), ags. stēop-, ahd. stiof-, stiuf-, nhd. Stief-, ags. ābe-stīepan ‘berauben’, ā-stīeped ‘verwaist’, ahd. ar-, bi-stiufan ‘der Eltern oder der Kinder berauben’;
lett. staũpe ‘Pferdefußtapfen’; stupe, stups ‘Besenstumpf; (abgebrochene) Rute’.

WP. II 615 ff., WH. II 608 ff., Trautmann 331, Vasmer 3, 109, 160.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal