Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

stellen - (plaatsen; beweren; veronderstellen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

stellen ww. ‘plaatsen; beweren; veronderstellen’
Mnl. stellen ‘opstellen, opbouwen, plaatsen; vastleggen; in een bepaalde toestand brengen’ in doe ... hare werc te ponte was gestelt ‘toen hun belegeringswerktuig op de juiste wijze was opgesteld’ [1260-80; VMNW], bi consente uan den partien ... gheset ende ghestelt ‘met instemming van beide partijen vastgesteld en vastgelegd’ [1276-1300; VMNW], sal hi boven sijn ghestelt ‘wordt hij bovenaan geplaatst (heeft hij voorrang)’ [ca. 1410; MNW], Dat men uut den vanghenesse soude doen ... alle de edele ende poorters ..., ende stellen ze vry op hare voeten ‘dat men alle edelen en burgers uit de gevangenis zou laten en ze op vrije voeten zou stellen’ [ca. 1470; MNW].
Herkomst niet helemaal duidelijk. Mogelijk een afleiding van → stal in de oorspr. betekenis ‘stand, het staan’ (Toll., FvW, Kluge, Pfeifer); een tweede mogelijkheid (FvWS) is afleiding van de wortel van → steel ‘stengel’; in beide gevallen heeft de afleiding stellen de betekenis ‘doen staan, plaatsen’. De betekenis ‘zeggen, beweren’ is ontstaan uit ‘als vaststaand naar voren brengen, poneren’; ook → poneren betekent oorspronkelijk ‘plaatsen, zetten’. De betekenis ‘veronderstellen’ kon ontstaan in verbindingen als Laat ons stellen dat ... ‘laat ons dat bij wijze van proef als vaststaand naar voren brengen’.
Os. stellian; ohd. stellen (nhd. stellen); oe. stellan; nfri. stelle; alle ‘plaatsen, opstellen e.d.’, < pgm. *stallijan-. Ablautend is wrsch.stillen ‘doen ophouden’ < pgm. *stellijan- verwant.
Zie ook afleidingen en samenstellingen als → aanstellen, → belangstelling, → bestellen, → bewerkstelligen, → bijstelling, → gestel, → gesteld, → herstellen, → ongesteld, → opstel, → samenstelling, → tentoonstelling.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

stellen* [plaatsen] {1260-1280} oudsaksisch stellian, oudhoogduits stellen, afgeleid van een grondwoord dat het nl. als stal heeft, op enige afstand verwant met grieks stellein [doen staan, opstellen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

stellen ww., mnl. stellen, os. stellian, ohd. stellan een denominatief van germ. < stalla, waarvoor zie: stal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

stellen ww., mnl. stellen. =ohd. (nhd.) stellen, os. stellian, ags. stellan “stellen” (en verwante bett.). Van stal in de oude bet. “het staan, stand”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] stellen. Ags. stellan (bet.: “(een voorbeeld) geven”, met â-, on- ook “instellen, beginnen met”) veronderstelt germ. *staljanan, niet *stallianan.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

stellen. Daar ags. stellan wijst op *staljanan, niet *stallianan (v.Wijk Aanv.), is het wellicht juister dit ww. af te leiden niet van stal, maar als ‘doen staan’ van de bij steel besproken basis idg. *st(h)el-, *st(h)ol-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

stellen o.w., Mnl. id., Os. stellian + Ohd. stellen (Mhd., Nhd. id.), Ags. stellan: denom. van stal (z.d.w.) + Skr. wrt. sthal, Gr. stéllein (=bestellen): Idg. wrt. sthal: z. staven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

stel: s.nw. en ww., byeenhorende reeks (bv. meubelstukke); lokval; lg. o.a. in verbg. ’n stel aftrap; (as ww.) ’n taak opdra; ’n lokval gereed maak, as s.nw. en as ww. by Trig (Scho TWK/NR 7, 2, p. 29); so ook Ndl. stel en stellen (Mnl. stel(le) en stellen), Hd. stelle, “plek” en stellen, (ww.) “plaas”.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

stellen: 1) glaswerk stellen, drie dagen in water zetten voor gebruik op Pesach; 2) een wetsrol stellen, zo oprollen dat men bij het openen meteen de goede plaats voor zich heeft, de plaats waar men met lezen moet beginnen | < Jidd.

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

stellen

a. Veilig stellen, veiligstelling

‘De toekomst van het bedrijf zou worden veiliggesteld.’ (Elseviers Magazine, 22.7.72, p. 32)
‘Maar de heer Aantjes, fractieleider van de ARP, verklaarde het afgelopen weekeinde dat hij speciaal zijn vakantie had onderbroken om het bedrag dat tijdens de kabinetsformatie over de ontwikkelingshulp was afgesproken, veilig te stellen...’ (Elseviers Magazine, 22.7.72, p. 36)

Veel puristen beschouwen veilig stellen als een germanisme (D. ‘sicherstellen’) voor ‘beschermen, beveiligen, in veiligheid brengen’. Het WNT, Van Dale en Van Gelderen zijn het daarmee eens.

Tot aan het begin van de jaren ’70 deelde ook Koenen die opvatting. Nu echter vindt hij, samen met Jansonius, dat het goed Nederlands is. Aangezien Kramers, Weijnen en Verschueren deze uitdrukking helemaal niet hebben opgenomen, is het echter nog te vroeg om van inburgering te spreken. Nochtans zal men veilig stellen in de kranten hier en daar tegenkomen.

Het substantief veiligstelling heeft nog niet veel succes: tot dusver is Jansonius het enige woordenboek dat het opgetekend heeft.

b. Zeker stellen

Ook deze - zeldzame - variant van a, met het ‘Duitse’ zeker’ i.p.v. ‘veilig’, wordt als een germanisme beschouwd. Weer is Jansonius de enige die deze uitdrukking zonder verdere aantekening vermeldt.

c. In, buiten werking stellen

Volgens sommige puristen is in werking stellen (bijv. van een machine) een germanisme (D. ‘in Betrieb stellen’) voor ‘aanzetten, aan de gang brengen’.

De meeste woordenboeken maken echter geen bezwaar tegen de gewraakte uitdrukking. Eigenaardig is wel dat Koenen en Van Dale niet in werking stellen vermelden maar wel het tegengestelde, nl. buiten werking stellen.

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

[Nederlandse woorden in joodse omgeving]
stellen in Joodse kringen gebruikt: v. jidd. schtellen; a. glaswerk stellen = voor het gebruik op Pesach in water zetten;
b. een seifer stellen = een wetsrol zo rollen, dat men bij het openen direct de plaats voor zich heeft, waar men moet beginnen.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

[Judaeo-Nederlands]
stellen in Joodse kringen gebruikt < jidd.-hd. a. glaswerk stellen = voor het gebruik op het Paasfeest drie dagen in water zetten; b. een wetsrol stellen = zo rollen dat men bij het openen direct de plaats voor zich heeft, waar men met lezen moet beginnen.

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

stellen (te zamen stellen). ― Het tegenwoordig Nederlandsch zegt niet te zamen stellen, naar D. zusammenstellen, maar samenstellen.
|| Zoo sluiten wij het overzicht van deze lijst, ... met ijzeren vlijt door Pastor te zamen gesteld, Dr G. Verriest in Dietsche Warande en Belfort, 6, 703.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stellen (plaatsen), van den Idg. wt. sthel (verlenging van stha) = staan; het woord w.d.z.: een staanplaats geven; zie Stal. Stellen (onderstellen) = een geval, enz. een plaats geven; stellen (opstel maken) = de zinnen in een geordende opeenvolging plaatsen.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

stellen (II) (een einde aan iets stellen). - In deze uitdrukking is het gebruik van het ww. stellen een gallicisme: in het Fransch zegt men mettre fin à quelque chose; in het Nederlandsch een einde maken aan iets. || Ik zou aan die vernedering een einde willen stellen, SLEECKX 15, 254. Onder den drang der gebeurtenissen was de Conventie genoodzaakt een einde te stellen aan hare dictatoriale alleenheerschappij, MATHOT, Troebele Tijd 79. Toen de vrede werd gesloten, die een einde stelde aan dien langen strijd, ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 2. De Engelsche koning moest dus met vreugde de gelegenheid begroeten om een einde te stellen aan eenen oorlog, dien hij niet bij machte was te voeren, 2, 137. Hij besloot voor goed een einde te stellen aan het kommervolle bestaan dat hij ... sedert drie jaren leidde, ROOSES, N. Schetsenb. 309. Weldra stelde zijn huwelijk ... een einde aan alle verder ontwerp tot reizen, SABBE, Vl. Schilderk. 163. Hij ... (gevoelde) eene zekere verlichting ..., wanneer aan die moeilijkheden een einde was gesteld, SEGERS, Gelukkig 5. Hij heeft ... aan alle betrekking een einde gesteld, 56 (zie ook 95). Hij herinnerde zich, vroeger er aan gedacht te hebben, een eind aan zijn leven te stellen, MOORTGAT, Versleten 84. Zijn besluit om aan zijn leven een eind te stellen, 132. Ik was ook overtuigd, dat men een einde daaraan zou stellen, WATTEZ in Ned. Dicht- en Kunsth. 16, 12. Zij verlangde een einde te stellen aan eene woordenwisseling, die haar ergde (lees ergerde), VAN CUYCK in Ned. Dicht- en Kunsth. 10, 17. Een einde stellen aan dit onophoudend lijden, er een eind aan te stellen om het even hoe, BUYSSE in De Gids 1895, II, 14. Hij rees half uit zijn zetel op, sidderend en knarsetandend, aangestuwd door de sombere behoefte er een einde aan te stellen, te sterven, BUYSSE in Tweemaandel. Tijdschr. 1, 37. Stellen wij een einde aan deze overwegingen, MILLECAM, Finh. en Lieder. 2, 186. Wij verwachten van den nieuwen Minister der Justitie dat hij een einde zal stellen aan het schreeuwend misbruik ..., waarbij enz., Volksbelang 31 Maart 1894, 1b. De Denen van Sleswijk verwachten ... elk oogenblik dat de raad van toezicht voor de scholen ... aan de zaak een einde stelt, 2d. Wanneer zal er te Gent een einde worden gesteld aan het gebruiken van den barbaarschen naam Vereenigde Artisten-muzikanten enz., 30 Juni 1894, 4a (briefwisseling uit Antwerpen).

stellen (IV) (in orde stellen). - Deze uitdrukking, letterlijk vertaald naar fr. mettre en ordre, is in strijd met ons taalgebruik. Het Nederlandsch zegt in orde brengen. || Wij zullen dat eens gauw in orde stellen, STIJNS, In de Ton 34.
– Evenmin kan men zeggen orde in iets stellen, blijkbaar eene vertaling van fr. mettre ordre à quelque chose, d.i. voor iets zorgen. || “Wie durft zoo iets naar het kasteel gaan zeggen!” - “O dat ik daar toch orde kon in stellen!” klaagde ... de pastoor, LOVELING, Sophie 190.

stellen (V) (in veiling stellen). - Deze uitdrukking is blijkbaar gebruikt onder den invloed van fr. mettre en vente. Men zegt te koop (aan)bieden. || Waar men koopers vond, werden de kerken, kapellen en pastorijen in veiling gesteld, MATHOT, Troebele Tijd 105.

stellen (I) (in den ban stellen van -). - Deze uitdrukking is de letterlijke vertaling van fr. mettre (quelqu’un) au ban de -. In het Nederlandsch zegt men iemand in den ban doen. || Wat! uit oorzaak van zijn huwelijk verstooten zijn uit alles; in den ban gesteld worden van heel zijn maatschappelijken stand, BUYSSE in De Gids 1895, II, 14.

stellen (VIII) (zich op weg stellen). - Deze uitdrukking is de letterlijke vertaling van fr. se mettre en chemin, doch met ons taalgebruik in strijd: in het Nederlandsch zegt men op weg gaan, zich op weg begeven. || Gedreven ... door zijne roeping van reisbeschrijver, stelde hij zich op weg, ROOSES, Ov. de Alp. 35. Wij namen de gelegenheid te baat en stelden ons op weg naar San Lorenzofuorile-Mura, 224. (Hij) stelde zich op weg over Duitschland naar Italië, ROOSES, Antw. Schildersch. 1, 165.

stellen (III) (op de hoogte stellen). - Deze uitdrukking is half Nederlandsch, half Fransch: men zegt in onze taal iemand op de hoogte brengen, in het Fransch mettre quelqu’un au courant, vandaar het hybridische op de hoogte stellen. || Wij (hebben) ons kunnen overtuigen, dat de bewerker zich inderdaad op de hoogte heeft gesteld van nieuwere ontdekkingen op het gebied der letterkundige geschiedenis, CORNETTE in De Toekomst 32, 403. Het doet den Vlaming goed als hij ziet, dat ... men zich ... op de hoogte wil stellen der beweging van een volk, dat enz., WATTEZ in Holl.-Vl. 1, 82. Wie zonder veel moeite en kosten zich ietwat op de hoogte wil stellen van den trant en de waarde der hedendaagsche poëzie in Zuid en Noord enz., V. CUYCK in Vl. School 1894, 148a. Vader ... volbracht ... ook nog wel gedeeltelijk (de taak) van zijn zoon, wien hij moest op de hoogte stellen, BUYSSE in De Gids 1894, II, 8.

stellen (VI) (een vraag stellen). - Deze uitdrukking, die ook in Noord-Nederland gewoon begint te worden, is blijkbaar vertaald naar fr. poser une question; men zegt eenvoudig iemand iets vragen, of deftiger: tot iemand een vraag richten. Soms is eene andere uitdrukkingswijze noodzakelijk: zie verder de aanhalingen. || Professor Mahne verklaarde kortaf aan den eersten student, die zich voor zijn examen aanbood, dat hij niet van zin was ... de vragen bekend te maken, die hij zou stellen, G. BERGMANN, Gedenkschr. 131. Wij antwoordden op de ons gestelde vragen zoo keurig, zoo correct, dat men zou gezworen hebben, dat wij allen de antiquitates romenae op ons duimken kenden, Ald. Doch hier geeft zich een bezwaar lucht en moet men eene vraag stellen, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 12 (bij HAVARD 20: Mais ici un scrupule se fait jour et une question se pose, wat b.v. volgenderwijze kan uitgedrukt worden: Maar hier doet zich een bezwaar op en blijft het de vraag of enz.). Wij zouden ons voor dit paneel wel de vraag kunnen stellen, die men herhaaldelijk gesteld heeft, of enz., ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 103 (hier en in de twee volgende aanhalingen past b.v. het ww. zich afvragen). Gij hebt U niet met vrouwelijke bedeesdheid, maar met mannenmoed, de vragen gesteld, die zoovele gemoederen van alle kunne en rang en ouderdom vrees aanjagen, ROOSES, Derde Schetsenb. 395. De eerste vraag, die wij ons te stellen hebben, ... is deze enz., ROOSES in Hand. v. h. XXIe Ned. Congr. 144 (zie ook 149). Dat het zeer moeilijk is goede vragen te stellen (t.w. bij prijskampen) 34, 231, geef ik gaarne toe, VERHEYEN in De Toekomst (er wordt vereischt opgeven). De vragen dienen namelijk zoo gesteld, dat een leerling, die de bedoelde zaak kent, ze kunne beantwoorden, Ald. In éenen zijner brieven deed de uitmuntende dichter mij de eer aan, mij deze vraag te stellen, DE MONT in De Toekomst 35, 162.

stellen (VII) (zich aan ’t werk stellen). - Deze uitdrukking is de letterlijke vertaling van fr. se mettre au travail; men zegt in zuiver Nederlandsch aan het werk gaan. || Zoodra zij en Stant op hunne kousen boven, hij naar den zolder, zij in haar bed was, en de twee anderen op hun stoel indommelden, stelde Pia zich aan ’t werk, LOVELING, Bruid d. Heer. 60. Te huis gekomen, haalt hij zijne notaboekjes voor den dag en stelt zich aan het werk, ROOSES, Ov. de Alp. 38. Gewetensvol stelde ik mij aan het werk om het (boek) te lezen en er in korte woorden mijne meening over neer te schrijven, SEGERS in De Toekomst 31, 469.
– Men vindt ook soms zich te werk stellen, in denzelfden zin. Men zegt wel iemand te werk stellen, d.i. iemand met een werk belasten; zich te werk stellen zou dus desnoods kunnen beteekenen zich zelven met een werk belasten, zich zelven een werk opdragen, maar niet aan het werk gaan. || Daar hij eenige begrippen van scheikunde had opgedaan, stelde hij zich te werk om een middel te zoeken tot het samenstellen van een vernis dat enz., SABBE, Vl. Schilderk. 19.

zich eene (de) vraag stellen. - Naar fr. se poser la (une) question, d.i. zich zelven een vraag stellen, doch in verband met hetgeen reeds in de eerste afdeeling, II, op Stellen (VI), gezegd werd, is zich afvragen beter. || De kunstenaar stelde zich niet de vraag … hoe werden de kinderen gedood? - maar wel deze: wat leden en wat deden de moeders, toen men hunne kinderen slachtte? ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 167. Eerst en vooral stelt zich de heer Knoop de vraag: “Waarom enz., DE MONT in De Toekomst 34, 261. Hoe moet men de weglating der buigingsuitgangen beoordeelen? Die vraag stelde ik mij voor eenige dagen, toen enz., GITTÉE in De Toekomst 30, 263. Sprookjes? ... Deze vraag stelt zich de lezer bij het zien van den titel van dit boek, 34, 115.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

stellen ‘plaatsen; afstellen’ -> Zweeds ställa ‘plaatsen’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch setél ‘afstellen, bijregelen (radio), afstemmen (radio)’; Jakartaans-Maleis setèl ‘afstellen’; Javaans setèl ‘plaatsen’; Papiaments stèl ‘(de kleppen van een automotor) weer in de gewenste stand brengen’; Surinaams-Javaans setèl, nyetèl ‘instellen, aanzetten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

stellen* plaatsen 1260-1280 [CG II1 Wrake R.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1981. Iemand in de schaduw stellen,

d.w.z. iemand overtreffen; eig. hem overschaduwen; iemand het licht onderscheppen, zoodat hij in de schaduw komt te staan, en het licht dus niet op hem valt, hij minder uitkomt; vgl. lat. inumbrare; umbram facere alicui rei; gri. αποσκιαζειν; hd. jemand in (den) Schatten stellen; eng. to cast (or to put) a p. into the shade; zie no. 1383 en vgl. Afrik. iemand in die skaduwee stel; oostfri. du steist mî in de scharr' (schaduw), du stehst so, dasz dein Schatten mich des Lichtes der Sonne beraubt (Ten Doornk. Koolm. III, 87 a).

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

stel-3 ‘stellen, aufstellen; stehend, unbeweglich, steif; Ständer, Pfosten, Stamm, Stiel’, stēlo- ‘Standort’, stl̥-no- ‘Gestell’

Ai. sthála-m, sthalī́ ‘Erhebung, Anhöhe, Festland’, sthálā ‘Erdaufschüttung’, sthálati (Dhātup.) ‘steht’; vielleicht sthāla-m, sthālī́ ‘Gefäß, Topf’; unklar sthāṇú- ‘feststehend’, Subst. ‘Stumpf, Stock’ (*stharnú-, idg. *st(h)el-nu-?);
arm. stełcanem ‘schaffe’, stełn, Pl. stełunk’ ‘Stamm, Stengel, Zweig’;
gr. στέλλω ‘stelle auf (in Ordnung); bestelle, lasse kommen; schicke; rüste zu, kleide, stelle fertig’, στόλος m. ‘Zurüstung, Zug, Heereszug’ und ‘hervorstehender Balken, Pflock, Ruderstange und dgl.’, στολή f. ‘Rüstung, Kleidung, Ausrüstung, Heereszug’; στολίζω ‘bestelle, mache fertig, rüste’, στελεά̄ f. ‘Stiel der Axt’, später στελεόν n., homer. στελει-ή, -όν ds., att. στελεός m. ds., στέλεχος n. ‘Stamm, Strunk; Tölpel’; lesb.-thess. στάλλα, dor. στά̄λᾱ, att. στήλη ‘Säule’ (*stḷ-nā, vgl. ahd. stollo); vielleicht στάλιξ(ᾰ); ‘Pflock zum Festmachen der Jagdnetze’;
alb. shtjelj (*stel-nō) ‘wickle ein’?;
lat. stolidus ‘tölpelhaft, dumm, ungebildet’, stultus ‘töricht’, stolō, -ōnis ‘Wurzelschoß’ (eig. ‘Stecken, Stiel’);
lat. locus, altlat. stlocus ‘Ort’ (*stlo-ko-); īlicō ‘auf der Stelle’ (*en-stlokōd);
aisl. stjǫlr ‘Steiß’, norw. stjø̄l ‘Stengel, Stiel’, ags. stela m. ‘Pflanzenstiel’, ablaut. mengl. stall ‘Pflanzenstengel, Leitersprosse, Stiel’, mnd. stale, stal ‘Pfosten; Fuß’; aisl. stāl n. ‘Schober, Stapel’, ags. stǣl ‘Ort, Stelle’ (*stēlā); vandal. PN Stilico = nhd. Stilka;
aisl. stallr (*stolnos) ‘Gestell, Altar, Krippe, Stall’, ags. steall ‘Stellung, Stand, Stall’, ahd. mhd. stal (-ll-) ‘Wohnort, Stelle, Stall’; davon ahd. stellen ‘auf-, feststellen, einrichten’, as. stellian, ags. stellan ‘setzen, stellen’; aisl. stallra ‘stehenbleiben, stocken’;
as. stollo ‘Fußgestell’, ahd. stollo, mhd. stolle ‘Stütze, Gestell, Pfosten, Fuß eines Sessels’, nhd. Stolle, Stollen (idg. *stl̥n-, vgl. gr. στήλη und das ablautende aisl. stallr ‘Gestell’);
as. ahd. stilli ‘still, ruhig’, ags. stille ds. (*stel-ni-); aisl. stilla ‘stillen, ordnen, überlisten’, as. gistillian ‘stillen’, ags. stillan ‘stillen, beruhigen’, Intr. ‘still werden’, ahd. nhd. stillen ‘still machen’;
isl. stālmi, norw. stalme m. ‘das Angeschwollensein des Euters’, schwed. stolm ‘Stoppeln’ (: lett. stul̂ms); norw. stalma, stolma ‘gerinnen’;
apr. stallīt ‘stehen’; lett. stul̂ms ‘Baumstumpf; Glied, Arm, Bein’;
als s-lose Nebenformen kommt in Betracht *tel- ‘still sein’ (s. dort).
Erweiterte Wurzelformen:
stelb-, stelp-; stelbo- ‘Pfosten’:
and. stelpōn ‘stagnare’, ndl. stelpen ‘stillen, hemmen’, nhd. (nd.) stelpen ‘sistere sanguinem’, mnd. stalpen ‘stagnāre’, stolpe ‘Schmalz und andere Fettarten’ (‘*gestockt’); aisl. stolpi, mengl. stulpe, mnd. stolpe ‘Balken, Pfosten’; mnd. stülpen ‘umstülpen, umkehren’, stulpe ‘Stülpe, Topfdeckel’; norw. stolpa ‘mit steifen und langen Schritten gehen’, nhd. (nd.) stolpern u. dgl.;
lit. stalbúotis ‘stehen bleiben’, stelbúotis ‘schal werden’, ablaut. lett. stul̃bs ‘betäubt, verblüfft’, stùlbs ‘Pfosten’, ablaut. stil̃bs ‘Schienbein’; aksl. stlъba ‘Stufe’, russ. stolb ‘Säule, Pfosten’;
danehen mit p lit. stul̃pas, lett. stùlps, aksl. stlъpъ ‘columna, turris’, russ. stolp;
eine nasal. Wurzelform stlemb- wohl in lat. stlembus ‘schwerfällig, langsam’.
steld-:
Ai. allenfalls in sthaḍu- m. ‘Buckel, Höcker’;
ahd. stëlza, mnd. stelte, schwed. stylta, mengl. stilte ‘Stelze’, engl. stilt ds.; nd. stilte ‘Stange, Stengel’, ags. styltan ‘verdutzt sein’ (*erstarren’), ostfries. stoltern ‘stolpern’, mhd. stolzen, stülzen ‘hinken’, schwed. stulta ‘stolpern’, mnd. stolt ‘stattlich, hochmütig’, ahd. mhd. stolz ds. (mhd. auch ‘töricht’);
ein dh-Präs. zu stel- in got. and-staldan ‘darreichen, bieten’, ga-staldan ‘erwerben, besitzen’, ags. stealdan ‘besitzen’, ahd. (usw.) hagustalt ‘(nur einen Hag besitzend =) Taglöhner, unverheirateter Mann, Hagestolz’.
stelg- (auch stelk-?) nominal (s)tolgo-:
mir. tolg m. f. ‘Stärke’; aschwed. stiælke, norw. stjelk, stelk und ablautend stalk, engl. stalk ‘Stengel, Stiel’, ags. stealc ‘hoch, steil’, mnd. stolkeren ‘stolzieren’, nld. stelkeren, stolkeren ‘gerinnen’, ferner als ‘steif, gehen’; norw. stalka, stulka ‘stapfen, schleichen’, wie ags. stealcian, engl. stalk ds., aisl. stelkr ‘Strandkiebitz’; vgl. mir. ta(i)lc ‘stark’, mit k;
lit. stel̃gti ‘anstarren, starr hinsehen’, stalgùs ‘starr, trotzig, stolz’, stel̃gtis ‘prahlen’, wohl auch žem. stìlguos ‘sich beeilen’; wegen der Bed. fraglich lit. stulgỹn ‘in die Höhe’, alit. stulginti ‘verlängern’.

WP. II 643 ff., WH. I 817 f., II 599, Trautmann 284, 290 f., Vasmer 3, 18.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal