Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ster - (hemellichaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ster zn. ‘hemellichaam’
Onl. sterno, sterro ‘ster’ in Sie gesagen sinen sternen ‘zij namen zijn ster waar’, an welheme the sterren stien ‘waaraan de sterren staan’ [beide 1151-1200; Reimbibel]; mnl. sterre [1240; Bern.], sterne in sternen ende de mane [1285; VMNW], star(re) in Van de starren die vast staen [1400-50; MNW] en ster in Ster ende maen [1450-1500; MNW]; nnl. ook ‘uitblinkende persoon’ in een Star van de eerste grootte aan den Haagschen Practyk-Hemel [1764; iWNT].
De a in star(re) is ontstaan door verlaging van de e vóór r + dentaal, dus uit sterne, zie ook → hart.
Os. sterro (mnd. sterne, stern); ohd. sterno, stern, sterro (mhd. sterne, stern, sterre, nhd. Stern); ofri. stēra (nfri. stjer(re)); oe. steorra (me. sterre, starne, ne. star); on. stjarna (nzw. stjärna); got. stairno; alle ‘ster’, < pgm. *sternōn-, *sternan-, *sterrōn-, waarbij de vormen met -rr- zijn ontstaan door assimilatie (wet van Kluge). Het n-achtervoegsel na de -r- is misschien ontstaan onder volksetymologische invloed van de namen van de hemellichamen zon en maan, maar kan ook verklaard worden uit een over het gehele paradigma gegeneraliseerde genitief pgm. *ster-n-iz bij een oude nominatief *sterō (n-stam).
Verwant met: Latijn stēlla; Grieks astḗr; Sanskrit tā́raḥ (mv.); Avestisch star-; Oudiers ser; Armeens astł; Hittitisch hašter-; Tochaars B ścirye; alle ‘ster’, < pie. *h2stēr-, h2ster-. Het woord is wel in verband gebracht met de wortel pie. *ster(h3)- van Latijn sternere ‘uitbreiden’ (zie → straat). De sterren zouden volgens deze verklaring zijn opgevat als aan de hemel uitgestrooide lichamen. De moderne reconstructie van de wortel, die met een laryngaal aanvangt, sluit dit verband uit. Wél mogelijk is de ontleding *h2s-ter- = ‘gloeier, brander’, bij de wortel *h2es- ‘gloeien, branden’ van → as 2.
De overdrachtelijke betekenis ‘uitblinkende persoon’ is in onze taal 60 jaar eerder geattesteerd dan in het Engels, wat een ontlening hiervan aan die taal onwaarschijnlijk maakt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ster1* [hemellichaam] {sterre, sterne 1201-1250} middelnederduits sterne, oudsaksisch sterro, oudhoogduits sterro, sterno, stern, oudfries stera, oudengels steorra, oudnoors stjarna, gotisch stairno; buiten het germ. latijn stella, grieks astèr, astron, bretons sterenn, welsh seren, hettitisch šittar, oudindisch star-.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ster 1, star znw. v., in oostelijke dial. steern, mnl. sterre, starre, sterne, steerne v. m., os. ohd. sterro, ofri. stêra, oe. steorra (ne. star) m. naast mnd. sterne m. v., stern m., ohd. sterno, stern (nhd. stern) on. stjarna, got. stairno v. — lat. stella (wel < *stērlā), gr. astēr, oi. star- (instr. mv. stṛbhiṣ), bret. sterenn, toch. mv. śren (IEW 1027-8).

Als grondvormen neemt men aan *ster en *sternā, waarnaast ook s-loze vormen voorkomen zoals oi. tāra v. ‘ster’, gr. teírea ‘gesternten’. — Voor de germ. vormen met -n behoeft men dus niet een jongere ontwikkeling onder invloed van zon en maan aan te nemen. — Betreffende de arm. vorm astł die Meillet Ann. Ac. Fenn. 27, 158 als bewijs aanziet voor een oude wisseling van r en l (en daarom ook lat. stella < *stēl-nā verklaart) zie van Haeringen Supplement 161, die denkt aan invloed van het woord voor ‘zon’ op het arm. astł, hetgeen men nog daarmee steunen kan, dat arm. hül, ül (< sūlo-, sūli-) niet meer ‘zon’ betekent, maar juist ‘ster’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ster, star znw., in de oostelijke diall. van Noord-Nederland steern, mnl. sterre, starre, ste(e)rne v. m. “ster”. = ohd., os. stërro, ofri. stêra, ags. steorra (eng. star) m. resp. ohd. stërno, stërn (nhd. stern) m., mnd. stërne m. v., stërn m., on. stjarna, got. staírno v. “ster”. De stamvorm op -nan-, -nôn- wordt aan invloed van maan en zon toegeschreven. Verwant met kymr. seren, korn., bret. steren, lat. stêlla, gr. astḗr, arm. astł, oi. (s)tar- (tā́raḥ nomin. mv., stṛ́bhiḥ instrum. mv.) “ster”. We moeten uitgaan van een idg. stam *(a)stêr-, *(a)ster-, *(a)st(e)r-, die in verschillende taalgroepen met verschillende formantia verlengd is. De anlaut van oi. tā́raḥ zal wel secundair zijn. Elke combinatie hoogerop, elke afl. van een verbaalwortel moet een onzekere hypothese blijven.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ster I. Met het oog op arm. astł neemt Meillet Ann. Ac. Fenn. 27, 158 oude wisseling van r en l in de wortel aan (vgl. roof I Suppl.), verklaart dan lat. stêlla uit *stêl-nâ, en bouwt daarop zelfs verdere conclusies omtrent de herkomst van de idg. benaming voor ‘ster’. Het is eenvoudiger de l van het arm. woord te verklaren uit een vroege inwerking van het met l gevormde idg. woord voor zon.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ster 1 v. (hemellichaam), Mnl. sterre, Os. sterro + Ohd. sterno (Mhd. sterne, Nhd. stern), Ags. steorra (Eng. star), Ofri. stéra, On. stjarna (Zw. stjärna, De. stjerne), Go. stairno + Skr. star- en tāras, Zend stare, Arm. astł, Gr. astḗr, Lat. stella (d.i. *sterla, *sterula), We.. steren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

staar (zn.) ster; Aajdnederlands sterro <1151-1200>.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

steern, staeren, steirn, stern ster (Oost-Nederland). = mnl., mndd. sterne ‘id.’, hgd. stern ‘id.’, got. stairno ‘id.’. Wschl. ≠ ster. maar een zeer oude afleiding daarbij. ~ lat. stella, gr. astēr, oind. star-.
WALD 1987, 107, Van Schothorst 205, Wanink 188, Hadderingh/Veenstra 262, W. de Vries 1895, 32, NEW 697.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ster: hemelliggaam; voorwerp m. sodanige vorm; beroemdheid; Ndl. ster/star (Mnl. ste(e)rne/sterre/starre, dial. o.a. ook steern), Hd. stern, Eng. star, hou verb. m. Lat. stella, Gr. astêr – Fr. étoile uit Lat. stella – , by vRieb ster(re)/star.

sterretjie: Scho PD 41 meld dat o.a. die pln. sterretjie “om die algemene bekendheid in Nederland ... seker (na S.A.) oorgedra is”, maar verswyg v. watter plant(e) na watter plant(e) – by Heuk kom o.a. op bl. 169-70, 229 en 246 ondersk. voor: spp. Ornithogalum, fam. Liliaceae; spp. Scilla, fam. Liliaceae, en spp. Stellaria, fam. Caryophyllaceae en andersyds by Mar 77 spp. Curculigo en spp. Hypoxis, albei fam. Amaryllidaceae.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ster ‘beroemdheid’ (bet. van Engels star)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

ster. In loop naar de maan en pluk sterren! stuiten wij op een luchtige uitbreiding van de verwensing loop naar de maan!lopen, maan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ster ‘hemellichaam; decoratie; beroemdheid’ -> Indonesisch setér ‘decoratie’; Negerhollands ster, stėrē ‘hemellichaam’; Sranantongo stari (ouder: staar), stèr ‘hemellichaam; beroemdheid’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ster* hemellichaam 1240 [Bern.]

ster* beroemdheid 1763 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

ster: de —ren van de hemel zingen, spelen enz., prachtig zingen, spelen enz.; zich volledig uitleven in iets; zich op een bepaald gebied van zijn beste kant laten zien.

Die onbekende jongeman (hij was zelfs niet eens lid van een voetbalclub) voetbalde de sterren van de hemel! (Remco Campert: Tot zoens!, 1981)
Meryl Streep speelt als Silkwood de sterren van de hemel. (Playboy, december 1984)
Deze kolossale blikvanger is de achterwand van een Romeins amfitheater waar elke zomer de vedetten van het gezongen toneel, zoals jaren geleden Cristina Deutekom, de sterren van de hemel zingen tijdens het festival Les Chorégies. (HP/De Tijd, 15/08/97)
Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

stē̆r-2 ‘Stern’, Kollektiv ster-ā, Gen. str-ās, dehnstufig stēr-ā ‘Gestirn, Stern’, ster-nā ds.; daneben tērā, teros-, terǝs ds.

Ai. Instr. Pl. stŕ̥bhiḥ, Nom. Pl. tāraḥ m. ‘Sterne’, tarā f. ‘Stern’, av. Akk. Sg. stā̆rǝm, Gen. stārō, Pl. Nom. staras-ča, stārō, Akk. strǝ̄uš, Gen. strǝ̄m, Dat. stǝrǝbyō ‘Stern’; arm. astł, Gen. asteł ‘Stern, Gestirn’; gr. ἀστήρ, -έρος ‘Stern’, kollekt. ἄστρα ‘jünger’ ἄστρον ‘Stern, Gestirn’ (daraus lat. astrum), wozu wohl mit (ὠπ-)ὀπ-: (ἀ)στεροπή, ἀστραπή ‘Blitz, Wetterleuchten’, στέροψ ‘flimmernd’, (ἀ)στράπτω ‘blitzen, funkeln’, ἀστεροπητής, ἀστεροπαῖος ‘Blitzeschleuderer(Zeus)’; ohne anl. s- (wie ai. tāraḥ, tarā) τερέων Gen. Pl., mit metr. Dehnung τείρεα, τείρεσιν ‘Gestirne’; lat. stēlla ‘Stern’ (*stēr-[o], Deminutiv); bret. sterenn, corn. sterenn (Pl. steyr), cymr.seren ‘Stern’ (Pl. ser), mir. ser ‘Stern’ (ZfcPh. 19, 200); dazu dehnstufig gall. GN Ðirona, Sirona; got. staírnō, ahd. sterno, anord. stjarna ‘Stern’ und ahd. as. sterro, ags. steorra ‘Stern’ (*sters- zum s-St. *steros?), afries. stēra ‘Stern’ (oder stēre f.).

WP. II 635 f., WH. II 587 f., Scherer Gestirnnamen 18 ff., Frisk Gr. Et. Wb. 170 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal