Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

sticht - (klooster, bisdom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

sticht zn. ‘klooster, bisdom’
Mnl. stichte, stifte ‘bisdom’ in der dienstmanne des stichtes ... van vtreht ‘van de dienaren van het bisdom van Utrecht’ [1281; VMNW], Binnen den stifte van Utrecht ‘binnen het bisdom Utrecht’ [1285; MNW], ook ‘gewest, landstreek’, zoals in van Europa ende haren stichten ‘van Europa en haar landstreken’ [1350-1400; MNW], ‘bisschopskerk’ [1477; Teuth.] en ‘gebouw, klooster’ [1588; Kil.].
Afleiding van → stichten. De oorspr. vorm met -ft, vanwaar -cht volgens dezelfde klankovergang als in → achter, is in het Hollands nog tot ver na de middeleeuwen blijven bestaan.
Mnd. stift(e), sticht(e) ‘klooster, bisdom, instelling, jur. vaststelling’ (waaruit nzw. stift (id.)); mhd. stift ‘godshuis, oorzaak, jur. vaststelling’ (nhd. Stift ‘klooster, rusthuis’); nfri. stift ‘klooster’.
Uit de betekenis ‘wat gesticht is’ heeft zich de betekenis ‘gewijde stichting’ ontwikkeld, eerst in de zin van ‘klooster, domkerk’ e.d. en later ook van ‘gewijd gebied, gebied van een kerkvorst, bisdom’. Het ging hierbij vooral om gebied waar het wereldlijk gezag gold van een bisschop. Sticht in zijn territoriale betekenis leeft nog voort in de benamingen voor het gebied waarover de bisschop van Utrecht oudtijds het bestuur voerde, namelijk het Nedersticht, oftewel de huidige provincie Utrecht, en het Oversticht, dat ongeveer de huidige provincies Overijssel en Drenthe met de stad Groningen omvatte. Voor het overige komt het woord thans vrijwel uitsluitend met voorvoegsel voor als → gesticht. Dit betreft gebouwen met een bepaalde bestemming van (voorheen) kerkelijke aard, zoals bijv. inrichtingen voor lichamelijk of geestelijk zieken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

sticht2*, stift [klooster, bisdom] {sticht(e) 1281, naast stift 1285} (met overgang van ft > cht als in graft > gracht) [gebouw, stichting, klooster, gewest], middelnederduits stift, sticht(e), middelhoogduits stift; van stichten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

sticht znw. o. ook stift znw. o., mnl. stichte, stift o. v. ‘geestelijke stichting, bisdom, gewest’ (> owfri. sticht ‘bisdom’), Teuth. stichte ‘bisschopskerk, bisdom’, mnd. sticht, stichte, stift ‘instelling, gesticht, kerk, bisdom’, mhd. stift m. o. (nhd. stift) ‘instelling, stichting, gesticht, godshuis’ is afgeleid van het ww. stichten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

sticht, stift znw. o., mnl. stichte, stift o. v. “geestelijke stichting, bisdom, gewest”. Uit ’t Mnl., owfri. sticht o. “bisdom”. = mhd. stift m. o. (nhd. stift o.) “instelling, stichting, vaststelling, gesticht, godshuis”, mnd. sticht(e) (stift) o. “id., bisdom”, Teuth. stichte “bisschopskerk, bisdom”. Bij ’t ww. stichten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stift 2 o. (sticht), uit Hgd. id., van stiften: z. stichten.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

sticht* klooster, bisdom 1281 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal