Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stern - (meeuwachtige)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2014-), etymologische artikelen, gepubliceerd op Neerlandistiek.nl

Etymologie: stern

stern zn. ‘zeezwaluw, sternida
Nnl. starmeeutje (1714), starre (1860), sterre-meeuw (1622 [non inveni]). Dial. starreling, stikstar (Noord-Holland), steern (Groningen). De term stern wordt pas sinds 1900 in de schrijftaal als Nederlandse benaming gebruikt. Hij is ontleend aan wetenschappelijk Latijn sterna, dat door Linnaeus in 1758 (Systema Naturae, 10e ed., p. 137) werd overgenomen uit Turner’s Avium praecipuarum historia (1544), die met sterna de Engelse dialectbenamingen stern, starn latiniseerde.
Hetzelfde woord werd ook gebruikt voor ‘spreeuw’: Vroegnnl. sterre, starre ‘spreeuw’ (1599, “verouderd”), Nnl. staar (1770; ontleend aan Duits?). De verwante vormen vallen dan ook in twee betekenissen uiteen:
a. ‘spreeuw’: Oudsaksisch stara f., Oudhoogduits star(o) m., Mhd. star, Mohd. Star, Oudnoors stari m., MoIJslands star(r)i, Oudengels stær m., stærn, stærlinc, MoE starling, dial. starn (Shetland), starnel (Northants.)
b. ‘stern’:
b1. met *st-: MoWFri. stirns, sterns, ook stjirring, stjerring, stjarring; stark; Noordfries, o.a. Sylt hudenstiar, Föhr-Amrum sternk; Oudengels stearn ‘stern’, stern ‘meeuw’, MoE dial. starn (Norfolk) ‘stern’. MoE tern ‘stern’ is ontleend aan het Oudnoors.
b2. zonder *s-: Oudnoors ϸerna v., Zweeds tärna ‘stern’.
De vormen met st- wijzen op Proto-Germaans *star-an- naast *starran-, die zich mogelijk beide uit een enkele stam PGm. *starō, *starraz (uit een oudere n-stam *storō, *stor-n-) hebben ontwikkeld (Kroonen 2013: 475). In het Nederlands werd e tot a voor rr en rn. De Noordgermaanse woorden zonder *s- wijzen op Indo-Europees *ter-n-.
Buiten het Germaans zijn o.a. Lat. sturnus ‘spreeuw’ (uit *storno-) en Oudpruisisch starnite ‘meeuw’ (*storn-) verwant. Het element *stor- zou theoretisch het woord voor ster kunnen bevatten (zie de gespikkelde veren van de spreeuw) maar gezien de s-loze *ϸern- is dat minder waarschijnlijk. Bovendien wisselen ook in Latijn turdus, Oud-Iers truit, Litouws strãzdas, Oudnoors ϸrǫstr (PGm. *ϸrastu-), Duits Drossel (PGm. *ϸrus-), alle ‘lijster’, *stor- en *tor- elkaar af. Mogelijk zijn al die vogelnamen daarom van een gemeenschappelijk(e groep) woord(en) voor ‘zangvogel’ afgeleid.
Lit.: De Buffon, ‘Natuurlyke historie der zee-zwaluwen’. Vaderlandsche Letteroefeningen 1787, p. 628–635.
W. de Vries, ‘Etymologische Aanteekeningen.’ TNTL 40, 89–111 (1921).

[Michiel de Vaan, gepubliceerd op 15-09-2016]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stern [zeezwaluw] {1761} < modern latijn sterna, vgl. ablautend oudengels stearn(a), oudnoors þerna, verwant met middelnederlands sterre [spreeuw], bij Kiliaan sterlinck {1599} oudhoogduits stara, oudengels staer, staerling, latijn sturnus [spreeuw].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stern znw. v. ‘zeezwaluw’, nfri. stirns, sterns en abl. oe. stearn ‘zeezwaluw, spreeuw’ (?). Verder zijn te vergelijken mnl. sterre ‘spreeuw’, mnd. star(e), ohd. star(a), nhd. star, oe. stær, on. stari en de afl. oe. stærling (ne. starling). — lat. sturnus ‘spreeuw’, opr. starnite ‘meeuw’ (IEW 1036).

Of men deze vogelnaam als een klankwoord mag opvatten is onzeker; in dat geval zou men kunnen aanknopen aan lat. stertere ‘snurken’. — Daartegen spreekt, dat er ook een s-loze vorm naast staat: on. þerna v. in het ne. overgenomen als tern.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† stern znw. (zeezwaluw), niet mnl. of bij Kil. Ablautend met ags. stearn(a) m. ‘zeezwaluw, spreeuw’(?); hierbij verder ohd. stara v. (hd. star m.), ags. stær m. en stærling m. (eng. starling) = Kil. sterlinck ‘spreeuw’, en zonder s- on. þerna v. (uit het Scand.: eng. tern) ‘zeezwaluw’. Buiten het Germ. zijn verwant lat. sturnus ‘spreeuw’, opr. *starnite (emendatie voor stamite) ‘meeuw’. Vgl.W.de Vries Tschr. 40, 105.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stern m., + Ags. stearn, On. þerna (Zw. tärna, De. terne), verder verwant met Hgd. star, Lat. sturnus = spreeuw. Uit Germ. Geleerdenlat. sterna.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

sterntjie: – (dial. by vWiel 127 sterenkie v.) – , soort seemeeutjie (sp. Sterna, fam. Sterninae); Ndl. stern (dim. sterntje, dial. starre/ster(re), “seeswaeltjie”), hou verb. m. Eng. starn/stern/(ouer) stearn, mntl. ook m. starling, “spreeu”, naas Eng. sonder anl. s- die vorm tern (via Skand.) – met d. oog op verbreidheid en ouderdom in Germ. is Linn se sterna misk. verlat. Germ., maar met d. oog op Lat. sturnus, “spreeu”, kan die Germ. vorme mntl. verdietste Lat. wees (v. WNT XV 1532 en dVri J NEW s.v. stern), vgl. Frank TB 126 en 142 No. 9.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

STERNSSternidae
Hoewel de betekenis van Stern niet met zekerheid is vastgesteld, wordt aangenomen dat het oorspronkelijk om een klanknabootsend woord gaat, naar de krassende scherpe vogelroep. Zij komt voor als Oudengelse naam Stearn en is ook herkenbaar in de Scandinavische talen, b.v. als Terne. Toch dringt zich o.i. ook een vergelijking op met het Engelse stern = achtersteven. Betrekken wij hierbij de vroegere Nederlandse naam Zeezwaluw, dan zou de benaming Stern in een latere periode tevens aangemerkt kunnen zijn als een vogel met gevorkte z.g. zwaluwstaart. Het Friese meervoud is Stirnzen.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Bonte Stern Sterna fuscata Linnaeus 1766. In de tropen broedende, nog niet bij ons (wél in Engeland) waargenomen Stern, die van boven zwart en van onderen wit is (vandaar: bont). Van Balen 1915 gebruikt de naam Roetbruine Zeezwaluw voor deze soort.

Noardske Stirns Officiële friese naam voor de Noordse Stern ↑ [De Vries 1928; Boersma 1972]. Helgolandfries Roadnabet Ker [De Vries 1912], Roadnabbet Kerr [Reichenow 1920], Roâ’nabbet Ker [De Vries 1928]. Het bnw. wil zeggen: ‘roodgesnaveld, met rode snavel’; dit kenmerk deelt de Noordse Stern met de Visdief, maar de Noordse Stern mist de zwarte snavelpunt van de Visdief.

Stirns Het friese woord voor ‘Stern’; ook fries Sterns ↑.

Dougalls Stern Sterna dougalli Montagu 1813. Stern die bijna wereldwijd voorkomt, maar in Europa tamelijk zeldzaam is en slechts op enkele plaatsen aan de ierse, engelse en franse kust broedt. In N inmiddels (5/4/94) 16x waargenomen als zeldzame gast1.
De N naam is een boekennaam, overgenomen van de wetenschappelijke naam; deze is ter ere van de schotse medicus en ornitholoog Peter McDougall (1777-1814), die deze soort schoot op 24 juli 1812 aan de monding van de Clyde en als nieuwe soort voor de wetenschap opzond naar de engelse ornitholoog George Montagu (1753-1815). Deze publiceerde hem met de E naam Roseate Tern in het Supplement to Ornithological Dictionary. Schlegel 1844 (p.CXXX) en 1858 hield voor deze de naam Sterna paradisea van Brünnich 1764 aan (in 1763 publiceerde Pontoppidan de soort met deze naam: zie Noordse Stern).

==

1 Albarda 1897 noemt een vangst (van 5 vogels tegelijk) en een wn. (van hemzelf) van 2 vogels tegelijk, beide van zeer late datum (30 oktober 1886, resp. 1/2 oktober 1896), onder de naam van Dougall’s Zeezwaluw; aangezien de determinatie voornamelijk op grond van de snavelkleur geschiedde, zullen al deze vogels Visdieven in winterkleed geweest zijn. Ook Buekers 1902 vermeldt deze gevallen en geeft een determinatietabel van Sterns (p.509) uitsluitend gebaseerd op de kleur van snavel en poten. Bureau 1905 [in: Bowdler Sharpe 1907] maakt melding van mogelijke gevallen in N gemeld door Temminck 1840, maar merkt op dat septemberwaarnemingen “wel wat laat” zijn (p.329).

Forsters Stern Sterna forsteri Nuttall 1834. Driemaal in N en éénmaal in België waargenomen soort van Stern, die in Noord-Amerika broedt en zelden in Europa verschijnt. Het eerste geval in N was pas 1 november 1986 door een ontdekking van Arjan Ovaa. De soort is genoemd naar Johann Reinhold Forster (1729-1798) en diens zoon Georg Forster (1754-1794), duits natuuronderzoeker, resp. artiest. Beiden maakten Cooks tweede zeereis door (o.a.) de Pacific mee op het schip de ‘Resolution’ van 12 juli 1772 tot 29 juli 1775. Hieruit resulteerde Descriptiones animalium met aquarellen van Georg, dat echter pas na 70 jaar (in 1844) door Lichtenstein werd uitgegeven. Van 1780 tot zijn dood in 1798 was Johann Reinhold professor in de Natuurlijke Historie in de duitse stad Halle. Hij schreef ook nog Historia Aptenodytae, generis avium orbi australi propinquum (1781; over de Keizerspinguïn Aptenodytes forsteri) en Mémoire sur les Albatros 1785. Deed in zijn beginjaren ook vertaalwerk, o.a. de E vertaling van Reize in China van de Zweed Peer Osbeck en Voyage autour du monde, 1766-1769 van Louis-Antoine de Bougainville. [Stresemann 1996 p.74; Houttuyn 1762 p.219]

Grote Stern Sterna sandvicensis Latham 1787. Middelgroot formaat Stern, die in N in enkele grote kolonies aan de kust broedt. Heeft enkele volksnamen, die ws. van ouder datum zijn dan de officiële (boeken)namen. Deze volksnamen zijn/waren echter slechts aan weinige mensen bekend, wier belangstelling vooral de eieren gold, die voor de consumptie geraapt werden. Aan het grote publiek is/was de soort zelve nauwelijks bekend.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS B&O 1822 geven als N namen: “De zwartbekkige Zee-Zwaluw, Caugek”. Schlegel 1828 zegt weliswaar: “bewoont voornamelijk de Hollandsche kusten”, maar geeft geen hollandse naam! Pas in het vijfde (en laatste) deel van NV (1829), in welk werk de volgorde der vogelsoorten voornamelijk werd bepaald door de bekendheid ervan, kwam de Grote Stern aan bod; hij heette toen Groote Zeezwaluw, in Thijsse 1944 nog de officiële naam.
De huidige wetenschappelijke naam is afgeleid van het engelse kustplaatsje Sandwich in het graafschap Kent, omdat de naamgever, de Engelsman John Latham (1740-1837), exemplaren vanuit die plaats had toegezonden gekregen. De latinisering van Kent heeft geleid tot een andere wetenschappelijke naam, nl. Sterna cantiaca, welke in 1788 door Gmelin werd gegeven, en die nog door Schlegel en Albarda 1897 werd gebruikt. Lathams naam is dus ouder.

Noordse Stern Sterna paradisaea1 Pontoppidan 1763. Stern ↑ die broedt in het noorden van Eurazië en Amerika, over het algemeen noordelijker dan de veel op hem gelijkende Visdief. Ook in N komt de soort tot broeden, o.a. op Texel. Maar lange tijd is de soort in N niet herkend, en ook tegenwoordig is het dikwijls moeilijk om langstrekkende Noordse Sterns van Visdieven te onderscheiden: het heeft geleid tot de (scherts)naam (Noordse) Dief.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Albarda 1897 maakt melding van het namenpaar “Noordsche of Zilvergrijze zeezwaluw” (p.93,133). De eerste naam is mogelijk overgenomen van toenmalig D Nordische Seeschwalbe [Meves 1886] en deze is weer min of meer een vertaling van de wetenschappelijke naam Sterna paradisaea. Schlegel 1858 noemt nog geen N naam voor de soort, omdat er dan ook nog geen officieel erkende wn. in N gedaan is (“Komt waarschijnlijk ook, ten minste toevallig, aan onze kust voor.”).

==

1 De oude Grieken geloofden in een “Huperboreioi”, een paradijs van gelukzaligheid in het Hoge Noorden, misschien vanwege het eeuwige zonlicht (middernachtszon!) (Gr hupér ‘voorbij’, Gr boréās ‘het noorden’). Lat hyperboreus ging later gewoon ‘(hoog)noordelijk’ betekenen; vgl. sub Grote Burgemeester. [Wilms 970404,4]

Sierlijke Stern Sterna elegans Gambel1 1843 [?]. Synoniem: Thalasseus elegans. De huidige N naam is ws. naar de Am/E Elegant Tern, gezien ook de grammaticaal slechte N naam Elegant Stern in Campbell 1975. Een andere oudere N naam luidt Kleine Koningsstern [deze én de naam van het lemma in Löfgren 1985]. De eerste wn. in de Lage Landen van deze westamerikaanse soort was op 12 juni 1988 te Zeebrugge (WVl) door Peter Boesman [DB 14(5): 161-169] en de tweede op 9 juni 2002 aan de Wassenaarse Slag (ZH) door Tim den Outer (deze wn. behoeft nog goedkeuring).
Zelfs in Bent 1921 was over deze soort nog maar weinig bekend; wel staat er zijn naam verklaard: “This beautiful tern well deserves its name, for in color, form, and behavior it is certainly one of the most elegant of our sea birds ...” F Sterne élégante [Gutiérrez 1998, DB 20(1): 5] en D Schmuckseeschwalbe [Jonsson 1992] hebben ongeveer hetzelfde benoemingsmotief; zweeds Aztektärna [Olsen & Larsson 1994] verwijst (enigszins onnauwkeurig) naar het broedgebied van de soort (net als D Aztekenmöwe ‘Lachmeeuw’, maar deze naam is zelfs nog minder nauwkeurig, want deze Meeuwensoort broedt in een veel groter gebied dan waar vroeger de Azteken woonden).
ETYMOLOGIE N sierlijk <mnl sierlijc, cierlijc, chierlijc is een afleiding van het ww. sieren <mnl sieren, cieren, chieren, tsieren. D zieren is een afleiding van D Zier ‘sieraad’ <mhd ziere <ohd ziari (znw. en bnw.). De woorden zijn verwant met N tieren.

==

1 William Gambel (1819/1821(?)-1849) maakte in 1843 een tocht door het Westen van Amerika. Naar hem zijn de Gambel’s Quail Callipepla gambelii en de Mountain Chickadee Parus gambeli genoemd [Evans 1993; Jobling 1991].

Stern Algemene N naam voor de meeste Zeezwaluwen ↑ uit de familie der Sternidae (1). Stern of Sterntje wordt ook wel gebruikt voor de meest algemene soort in ons land, te weten het Visdiefje (2). Fries Sterns, Stirns ↑.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Stern is in N zeker niet de oudste naam voor het geslacht van deze slanke Meeuwachtige vogels. De VK (c.1618) vermeldt het woord STERNE in twee betekenissen, nl. als ‘voorhoofd’ (Lat frons) en ‘ster’ (Lat stella), maar níét in de betekenis van ‘Zeezwaluw’. Omstreeks die tijd zijn deze vogels toch wel (aan sommige mensen althans) bekend, want Van Heenvliet c.1636 maakt melding van “seeckere soorte [van Meeuw] diemen Hicstaert noemt, die hier te Lande nu en dan voeden [= broeden], en een schraveltjen strandt tegens de duijnen aen in ’t caele sant neer maecken en haere eijeren in leggen ...” [Brouwer 1954]. Nog veel ouder is de overlevering van het woord zeeswalewe dat gevonden wordt bij Van Maerlant (c.1266), maar in het 5e boek van Naturen Bloeme, welk boek over de vissen gaat! MH 1932 geeft dan ook op voor mnl Seeswaluwe: “Naam van verschillende zeevogels, ook van een vliegenden visch.”
Het woord Stern dan is Houttuyn 1763 niet onbekend. Het heeft er zelfs alle schijn van dat Houttuyn ook aangeeft, hoe het woord direct in de N taal terechtgekomen is: “De Geslagtsnaam van Sterna, dien wy, in ’t Nederduitsch, STERN vertaalen, wordt aan Vogelen gegeven, die men gemeenlyk noemt Zee Zwaluwen.” (p.153).
ETYMOLOGIE Het woord komt ws. uiteindelijk voort uit oudnoords þerna (therna) en is mogelijk klanknabootsend, want het geeft aardig de tweedelige roep van Visdief en Noordse Stern weer. De naamgevers zullen vooral met die roep zijn geconfronteerd bij het verzamelen van de eieren. In het oudengels bestond echter al de naam Stearn.
Ook in andere germaanse talen bestaat (/bestond) het woord (D Stern bij HG 16691), maar het klanknabootsend effect is soms wel iets verloren gegaan; E Tern bijv. heeft niet meer die scherpe è-klank en is niet meer tweelettergrepig. Ook fries Stirns (waar [steens] uitgesproken wordt) lijkt nog maar weinig op de roep van Sterns. Wél fraai onomatopoëtisch is helgolandfries Ker ↑. Nog wat meer voorbeelden als bewijs voor de stelling dat de geluiden die Sterns maken in de naamgeving een grote rol speelden, vindt men onder Visdief, Grote Stern, Lachstern en Kaugek.
Etymologische verwantschap met mnl Sterre ‘Spreeuw’ [vgl. vDE 1993; NEW 1992; AEW 2000] is waarschijnlijk niet aanwezig; een dergelijke verwantschap blijft dan ook in Lockwood 1993 (sub E Tern en Starn) onbesproken. Spreeuwen en Sterns hebben maar weinig gemeenschappelijks; ook het geluid niet. Oudpruisisch starnite ‘Meeuw’ zal logischerwijs bij Stern aansluiten; klankwettig is het niet met Lat Sturnus verwant (meer hierover sub Staring).
Het gelatiniseerde woord luidt: Sterna. Dit komt het eerst voor bij Turner 1544; het staat ook in Jonston 1660 (Tab.46) en in Linnaeus 1758. De mededeling van Houttuyn wekt de indruk, dat deze het N woord Stern nog niet goed of nog niet zo lang kent. Toch moet, gezien het voorkomen van een (bijna) gelijkluidend woord in het fries, E en D, de mogelijkheid van een inheemse naam Stern (misschien maar bij een klein deel van de N/friese bevolking) open gehouden worden [contra VT en Sijs]; zie sub Sterns.

==

1 Op p.2,346 staat duidelijk te lezen: “/in unserer Sprach Stern genannt/” Op 2,345 echter staat in het kopje: “Stirn”. Dit laatste woord staat ook in de Index, i.t.t. het woord Stern.

Sterns Stirns Friese namen voor N Stern. Stirns is officieel fries [ViF 1977; Bibič 1995]. Op Ameland ook Starns ‘Visdiefje’, en meslânzers Stan ‘Visdiefje’ op Terschelling. Stirns wordt [steens] uitgesproken. In delen van het westerlauwers spraakgebied komen ook Stern [uitspraak sten] en Sten voor [ViF p.801]. Een opvallend verschil met N Stern is de slot-s, die Dyk [in litt. 000822] verklaart vanuit fries Stjerring, Stjirring en Stjarring [Waling Dykstra 1911] als assibilatie-verschijnsel. Een parallel is Groningen > (fries) Grins. Een met -ing vergelijkbare uitgang ziet men in noordfries Tiarenk, Tiarnk [Wüst 1970 p.210; De Vries 1912 p.115-116], noordfries Sternk ‘Reuzenstern’ op Amrum en Föhr [De Vries 1928 p.102] en deens (?) Skrieltjernk ‘Reuzenstern’ [de Vries 1912 p.115]. Het is niet zeker dat de uitgangen -ing en -enk verkleiningsuitgangen zijn, gezien het voorkomen bij namen voor de (grote!) Reuzenstern.
Het verkleinwoord van Stirns is Stirntsje een friese volksnaam voor ‘Zwarte Stern’, een kleine Sternsoort.
Een mooie oude vermelding van de naam is in HG 1669 (p.I-364): “Die Frießländer nennen diesen Vogel ein Stirn ...”, mogelijk teruggaand op Gesner 1555. Bij de Friezen was er dus al een inheemse naam vóór er (rond 1763, vgl. sub Stern) iets uit het wetenschappelijk-Lat (daar Sterna) geleend zou zijn.

Zwarte Stern Chlidonias niger (Linnaeus: Sterna) 1758. Overwegend zwart-grijs gekleurde soort van Moerasstern, die in de Lage Landen broedt. Fries Blaustirns ↑. Lat niger ‘zwart, donker’.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Houttuyn 1763 gebruikt de naam als in het lemma (p.158) voor de soort zoals Brisson die beschrijft. Houttuyn meent dat dit een andere is als die welke Linnaeus Sterna nigra noemt, want die heet bij Houttuyn Zeezwaluw (“Deeze kan men met meer reden de Zee-Zwaluw noemen, om dat hy veel kleiner dan de voorgaande is”). In NV deel 2 [Nozeman & Houttuyn 1789] staat de naam Zwarte Ikstern. B&O 1822: “Sterna nigra, L. – De zwartkoppige Zee-Zwaluw, Riet-Zwaluw, zwarte Ikstern, Brandvogel. “Schlegel 1852: De zwarte zeezwaluw. Deze naam, maar dan met een of twee hoofdletters, houden we tot en met Albarda 1897, Buekers 1902 en Calkoen 1903. Thijsse 1938 gebruikt de naam als in het lemma. Linnaeus 1758 noemt een “Rallus Lariformis” (“Rallus subtus albido-flavescens, Cervice caerulescente maculato, Digitis marginatis”, volgens hem de “Larus fissipes van Albin” en de “Rallus cinereus facie Lari van Klein”). Houttuyn 1763 (p.283) voorziet deze van de ‘N’ naam Kirr-Meeuw1, welke hij aan het “Hoogduitsch” ontleent. Houttuyn volgt voor de naamgeving méér Brisson (die de vogel bij de Sterns indeelt) dan Linnaeus (die hem immers een ‘Rallus’ noemde), en voorziet het geheel van een gekleurd plaatje, dat hij ook weer aan Brisson ontleende. Dit plaatje blijkt bij nauwkeurige bestudering een juveniele Zwarte Stern voor te stellen.
In Jonston 1660 staan drie afbeeldingen van wat vermoedelijk steeds dezelfde soort (Zwarte Stern) is (Tab.46); er staan de volgende namen bij: 1. Larus Niger Brand Vogel 2. Larus Fidiper2 (ook: Larus Fissipes) en 3. Marina Hirundo Zee Schwalb. In Jonston 1660 staat “Larus Piscator Fischerlein” bij een afbeelding die bij een Zwarte Stern in winterkleed zou kunnen passen, maar meer nog op een Dwergstern lijkt. Houttuyn 1763 echter brengt deze namen onder bij Linnaeus’ Sterna nigra.
Brisson gebruikt ook de naam l’Epouvantail (letterlijk ‘vogelverschrikker’) voor de soort, náást de F naam waarvan Houttuyn alleen de vertaling (Zwarte Stern) geeft. Schlegel 1844 noemt ook nog F Hirondelle de mer épouvantail. F épouvantail <ww. épouvanter <oudf espo(v)enter <volksLat expaventare <Lat expavere <ex- + pavere ‘bang zijn’ (vgl. F peur <Lat pavor).

==

1 Mogelijk is de volksnaam Kermmeeuwtje ↑ ontstaan in navolging van Houttuyns Kirr-Meeuw.

2 Aldrovandus noemde hem Larus niger fidipes. Linnaeus wijzigde het laatste deel in fissipes (Wilms 971001,1).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stern meeuwachtige 1761 [WNT] <modern Latijn

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

storos, stornos (str̥nos?) ‘Star und Vögel ähnlichen Lauteindrucks’

Lat. sturnus, -ī m. ‘Star’, aus *str̥nos oder *stornos, in letzterem Falle = ags. stearn ‘Seeschwalbe’, apr. starnite ‘Möwe’ (Ms. stamite); vgl. auch čech. strnad, russ. strenátka ‘Goldammer’?
ahd. star(a), nhd. Star, aisl. stari, ags. stær, Demin. stærling ds.

WP. II 649, WH. II 610, Frisk 173, Vasmer 3, 26.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal