Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stichten - (oprichten, doen ontstaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stichten ww. ‘oprichten, doen ontstaan’
Onl. stihtan ‘opbouwen’ [10e eeuw; W.Ps.], ook met -f- in in gestiftoda sulun uuerthun burge iudae ‘en de steden van Juda zullen opgebouwd worden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. stichten ‘oprichten, instellen, doen ontstaan’ in her ... di cristenheit. In gallia stichte ‘hij verspreidde het christendom in Gallië’ [1200; VMNW], huusbrant stichten ‘brandstichten in een huis’ [1236; VMNW], Dat si din hope stichtte Op gods genade ‘Dat zij haar hoop vestigde op Gods genade’ [1265-70; VMNW], ook ‘doen, maken’, zoals in hoe Hector daer groet wonder stichte ‘hoe Hector daar een groot wonder verrichtte’ [1465-85; MNW-R] en ‘opbouwen in het geloof’ in u werken ende uwe woort sijn een stichten ende een verlichten ‘uw werken en uw woorden zijn stichtelijk en opwekkend’ [1450-1500; MNW].
De verbinding -cht- komt van -ft-, zoals nog in Onl. gestiftoda, met dezelfde klankovergang als in → achter.
Mnd. stichten, stiften ‘stichten, veroorzaken, maken, schenken’; ohd. stiften ‘stichten, instellen, aanstichten’ (nhd. stiften); ofri. stifta ‘stichten’ nfri. stiftsje, stichtsje; < pgm. *stiftijan-, *stiftōn-. Oe. stihtan, stihtian ‘regelen, inrichten, ordenen, aansporen’ hoort hier niet bij en is afgeleid van pgm. *stihti- ‘opstapje’ bij *stīgan- ‘stijgen’ (vergelijk Nederlands steiger).
Uitgaande van een grondbetekenis ‘oprichten van een gebouw’ is stichten te verklaren als verwant met → stijf, dat teruggaat op de wortel pie. *steip-. Om het geraamte van een gebouw stijf en stevig te maken werden houten posten opgericht met afgeleide benamingen als bijv. BN (dialectisch) stefel, stijpel ‘stut, steunbalk’ en Latijn stīpes ‘paal’. Stichten zelf gaat in deze verklaring terug op een t-afleiding van deze wortel, namelijk het deelwoordelijk bijvoeglijk naamwoord pgm. *stifta- < pie. *stipto-.
De overdrachtelijke betekenis ‘opbouwen in het geloof’ is een leenvertaling van middeleeuws Latijn aedificāre ‘opbouwen, een voorbeeld stellen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stichten* [instellen, veroorzaken] {oudnederlands stiftan, stihtan [bouwen] 901-1000, middelnederlands stiften, stichten} (met overgang van ft > cht als in graft > gracht), middelnederduits stichten, oudhoogduits stiften, oudfries stifta; waarschijnlijk behoort het woord bij stijf en is de grondbetekenis ‘stijf maken’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stichten ww., mnl. stichten, stiften ‘stichten, bouwen, instellen, maken, doen’, onfrank. stiftan, stihtan ‘bouwen’, mnd. stichten, ohd. nhd. stiften, ofri. stifta ‘stichten, inrichten, instellen’. — Gaat men uit van een bet. ‘stevig maken’ dan is het verwant met stijf, maar eerder is te denken aan een bet. ‘oprichten van een gebouw met houten posten’ en dan kan men aanknopen aan lat. stīpes ‘paal’, stīpula ‘halm’ (zie daarvoor ook: stift 1).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stichten ww., mnl. stichten (stiften) “stichten, bouwen, instellen, in ’t leven roepen, maken, doen”, onfr. stiftan, stihtan “aedificare”, ohd. (nhd.) stiften, mnd. stichten, ofri. stifta “stichten, instellen, inrichten”. De oorspr. bet. was “stevig, vast maken”: verwant is stijf; wgerm. *stiftian is het best te begrijpen als een afl. van een bnw. (deelw.-formatie) *stifta-. Ags. stihtan, stihtian “besturen, regelen” is een heel ander woord, ’t behoort met on. stêtt v. “voetstap, tree” en stêtta “helpen, ondersteunen” bij stijgen. — De overdr. bet. ( = hd. erbauen) komt reeds bij mnl., mnd. stichten voor: vert. van mlat. aedificâre “een voorbeeld geven, onderrichten, stichten”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stichten o.w., Mnl. id., Onfra. stihtan, stiftan + Ohd. stiften (Mhd. id.), Ofri. stifta, eigenlijk = stevig maken, van stijf.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stichten, van den Germ. wt. stihw: bouwen, grondvesten.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

stichtend. - In navolging van fr. édifiant wordt dit tegenwoordig deelwoord niet zelden als bijvoegl. naamw. gebruikt; men zegt echter stichtelijk. || Den Kabinet of den Kleinen Catechismus of den Claus Catechismus of den Halve Geschrifte of een ander stichtend boek, G. BERGMANN, Gedenkschr. 80. De weinigen, die het lezen niet vergeten hadden, (hadden) na het verlaten der school gelegenheid om hun bekomen onderricht te benuttigen met het lezen van stichtende boeken. 81. Mijn dood ware ... nog een stichtend voorbeeld geweest, TEIRL.-STIJNS, Arm Vl. 2, 184. Op gekende volkwijzen van oudere wereldsche liederen werden dikwijls de stichtende protestantsche psalmen gezongen, FREDERICQ, De Nederl. o. K. Kar. 90. Nooit (zou) iemand het ... gewaagd hebben hun bestendig en weinig stichtend tête-à-tête te storen, BUYSSE, Mea Culpa 72. En dat heet men rechtvaardige kunstkritiek! Maar vergelijk deze 35 regels eens met de kolommen en nog kolommen, in ’t zelfde tijdschrift gewijd aan de onderscheiden salons der Libre esthétique ...! Leerrijk en stichtend, waarachtig! DE MONT in Vl. School 1895, 47b.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stichten ‘grondvesten, doen ontstaan’ -> Fries stichtsje ‘grondvesten, doen ontstaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stichten* grondvesten, doen ontstaan 0901-1000 [WPs]

stichten* stemmen tot vroomheid 1546 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

stē̆ib(h)-, stī̆b(h)-, stē̆ip-, stī̆p- ‘Stange, Stecken; steif’ und ‘zusammendrängen’ usw., stīpo- ‘steif’

1. stē̆ib(h)-, stī̆b(h)-: ai. stibhi- m. ‘Rispe, Büschel’; gr. στιφρός ‘dicht (zusammengedrängt), fest, stark’, στῖφος n. ‘Zusammengedrängtes, Haufe’;
arm. stēp ‘häufig’, als Subst. ‘Kraft, Zwang’, stipem ‘dränge, zwinge’; gr. στείβω ‘mache dicht, trete fest, betrete’, στιπτός ‘fest, gedrungen’, στιβαρός ds., στίβος m. ‘der betretene Pfad’, στιβάς, -άδος ‘Lager von Streu oder Stroh usw.’, στοιβή ‘das Stopfen, Ausstopfung’, στοιβάζω ‘häufe an’, στί̄βη ‘Reif’;
aksl. stьblъ, stьblo (russ. stébelь) ‘Stengel’, stьblije ‘καλάμη’; lit. stáibiai ‘Schienbeine’, stíebas ‘Stock, Pfeiler, Mast’, lett. stiba ‘Stab, Rute’, apr. stibinis ‘Schlittenbein’, lit. stībis ‘membrum virile’: lit. stiẽbtis ‘sich hoch aufrichten’, lett. stibt ‘betäubt werden’, lit. stíebas ‘Stab, Pfeiler, Mast’, lett. stìebrs ‘Binse’.
2. stē̆ip-, stī̆p-: lat. stīpes, -itis m. ‘Pfahl, Stamm, Stange’, stīpō, -āre ‘dicht zusammendrücken, zusammenhäufen, gedrängt vollstopfen’, obstīpus ‘seitwärts geneigt’;
mit : stipula f. ‘Halm, Stroh’; unklar sind stips, stipis ‘Geld, Gabe, Spende’; stī̆pendium ‘Soldatenlöhnung, Steuer, Tribut, Sold’ (*stipi-pendiom), stipulor, -ārī ‘bedinge mir aus’; umbr. steplatu, stiplato ‘stipulātō’;
gr. PN Στί̄πων zu *στῑπος = ags. stīf, mhd. (eigentl. md.) stīfsteif, aufrecht’, neben altfries. stef (?); mnd. stīvele ‘Stütze’, mhd. stīvel ds., aisl. stīfla ‘dämmen’ (daraus engl. stifle ‘ersticken’); mit germ. p: nd. stīpel, stīper ‘Stützholz’, fries. stīpe ‘Pfahl’, engl. stipe ‘Stengel’; mnd. stip, stippe ‘Punkt, Tupf’, stippen ‘punktieren, sticken’, mhd. steppen ‘reihenweise nähen, sticken’, nhd. steppen; mnd. stift ‘kleiner Nagel, Stift’, ahd. steft ‘Spitze, Dorn, Stift’; unklar sind and. stiftōn ‘aedificare’, ahd. mhd. stiften ‘feststellen, gründen, bauen, anstiften’, nhd. stiften;
lit. stimpù stìpti ‘erstarren, verenden’, stiprùs ‘stark, kräftig’, Pl. stipinaĩ ‘Stütze am Schlitten’, lett. stipt ‘steif werden’, ablaut. lit. stiẽpti, lett. stiept ‘recken’; apr. postippin ‘ganz’.

WP. II 646 f., WH. II 593 ff., Trautmann 287, Vasmer 3, 7; zu stāi- S. 1010.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal